RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/440247-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 mei 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1984] te [geboorteplaats] wonende te [adres], [woonplaats] raadsvrouw mr. R. van Manen, advocaat te Utrecht 1 Onderzoek van de zaak De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 16 augustus 2012 en 26 april 2013. Op de zitting van 26 april 2013 hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode 3 februari 2010 tot en met 15 november 2010 samen met een ander [benadeelde] heeft afgeperst en/of heeft afgedreigd. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank het volgende. Het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, de afdreiging, betreft een klachtdelict. Het Openbaar Ministerie gaat in dat geval niet over tot vervolging anders dan na een klacht. In de zaak van [benadeelde] blijkt ‘slechts’ van een aangifte. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte (van bedreiging en afdreiging) van [benadeelde], het aanvullende verhoor van aangever en het gegeven dat aangever zich als benadeelde partij heeft gevoegd en een schriftelijke slachtofferverklaring heeft overgelegd, onmiskenbaar blijkt dat hij de bedoeling had dat verdachte vervolgd zou worden, waarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate is voldaan aan (de feitelijke betekenis van) het klachtvereiste als omschreven in artikel 318, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hieruit volgt dat de officier van justitie voor het ten laste gelegde feit ontvankelijk is in haar vervolging. Er zijn geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte volgens de gegevens van de GBA in de periode maart 2010 tot en met juli 2010 was ingeschreven in Maarssen, terwijl de mobiele telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer] en [telefoonnummer} aanstraalden op paallocaties in Almere. De pinbetalingen ten laste van bankrekeningnummer [rekeningnummer] hebben in voornoemde periode plaatsgevonden in Almere en niet in Maarssen. In de aangifte staat, aldus de verdediging, dat van bedreiging door woekeraars eerst is gesproken op 29 oktober 2010, terwijl de laatste overboeking dateert van 19 oktober 2010. Er is derhalve geen sprake van enige causaliteit tussen deze bedreiging en de overboekingen tot een bedrag van € 133.540,00. De bedreigingen per sms dateren van 25 november 2010 en 26 november 2010. Deze data liggen ook na 19 oktober 2010. In het dossier bevindt zich voorts, naar de mening van de verdediging, geen bewijs voor smaad. Tenslotte is betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] tegenstrijdigheden bevatten en om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Afpersing, bewijsoverwegingen Het impliciet primair ten laste gelegde feit ziet op de afpersing van [benadeelde] in de periode 3 februari 2010 tot en met 15 november 2010. Weliswaar bevat het dossier enige aanwijzingen dat verdachte door middel van bedreigend sms-verkeer aangever heeft gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld, maar dit sms-verkeer valt buiten de tenlastegelegde periode. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier, behalve de aangifte door [benadeelde], geen bewijs met betrekking tot van verdachte afkomstig geweld of door verdachte geuite bedreigingen met geweld in de in de tenlastelegging genoemde periode. Het ten laste gelegde kan derhalve niet wettig bewezen worden geacht. De rechtbank zal verdachte om die reden van het impliciet primair ten laste gelegde feit vrijspreken. 4.3.2 Afdreiging, bewijsmiddelen Het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit ziet op de afdreiging van [benadeelde] in de periode 3 februari 2010 tot en met 15 november 2010. Op 26 november 2010 heeft [benadeelde] aangifte gedaan van afdreiging. Aangever heeft verklaard dat hij op 3 februari 2010 aan het chatten was met een vrouw, dat al vrij snel tijdens het chatgesprek deze vrouw zielig begon te doen en zei dat zij geld nodig had, en dat hij, aangever, toen geld heeft overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte] te Almere. Op 3 februari 2010 heeft aangever een keer € 80,00 en twee keer € 200,00 overgemaakt. Na 3 februari 2010 heeft aangever geen contact meer gehad met deze vrouw die zichzelf [naam] noemde. Op 4 februari 2010 is aangever gebeld door een man die zich [C] noemde en die zei dat hij de vriend van [naam] was. Aangever hoorde dat deze [C] boos was dat hij, aangever, chatcontact had gehad met [naam]. Aangever vond dat [C] behoorlijk intimiderend was in dit telefoongesprek. Nadien is aangever een aantal keren gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer]. De keren dat aangever het telefoongesprek aannam hoorde hij dat hij met [C] sprak. Aangever hoorde [C] zeggen dat aangever [naam] moest blijven helpen met haar schulden en dat wanneer hij dat niet zou doen, zou [C] bekend maken dat aangever had gechat met [naam] en geldbedragen aan haar had overgemaakt. Aangever hoorde [C] zeggen dat hij de chatgesprekken aan de vrouw van aangever zou doorgeven. Aangever heeft verklaard dat [C] elke keer als hij geld nodig had begon met dreigen dat hij de vrouw van aangever zou informeren en dat aangever zich hierdoor gechanteerd voelde. Aangever heeft vervolgens gebeld met de politie met de vraag wat hij aan de situatie kon doen. Op 9 februari 2010 heeft [D] van de politie Utrecht gerapporteerd dat hij was benaderd door aangever, dat aangever hem had verteld dat hij was gebeld door de ex-vriend van [naam], dat aangever was meegedeeld dat hij wederom geld moest overmaken, dat het gestelde bedrag nu boven € 600,00 lag en dat aangever was meegedeeld dat beller zich in de straat bevond waar aangever woont. Op 9 februari 2010 heeft [D] het telefoonnummer [telefoonnummer] gebeld. Diezelfde dag is aangever gebeld door [C] met de mededeling dat beller wist dat aangever contact had gezocht met de politie en hen op de hoogte had gebracht van de afdreiging. Aangever heeft op dat moment afgezien van het doen van aangifte. Aangever heeft verklaard dat de man die zich [C] noemde ook na 9 februari 2010 opdringerig bleef doen. Aangever bleef geld overmaken naar de bankrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer]. Tussen 3 februari 2010 en 19 oktober 2010 heeft aangever een bedrag van in totaal € 133.540,00 op genoemd rekeningnummer overgemaakt. Op 29 oktober 2010 heeft aangever [C] voor het eerst ontmoet, in Almere. Daarbij heeft aangever een bedrag van € 7.250,00 in contanten aan [C] gegeven. Op 5 november 2010 heeft aangever een tweede ontmoeting met [C] gehad, wederom in Almere. Tijdens dat gesprek heeft aangever een bedrag van € 7.000,00 in contanten aan [C] gegeven. Op 15 november 2010 heeft aangever een derde ontmoeting met [C] gehad, nu in Maarssen, en hem daarbij € 2.500,00 in contanten overhandigd. Door aangever is verklaard dat [C] behalve het telefoonnummer [telefoonnummer] ook het nummer [telefoonnummer] gebruikte. De telefoonnummers van aangever zijn [telefoonnummer] en [telefoonnummer] (huis). Uit onderzoek naar de GSM van aangever , een iPhone 4 voorzien van het imeinummer [nummer], bleek dat onder de rubriek ‘contacten’ de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] voorkwamen, dat onder de rubriek ‘gesprekken’ het telefoonnummer [telefoonnummer] voorkwam en dat onder de rubriek ‘sms berichten’ onder naam [naam] (telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]) diverse sms berichten waren verzonden en ontvangen. Uit onderzoek naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer] bleek dat dit nummer op naam staat van [medeverdachte], [adres] te [woonplaats], en dat in de periode 1 februari 2010 tot en met 30 november 2010 in totaal € 133.540,00 is overgemaakt op dat rekeningnummer vanaf rekeningnummer [rekeningnummer]. Het rekeningnummer [rekeningnummer] is in gebruik bij aangever. Uit onderzoek van de GBA-gegevens bleek dat op het adres [adres] te [woonplaats] stond ingeschreven [medeverdachte]. Verder stond op datzelfde adres met een zekere regelmaat ingeschreven: [verdachte], zijnde verdachte in de onderhavige strafzaak. Van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] zijn de historische printgegevens opgevraagd. Uit het onderzoek naar deze gegevens is gebleken dat beide telefoonnummers vele malen contact hebben gehad met het [telefoonnummer], zijnde het nummer dat in gebruik is bij aangever, dat het nummer [telefoonnummer] tweemaal en het nummer [telefoonnummer] 57 maal contact heeft gehad met het nummer [telefoonnummer], zijnde het huisnummer van aangever. Voorts hebben de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] meerdere overeenkomstige contacten, waaronder: [medeverdachte], [A] en [B]. Door de GSM met het nummer [telefoonnummer] werd in de vroege ochtend over het algemeen de paallocatie Stadhuisplein te Almere aangestraald. De GSM met het nummer [telefoonnummer] maakte over het algemeen gebruik van de paallocaties Stadhuisplein en Markerkant te Almere. Beide locaties liggen in de directe nabijheid van de [adres] te Almere. De GSM van aangever heeft op 17 oktober 2010 tussen 13:39 uur en 22:14 uur meerdere malen contact gehad met nummer [telefoonnummer] en éénmaal met nummer [telefoonnummer], waarbij beide GSM’s zich, gezien de paallocatie, in dezelfde omgeving bevonden, namelijk de paallocaties Markerkant te Almere en Stadhuisplein te Almere. De GSM van aangever heeft op 25 november 2010 tussen 13:41 uur en 15:54 uur meerdere malen contact gehad met het nummer [telefoonnummer] en éénmaal met het nummer [telefoonnummer], waarbij beide GSM’s zich, gezien de paallocatie, in dezelfde omgeving bevonden, namelijk de paallocaties [adres] te [woonplaats]en [adres] te [woonplaats]. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat door [medeverdachte] tweemaal aangifte is gedaan tegen haar ex-vriend [verdachte] en dat zij daarbij heeft meegedeeld dat haar ex-vriend gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Voorts bleek dat er op 23 januari 2010 bij de politie Haarlemmermeer melding was gemaakt van een soortgelijk incident, waarbij het slachtoffer meerdere malen geld had overgemaakt naar ene [naam], rekeningnummer [rekeningnummer]. Het slachtoffer werd onder druk gezet door een man die zich [E] noemde en die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Bij de aanhouding van verdachte op 2 februari 2011 is zijn GSM, een iPhone, in beslag genomen. Uit onderzoek bleek dat deze GSM het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft, dat in het telefoonboek van de GSM de naam [naam] met het telefoonnummer [telefoonnummer], zijnde het nummer van aangever, voorkwam. Tevens waren er diverse SMS-berichten, vanaf de datum 20 oktober 2010, van en naar het nummer van aangever in de GSM opgeslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij 2½ jaar een relatie heeft gehad met [medeverdachte] en dat die relatie omstreeks half oktober 2010 is uitgegaan. Voorts heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte] [medeverdachte] is, [A] zijn zus en [B] zijn broer. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de pinpas en de pincode van rekeningnummer [rekeningnummer] heeft meegenomen en gebruikt om boodschappen te doen en geld te pinnen. In een telefoongesprek met aangever, aldus verdachte, is verdachte zo tekeer gegaan tegen aangever dat hij aangever heeft gevraagd of zijn vrouw en kinderen er vanaf wisten dat aangever contact had met [medeverdachte] en geld aan [medeverdachte] leende, hetgeen aangever toen heeft ontkend. Op 21 februari 2011 is met aangever een sequentiële fotobewijsconfrontatie gehouden. Door aangever is verdachte aangewezen als zijnde de man die hij kent als [C]. Door medeverdachte [medeverdachte] is verklaard dat verdachte van november 2008 tot 7 oktober 2010 met haar heeft gewoond op het adres [adres] te [woonplaats]. 4.3.3 Afdreiging, bewijsoverwegingen De rechtbank is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, redengevende feiten en omstandigheden zijn voor het bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde afdreiging van aangever in de periode 3 februari 2010 tot en met 15 november 2010. Verdachte heeft aangever, nadat aangever na chatcontact met [medeverdachte] een bedrag van € 480,00 had overgemaakt, aangever afgedreigd. Hij heeft aangever gedreigd om het chatcontact met een vrouw en het overmaken van geldbedragen aan die vrouw bekend te maken aan de vrouw van aangever en heeft gedreigd naar het huis van aangever te komen, in ruil voor (aanzienlijke) geldbedragen. Van het op de bankrekening van [medeverdachte] in totaal overgemaakte bedrag van € 133.540,00 zijn naar het oordeel van de rechtbank de op 3 februari 2010 overgemaakte bedragen voor in totaal € 480,00 niet door afdreiging overgemaakt, zo blijkt uit de aangifte. In de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] heeft de rechtbank bij vonnis van heden deze medeverdachte vrijgesproken van de aan haar ten laste gelegde afdreiging van aangever. Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afdreiging van aangever als gevolg waarvan aangever een bedrag van € 149.810,00 heeft betaald. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 03 februari 2010 tot en met 15 november 2010 te De Meern, gemeente Utrecht en/of te Almere en/of te Maarssen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaarmaking van (een) geheim(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.