RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/701237-12 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 mei 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1990], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [woonplaats], [adres], thans gedetineerd te PI Midden-Holland, HvB Haarlem. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van laatstelijk 19 en 23 april en 2 mei 2013. De zaak is tegelijk maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 6] met parketnummer 16/701238-12 en [medeverdachte 1] met parketnummer 16/701248-12. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. N. Hendriksen, naar voren hebben gebracht. 2. Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 juli 2012 te Utrecht samen met een ander: feit 1: heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] te vermoorden, dan wel opzettelijk van het leven te beroven; feit 2: twee vuurwapens voorhanden heeft gehad; feit 3: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft afgeperst en met (bedreiging met) geweld 15 kilo hasj heeft gestolen van voornoemde personen; feit 4: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd; feit 5: 45 valse bankbiljetten van € 500,- heeft gemaakt, heeft uitgegeven, in voorraad heeft gehad, heeft ontvangen, zich heeft verschaft en/of heeft vervoerd. 3. Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4. Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende. Ten aanzien van de feiten 1 en 2: de verklaring van verdachte en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6], het geneeskundig onderzoek naar de wond van [medeverdachte 1], het forensisch onderzoek en de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. Verdachte [medeverdachte 6] heeft meermalen met een vuurwapen geschoten in de richting van [medeverdachte 1] en heeft hem daarbij eenmaal geraakt. [verdachte] heeft niet geschoten, maar heeft wel met zijn getrokken vuurwapen gericht en gedreigd in de richting van [medeverdachte 1]. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag van [medeverdachte 1] en het (medeplegen van) voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Ten aanzien van de feiten 3 en 4: de verklaringen van getuigen en medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], de verklaring van [A] en het onderzoek naar de telecomgegevens en telefoontaps. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6], zodat medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de hem onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging verzoekt de rechtbank voorts om verdachte partieel vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Uit het dossier volgt dat verdachte desgevraagd [B] en [medeverdachte 6] naar Utrecht heeft gereden en daardoor per toeval verzeild is geraakt in de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit voert de verdediging aan dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geschoten of dat heeft getracht. Voorts kan ten aanzien van het schieten door [medeverdachte 6] niet worden gesproken van medeplegen. De situatie die zich buiten de woning voordeed was namelijk niet voorzienbaar en van een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt kan dan ook geen sprake zijn. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is de verdediging van mening dat slechts kan worden bewezen dat verdachte één vuurwapen voorhanden heeft gehad. Van medeplegen ten aanzien van het tweede vuurwapen kan geen sprake zijn, nu uit niets volgt dat verdachte wist dat er vuurwapens aanwezig zouden zijn in de woning. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit voert de verdediging aan dat de rol van verdachte van dien aard is dat niet kan worden gesproken van medeplegen. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de tas waarom het ging 15 kilo hasj bevatte. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit is de verdediging primair van mening dat niet kan worden uitgesloten dat de slachtoffers zelf hebben besloten te wachten met het verlaten van de woning. Subsidiair kan niet worden vastgesteld dat verdachte de woning van buitenaf heeft afgesloten. Meer subsidiair kan niet worden gesproken van medeplegen, omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit voert de verdediging aan dat het valse geld niet bij verdachte is aangetroffen en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat [medeverdachte 6] vals geld voorhanden had. Van medeplegen van het bezit van vals geld kan dan ook geen sprake zijn. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak 4.3.1.1 Ten aanzien van feit 1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte heeft geschoten of heeft geprobeerd te schieten op [medeverdachte 1]. Wel kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 6] heeft geschoten in de richting van [medeverdachte 1]. Echter, niet kan worden bewezen dat wat betreft dat schieten door [medeverdachte 6] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem, verdachte, en [medeverdachte 6], zodat medeplegen van dit feit niet kan worden bewezen. Immers, zo blijkt uit het dossier, werden verdachte en [medeverdachte 6] onverwacht geconfronteerd met [medeverdachte 1] die een getrokken vuurwapen in zijn hand had en op hen af kwam lopen, als reactie waarop verdachte en [medeverdachte 6] meteen zijn weggerend. [medeverdachte 6] heeft daarbij/daarvoor in de richting van [medeverdachte 1] geschoten. Niet kan worden vastgesteld dat er op dit punt sprake was van een gezamenlijk plan. Beiden hebben naar het oordeel van de rechtbank afzonderlijk van elkaar, snel, en naar eigen inzicht gereageerd. 4.3.1.2 Ten aanzien van feit 5 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken. Op 15 juli 2012 is bij verdachte [medeverdachte 6] een stapel valse bankbiljetten van € 500,- aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen wetenschap had van die valse bankbiljetten. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat verdachte wel op de hoogte was van de bij [medeverdachte 6] aangetroffen valse bankbiljetten, maar dit vermoeden kan niet worden gestaafd met bewijs dat tot een bewezenverklaring kan leiden. 4.3.2 Vaststelling van de feiten 4.3.2.1 Het bewijs De rechtbank baseert haar oordeel op de hierna volgende bewijsmiddelen. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 Getuige en verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de huissleutels van de [adres] te [woonplaats]had. Hij is samen met [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]), [medeverdachte 5] ([medeverdachte 5]) en [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]) naar die woning gegaan. Het ging om 15 kilo hasj. [medeverdachte 4] had dat meegenomen in een tas. Er waren drie negroïde mannen gekomen. [medeverdachte 6] trok als eerst een wapen, vervolgens trok [verdachte] ook een wapen. Ze richtten allebei hun wapens op hem, [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]. Er werd geroepen: ‘telefoons en sleutels van het huis afgeven’. [B] pakte de spullen af. De drie negroïde mannen zijn weggegaan. De rip was gelukt: ze hadden alles meegenomen, ook de sleutels van de woning. De deur was dicht, dus [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] konden niet naar buiten. De sleutels zaten aan de buitenkant in de deur. Getuige en verdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 15 juli 2012 met [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3]) en [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) naar de [adres] is gegaan. Toen ze in een woning aan de [adres] waren, kwam er een Marokkaanse jongen. Die persoon had een tas van de Albert Heijn met handel erin. Uiteindelijk waren ze met zijn zevenen in de woning. Drie daarvan waren negroïde mannen. Één van de negroïde mannen keek in de tas, zij dat hij het goed vond en dat hij het wilde kopen. Hij stond op, trok een pistool en richtte dat op [medeverdachte 5] en de anderen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]). [medeverdachte 6] trok als eerste en [verdachte] als tweede een pistool. [B] pakte de tas. [medeverdachte 5] en de anderen moesten hun telefoons (en huissleutels) inleveren en een kamer in. De deur van die kamer werd dicht gedaan. [medeverdachte 5] probeerde de voordeur te openen, maar die zat op slot. Getuige en verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op 15 juli 2012 een woning is binnengegaan. Hij zag daar drie Amsterdammers, [medeverdachte 2] en twee andere – Marokkaanse – jongens. [medeverdachte 6] trok als eerste een wapen. De andere twee Amsterdammers stonden daarna ook op. Vervolgens werd er geroepen om telefoons en huissleutels. Die werden afgegeven. Ook moesten ze (de rechtbank begrijpt: hij, [medeverdachte 2] en de twee andere Marokkanen) naar een kamer. De Amsterdammers hebben de voordeur op slot gedaan. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat in de voordeur van de flatwoning aan de [adres] te [woonplaats] de sleutels aan de buitenkant in het slot zaten. Hij voelde dat de deur op slot zat. Uit een tapgesprek d.d. 16 juli 2012 blijkt het volgende. [C] werd gebeld door [D]. [D] zei dat de zoon van de zus van [naam] gisteren had afgesproken met een paar. Hij zou 15 Polm leveren. Ze zijn de flat in gegaan. Toen trokken ze pistolen en hebben ze hem die 15 afhandig gemaakt. Uit onderzoek van de politie blijkt dat Polm een hasj is. Hasj afkomstig uit Marokko wordt veelal in plakken aangetroffen, deze plakken zijn vaak in plastic geseald. Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 juli 2012 samen met [B] en [medeverdachte 6] naar een woning aan de [adres] is gegaan. In die woning waren Marokkanen aanwezig. Één van die (de rechtbank begrijpt: Marokkaanse) personen haalde er nog een persoon bij. Die persoon had een tas van Albert Heijn bij zich. Wat in de tas zat rook naar hasj. [medeverdachte 6] pakte een blok, verpakt in bruin plakband, uit de tas. Toen rook [verdachte] de inhoud van de tas. [medeverdachte 6] trok een pistool en [B] pakte de tas. Vervolgens hebben ze gedrieën de woning verlaten. Aanvullend ten aanzien van feit 2 Uit bevindingen van de politie blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 6] vervolgens een nabijgelegen park in zijn gevlucht. Verbalisant zag dat één van de verdachten een beweging maakte in de richting van de bossage bij de vijver. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij het pistool dat hij had, heeft weggegooid in of nabij een meertje in het park. Verdachte [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij het vuurwapen dat hij bij zich had, nadat hij het park was in gerend, in de vijver heeft gegooid. Uit bevindingen van de politie blijkt dat verbalisanten vervolgens op 15 juli 2012 in de vijver van het park een vuurwapen, gevuld met patronen, aantroffen. Een tweede vuurwapen werd de volgende dag in dezelfde vijver gevonden. In de directe nabijheid van dit vuurwapen werd tevens een houder gevuld met patronen aangetroffen. Uit wapentechnisch onderzoek blijkt dat het eerste wapen een pistool was van een onbekend merk, kaliber 9mm. Het pistool betrof een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De daarbij aangetroffen patronen waren munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie. Uit wapentechnisch onderzoek blijkt voorts dat het tweede wapen een pistool was van het merk Star, model 30 M I, kaliber 9mm Para. Het pistool betrof een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De daarbij aangetroffen patronen waren munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie. 4.3.2.2 Aanvullende overwegingen De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is van medeplegen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten en heeft daartoe aangevoerd dat een nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden vastgesteld. Verdachte is naar de mening van de verdediging per toeval in het gebeuren is terechtgekomen. De verdediging heeft voorts bepleit dat er geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat niet kan worden uitgesloten dat de slachtoffers zelf hebben besloten te wachten met het verlaten van de woning. De rechtbank verwerpt het eerste verweer en overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen zoals die onder 4.3.2.1 zijn weergegeven volgt dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 6] en [B]. Verdachte is samen met [medeverdachte 6] en [B] vanuit Amsterdam naar Utrecht gereden en is samen met hen de flatwoning ingegaan. Vervolgens hebben zij daar samen een ripdeal gepleegd, waarbij ieder zijn eigen rol heeft vervuld. Inzet van de (rip)deal was een AH-tas met ‘handel’, waarbij de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht dat deze handel hasj betrof. [medeverdachte 6] heeft bij het rippen de leiding genomen, door als eerste de Marokkanen met een vuurwapen te bedreigen. Vervolgens heeft ook verdachte een vuurwapen getrokken en net als [medeverdachte 6] de Marokkanen bedreigd. Onder deze bedreiging heeft [B] de telefoons en de huissleutels verzameld en de tas met hasj meegenomen. Verdachte heeft als laatste de woning verlaten. Vervolgens heeft één van hen met de huissleutel de voordeur op slot gedaan, zodat zij gedrieën voldoende tijd zouden hebben om zichzelf met de buit veilig te stellen. Daarmee zaten de Marokkanen opgesloten in de flatwoning. De verklaring van verdachte dat hij niets wist van de ripdeal en dat hij van [B] onverwacht een vuurwapen in zijn handen kreeg, acht de rechtbank niet aannemelijk nu deze overduidelijk wordt tegengesproken door de gebruikte bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen blijkt van een gezamenlijke uitvoering van de ripdeal. Gelet op de nauwe samenwerking bij de ripdeal kan ook het wapenbezit van verdachte en [medeverdachte 6] over en weer aan elkaar worden toegerekend, zodat ook met betrekking tot het wapenbezit sprake is van medeplegen. De rechtbank verwerpt ook het tweede verweer en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat de Marokkanen er op een gegeven moment voor hebben gekozen hun onvrijwillige opsluiting in de woning vrijwillig te verlengen, toen voor hen duidelijk werd dat er beneden bij de flat veel politieagenten bezig waren met het onderzoek naar het overlijden van [B], welke agenten zij gelet op hun aandeel in de zojuist (mislukte) drugsdeal liever niet onder ogen kwamen. Dat betekent echter niet dat het opsluiten van de Marokkanen in de woning geen wederrechtelijke vrijheidsberoving is geweest. 4.3.2.3 Conclusie De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. 5. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte feit 2: op 15 juli 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, vuurwapens van categorie III, te weten - een pistool (merk onbekend, kaliber 9mm) en - een pistool (merk Star, model 30 M I, kaliber 9mm Para) en - munitie van categorie III, te weten scherpe patronen (kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad; feit 3: op 15 juli 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.