← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1383

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 2024947 AE VERZ 13-88 wh4070 Beschikking van 8 mei 2013 inzake de besloten vennootschap Prefab Beton VEBO BV, gevestigd te Bunschoten, verzoekende partij, gemachtigde: mr. A. Goudriaan, tegen: [verweerder], gevestigd te [vestigingsplaats], verwerende partij, gemachtigde: mr. R.H. Jansen.

  1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling. Hierna is uitspraak bepaald.
  2. De feiten Op 11 december 2012 heeft VEBO 67 ontslagaanvragen bij het UWV Werkbedrijf ingediend. Het UWV Werkbedrijf heeft 50 ontslagvergunningen verleend en 15 ontslagvergunningen geweigerd, waaronder die van verweerder.
  3. Het verzoek en de beoordeling daarvan 3.
  4. Verzoekster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Deze zijn gelegen in bedrijfseconomische omstandigheden. In haar verzoek zet zij onder meer uiteen om welke redenen zij het niet eens is met de beslissing die UWV Werkbedrijf met betrekking tot het afspiegelingsbeginsel heeft gegeven. 3.
  5. Het verweer is gevoerd dat verzoekster niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek dan wel dat het verzoek moeten worden afgewezen omdat sprake is van een al dan niet verkapt hoger beroep van de beslissing van UWV Werkbedrijf. De kantonrechter overweegt als volgt. 3.
  6. De beslissing van UWV Werkbedrijf houdt in dat het verzoek om toestemming om de arbeidsverhouding op te zeggen wordt afgewezen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (art. 6 lid 10 BBA 1945) en ook niet bij de bestuursrechter (Bijlage bij artikel 8:5 Algemene wet bestuursrecht (AWB)). Wel kunnen klachten worden ingediend bij de Nationale Ombudsman en het oordeel van deze instantie kan weer bijdragen tot het oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad van de zijde van het UWV Werkbedrijf. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat het aanspannen van een procedure tegen de Staat met als grondslag een onrechtmatige daad te omslachtig is en te duur, vormt onvoldoende reden om tot het oordeel te komen dat een ontbindingsprocedure als hogerberoepsprocedure van een beslissing van UWV Werkbedrijf kan worden benut. Verzoekster heeft aangevoerd dat artikel 7:685 BW bepaalt dat een verzoek tot ontbinding te allen tijde kan worden ingediend. De kantonrechter wijst op de oorspronkelijke bedoeling van deze uit 1907 stammende bepaling, te weten dat de arbeidsrelatie ook om billijkheidsredenen en in bijzondere gevallen beëindigd moest kunnen worden zonder inachtneming van de opzegtermijn. Met de invoering van het BBA in 1945 en de daarna aan de niet aanwezige toestemming verbonden sanctie van nietigheid (en sinds 1997 vernietigbaarheid) is aan deze oorspronkelijke functie een einde gekomen. De kantonrechter kan verzoekster alleen dan wel ontvangen wanneer na de door UWV Werkbedrijf gegeven beslissing zich nieuwe feiten en nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan waardoor, ten opzichte van de door UWV Werkbedrijf beoordeelde situatie, zich een nieuwe of wezenlijk veranderde situatie is gaan voordoen. Dat is door verzoekster niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. 3.
  7. De kantonrechter wijst het verzoek daarom gelet op het bovenstaande af. 3.
  8. Gelet op de aard van de procedure en het feit dat partijen in de toekomst uit hoofde van de arbeidsovereenkomst op elkaar aangewezen zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
  9. De beslissing De kantonrechter: wijst het verzoek af; compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen. Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.