RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling strafrecht Parketnummer: 07/661064-12 (P) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1995] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 11 maart 2013, 29 mei 2013, 30 mei 2013, 31 mei 2013, 1 juni 2013 en 3 juni 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. J. Zeilstra en mr. S.J. Buis, en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte en verdachte naar voren is gebracht. 2 DE TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
(1)van de spelers, niet de volwassene. (…) Mijn vader kwam dus ten val. Ik zag toen dat de drie à vier spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassene die achter mijn vader aan waren gerend rondom mijn vader gingen staan en dat zij allemaal tegen mijn vader aan schopten. Tevens zag ik dat de spelers van [Voetbalvereniging 1] mijn vader sloegen. Ik zag dat de trappen en de klappen die door de spelers van [Voetbalvereniging 1] werden gegeven, op de zij, de rug en het gezicht van mijn vader aankwamen. Ik ben gisteren in het mortuarium geweest bij mijn vader en dan kun je aan zijn gezicht zien dat hij de meeste verwondingen aan de linkerkant van zijn gezicht heeft. Het zijn echt dikke plekken op zijn gezicht. Ik zag dat de volwassene het meeste op het hoofd van mijn vader heeft getrapt. Volgens mij heeft de volwassene mijn vader in eerste instantie op het hoofd getrapt en ik zag toen dat [slachtoffer 2] die volwassene weg probeerde te duwen bij mijn vader, maar ik zag dat de volwassene bleef trappen naar mijn vader. Doordat de volwassene weggeduwd werd door [slachtoffer 2] verplaatste hij zich. Door het verplaatsen en het blijven geven van trappen werd mijn vader ook telkens op andere plekken geraakt door die volwassene. Mijn vader werd dus eerst op zijn hoofd geraakt, maar daarna kwamen de trappen steeds lager aan, eerst de schouder en daarna de benen van mijn vader. (…) Toen kwamen er veel omstanders bij en werden de spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassene weggehaald bij mijn vader. (…) De spelers en de volwassene werden weggestuurd richting kleedkamer. Toen was het eigenlijk klaar.” Eerst tijdens het derde verhoor door de politie op 13 december 2012 worden [getuige 1] foto’s van het incident getoond. Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 verklaart [getuige 1]: “Ik zie ook de trainer van [Voetbalvereniging 1]op de foto. Volgens mij is dat de man die mijn vader schopt. Want ik zie dat dit het moment is dat mijn vader door spelers en de trainer geschopt worden zoals ik al verklaard heb. Ik zie twee spelers vlakbij staan (…), deze spelers van [Voetbalvereniging 1] schoppen mijn vader krachtig tegen het lichaam en hoofd. Ik heb gezien dat ze hun been naar achteren haalden en uithaalden alsof ze tegen een bal schopten. Ik heb gezien dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] ook zo hard schopte. Zoals ik al verklaard heb zag ik dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] mijn vader het meest geschopt heeft. Als ik moet schatten denk ik dat die man mijn vader zeker 5 tot 10 keer hard geschopt heeft. (…) Foto IMG_9150-1 is een vergroting van de net getoonde foto. Ik herken nu heel duidelijk de trainer van [Voetbalvereniging 1] die op mijn vader inschopte. Ik weet zeker dat hij het is. Ik zie nu ook duidelijk dat [slachtoffer 2] die man omver duwt omdat hij mijn vader aan het schoppen is. Nogmaals ik weet echt zeker dat dit de man is die mijn vader meerdere keren schopte. Ik wijs u ook de spelers aan die mijn vader schopten (…) Ik kan u over de twee andere spelers van [Voetbalvereniging 1] niet vertellen of zij geschopt hebben. Dat heb ik in ieder geval niet gezien.” Met betrekking tot de foto met kenmerk DSC_0130 verklaart [getuige 1]: “Ik zie op deze foto dat ik net een speler van [Voetbalvereniging 1] heb weg geduwd die mijn vader geschopt had. Ik zag dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] die mijn vader had geschopt mij op dat moment wil pakken. Hij werd even later tegen gehouden door de vader van [slachtoffer 2] die ik ook op de foto heb aangewezen.” Met betrekking tot de foto met kenmerk DSC_0129 verklaart [getuige 1]: “Ik zie dat dit de foto is die in de Telegraaf heeft gestaan. Ik herken dezelfde mensen als op de foto DSC_0130. Ik zie de trainer van [Voetbalvereniging 1] geknield zitten, dat is de trainer die mijn vader schopte. Dit is het moment dat ik net de speler van [Voetbalvereniging 1] heb weggeduwd, die is ook ten val gekomen en ik kom hier ook ten val.” Nu deze foto’s bevestigen hetgeen [getuige 1] eerder bij de politie heeft verklaard, [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris desgevraagd heeft aangegeven dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard, dat hij geen foto’s had gezien voor zijn eerste politieverhoor, dat hij alleen de [naam] [rechtbank; DSC_0129] voor zijn tweede politieverhoor had gezien en dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s , acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 1] - die onderling consistent zijn - betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dit geldt temeer nu verdachte [medeverdachte D] tijdens zijn politieverhoor op 12 december jl. desgevraagd heeft aangegeven dat hij de persoon op bovengenoemde foto’s (IMG_9150, DSC_0130 en DSC_0129) is die [getuige 1] - blijkens zijn derde politieverklaring - (steeds) als trainer van [Voetbalvereniging 1] aanwijst. Dat zijn eerste verhoor niet betrouwbaar zou zijn omdat hij net getuige was geweest van het incident met betrekking tot zijn vader - waardoor hij op dat moment al emotioneel in de war zou kunnen zijn of zou kunnen lijden aan een posttraumatisch stressstoornis - acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. [getuige 1] heeft aan het begin van zijn verhoor op 2 december jl. aangegeven dat hij “alles wel op een rijtje heeft en met mijn verstand is het nu wel goed. Ik kan wel een verklaring afleggen.” Omdat de gezondheid van zijn vader achteruit ging tijdens het eerste verhoor is het verhoor onderbroken en heeft [getuige 1] zijn verklaring toen niet gelezen en ondertekend. Voorafgaand aan zijn tweede verhoor bij de politie op 7 december jl. heeft [getuige 1] zijn eerste verhoor doorgelezen, daarbij volhard en dit ondertekend. Dat al zijn verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn, omdat hij koste wat het kost een dader zou willen aanwijzen acht de rechtbank ook niet aannemelijk geworden, integendeel. Zo wijst [getuige 1] op de foto met kenmerk IMG_9150 niet alle spelers aan als degenen die zijn vader geschopt hebben, maar zegt hij ten aanzien van 2 spelers van [Voetbalvereniging 1] expliciet dat hij niet kan vertellen of zij geschopt hebben, dat heeft hij in ieder geval niet gezien. Op 2 mei jl. is [getuige 1] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard : “Nadat mijn vader wegrende werd hij getackeld door spelers. Eén van de volwassenen heeft geprobeerd om de spelers van het veld te houden, de andere volwassene is mee gaan doen met de spelers, hij kwam er wel pas iets later bij. Nadat mijn vader op de grond terecht kwam werd er op hem ingetrapt. Dit werd gedaan door een jongen met gele voetbalschoenen, een jongen met paarse voetbalschoenen en door de volwassen man. (…) De trainer heeft ook mee geschopt. Hij rende ook achter mijn vader aan en toen mijn vader op de grond lag heeft hij ook op mijn vader ingeschopt. Ik weet niet hoe vaak hij heeft geschopt, ik denk niet zo heel vaak. (…) De schoppen zijn terecht gekomen op borsthoogte, bij zijn benen en bij zijn rug. Ik heb niet kunnen zien of de schoppen ook op het hoofd van mijn vader zijn terecht gekomen. (…) De trainer die eigenlijk probeerde om de jongens van het veld te halen was in de bestuurskamer. (…) de lichtgetinte trainer van [Voetbalvereniging 1] (kleiner dan de andere trainer en best fors, dik) liep achter de jongens aan, hij was iets slomer. Het zag eruit alsof hij aan het rennen was. (…)” De rechtbank is van oordeel dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd. Dat hij zich niet alles meer kan herinneren, zoals het feit dat hij eerder verklaard heeft dat de volwassene het meest op het hoofd van zijn vader zou hebben geschopt, dat dit 5 tot 10 keer zou hebben plaatsgevonden, is gezien het tijdsverloop alleszins begrijpelijk en doet aan de betrouwbaarheid van zijn politieverklaringen niet af. Het feit, zoals door de verdediging is aangevoerd, dat [getuige 1] na afloop van het incident in de kleedkamer niets heeft gezegd over een oudere man doet naar het oordeel van de rechtbank ook niets af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Dit geldt ook voor het feit dat een aantal getuigen verklaren dat zij niet gezien hebben dat verdachte dan wel een volwassene betrokken was bij het incident en dat een aantal getuigenverklaringen wijzen in de richting van een andere volwassene. Vast staat immers dat het incident in een zeer kort tijdsbestek heeft plaatsgevonden terwijl er veel personen bij betrokken waren. Door verschillende getuigen is gesproken over “een kluwen mensen”. Het kan dan ook heel goed zijn dat getuigen die verdachte niets hebben zien doen niet alles hebben kunnen waarnemen. Op genoemde foto’s is te zien dat [getuige 1] dichtbij (IMG_9150) dan wel middenin (DSC_0129 en DSC_0130) het incident stond en zodoende goed zicht had op hetgeen waarover hij heeft verklaard. Ook is niet uit te sluiten dat een andere volwassene dan verdachte zich niet onbetuigd heeft gelaten tijdens het incident. Dat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling door [getuige 1] acht de rechtbank niet aannemelijk. [getuige 1] heeft op de foto’s immers verdachte aangewezen als de volwassene waar hij over verklaard heeft en verdachte heeft ten aanzien van de door [getuige 1] als verdachte aangewezen persoon steeds verklaard dat hij die persoon is. De verklaringen van [getuige 1] met betrekking tot (de rol van) verdachte [medeverdachte D] worden niet alleen ondersteund door bovengenoemde foto’s en de politieverklaring van verdachte [medeverdachte D] zelf, maar ook op onderdelen door de hierna aangehaalde verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2], [getuige 12] en [getuige 13] en medeverdachte [medeverdachte B]. Uit die verklaringen komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat verdachte allerminst een sussende rol had ten tijde van het incident, hij was agressief en werd weggeduwd door de keeper van [Voetbalvereniging 2], [slachtoffer 2], die de grensrechter wilde helpen omdat deze naar zijn idee werd aangevallen door 3 à 4 spelers van [Voetbalvereniging 1]. [slachtoffer 2] heeft op 4 december 2012 tegenover de politie onder meer verklaard : “Er staat me nog wel helder bij dat ik een ouder iemand een duw heb gegeven toen ik bij [slachtoffer 1] kwam. Dat was een Marokkaanse man. Ik had die Marokkaanse man ook al eerder gezien bij het opstootje bij de dug-outs, hij probeerde toen de boel te sussen.” Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, afgelegd tegenover de politie op 12 december jl. Verdachte [medeverdachte D] heeft verklaard dat hij de hele wedstrijd in de dug-out zat, samen met de trainer en een wisselspeler. Na het voorhouden van voornoemde verklaring van [slachtoffer 2] heeft hij verklaard dat dat ging om een opstootje tussen de trainer en de speler die niet gewisseld wilde worden. “Ik heb toen tegen de speler gezegd dat hij gewoon de beslissing van de trainer moet opvolgen. Dit was tijdens de wedstrijd. Dit was in de tweede helft.” Dat [slachtoffer 2] met de Marokkaanse man verdachte bedoelt blijkt voorts uit de foto met kenmerk IMG_9150. Na het voorhouden van (een uitvergroting van) die foto heeft [slachtoffer 2] op 12 december jl. tegenover de politie verklaard : “Het lijkt op de foto wel dat ik die man een duw gaf, ik kan me er vaag iets van herinneren. (…) Dat ik ook iemand heb weggeduwd die geen speler is. Weet niet waarom ik die persoon heb weggeduwd, alleen omdat hij daar ook was, puur uit een reflex.(…) Dit was niet die Molukker. Ik denk dat hij trainer was ofzo.” Met “die man” duidt [slachtoffer 2] op de persoon die verdachte heeft aangewezen als zichzelf. Op 12 december jl. heeft [slachtoffer 2] voorts tegenover de politie verklaard : “Ik zag 3 of 4 jongens achter [slachtoffer 1] aanrennen, ik wilde [slachtoffer 1] helpen. Ik rende erheen en duwde wat jongens aan de kant, mijn gevoel zei me dat die jongens [slachtoffer 1] aan het aanvallen waren. Ik heb in een flits een oudere man gezien. (…) Ik heb niet veel gezien, ik lag links van [slachtoffer 1] op de grond en zag vanuit mijn ooghoek een van de jongens een trap geven. (…) [getuige 12] heeft bij de rechter-commissaris op 28 maart jl. ook verklaard over de keeper van [Voetbalvereniging 2] en een oudere man : “Nadat er werd afgefloten hoorde ik allemaal lawaai achter mij en toen ik achterom keek zag ik dat ze allemaal aan het vechten waren. (…) Het viel mij op dat ik een paar benen op het veld zag liggen (…) hier stonden drie of vier jongens van [Voetbalvereniging 1] omheen. De keeper van [Voetbalvereniging 2] kwam er toen aan en duwde de jongens weg. Er kwam toen ook een oudere man van [Voetbalvereniging 1] bij die zich ermee bemoeide. De keeper van [Voetbalvereniging 2] sprong die oudere man toen om de nek. Dit was allemaal rond de plaats waar ik die benen op de grond zag liggen. (…) ik heb alleen gezien dat de keeper van [Voetbalvereniging 2] er dus tussen kwam om mensen uit elkaar te halen. (…) Nadat [slachtoffer 2] de drie jongens had weggehaald, vloog hij die volwassene om zijn nek. Maar ik weet niet of die man er toen al bijstond of net aan kwam lopen. (…) ik heb niet gezien dat die volwassen man iets deed. De volwassen man stond iets verder van de man op de grond af toen [slachtoffer 2] hem om de nek vloog.” Medeverdachte [medeverdachte B] heeft op 3 december jl. onder meer verklaard : “De vlagger en de jongen die ik niet ken begonnen met vechten. De jongens van [Voetbalvereniging 2] gingen de vlagger helpen. Ik liep richting de kleedkamer. Uit mijn ooghoeken zag ik mensen op de grond liggen. Ik zag een man op de grond liggen. Dit is de vader van [medeverdachte E]. De vader is soms toeschouwer en soms trainer. Ik liep terug naar de groep. Ik duwde 1 van de mannen weg die op de vader [medeverdachte E] was. Iemand sloeg mij op mijn hoofd, ik kijk om en zie de keeper van [Voetbalvereniging 2]. Ik geef hem een paar trappen bij zijn benen. (…) Iedereen was aan het vliegen. Iedereen was aan het vechten.” Op 4 december jl. verklaarde [medeverdachte B] onder meer : “Ik draaide mij om en zag [medeverdachte D] op de grond liggen. Hij lag ongeveer in de middencirkel van het veld op de helft waar [Voetbalvereniging 2] hadden gestaan. Ik rende naar de groep. (…) Ik kwam aan bij [medeverdachte D], ik stond ongeveer 1 meter van hem af. Ik zag 3 mensen bij [medeverdachte D].” [getuige 13] is op 3 december jl. gehoord door de politie. Hij heeft toen onder meer verklaard : “Ik zag dat er agressie in de groep was, in de kluwen mensen. Ik heb toen geen mensen op de grond zien liggen. Ook zag ik daar de vader van [medeverdachte E] bij die groep. Hij heet [medeverdachte D]. Hij was agressief, hij schreeuwde, gebaarde fel en stond dicht op iemand. Ik weet niet of het een ouder of een leider van de tegenpartij was. Het was in elk geval geen kind waartegen hij agressief was. Het was in de groep mensen. Ik hoorde een hoop gegil (…). Ik zag toen wel iemand op de grond liggen. Ik zag twee spelers van [Voetbalvereniging 1] tegen de persoon op de grond aan trappen.” Op 5 december jl. verklaarde [getuige 13] : “Volgens mij was het een volwassene waar [medeverdachte D] dicht tegenover stond en agressief naar was. Ik denk dat hij een zwarte jas van [Voetbalvereniging 2] aan had. De man was lang. Ik heb geprobeerd [medeverdachte D] weg te trekken. Dat is niet gelukt. Ik heb hem bij zijn arm gepakt, maar hij weerde mijn arm af. Kennelijk wilde [medeverdachte D] de discussie blijven aangaan.” Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 13] op 21 maart jl. verklaard: “Toen ik bij de jongens was, zag ik [slachtoffer 1], ik heb twee spelers zien schoppen, maar ik weet niet welke spelers dat zijn. [medeverdachte D] bevond zich ook in de spelersgroep en hij was tegen iemand van [Voetbalvereniging 2] aan het schreeuwen. Ik heb hem aan zijn rechterarm geprobeerd mee te nemen. Die had hij ook omhoog. Ik heb ook niet gehoord wat hij heeft geschreeuwd en ik heb ook niet gezien of hij verder nog iets gedaan heeft. Volgens mij was de persoon met wie [medeverdachte D] aan het praten was niet [slachtoffer 1].” Gelet op voornoemde verklaringen en foto’s, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [medeverdachte D] zich schuldig heeft gemaakt aan het schoppen en slaan van de grensrechter terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag. [medeverdachte G] Verdachte [medeverdachte G] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is op de foto met kenmerk DSC_0129 met de rode kousen en de gele voetbalschoenen. Bij de politie heeft hij verklaard met rugnummer 9 gespeeld te hebben. Ook ten aanzien van [medeverdachte G] is de rechtbank van oordeel dat hij, anders dan hij zelf heeft aangegeven, een actieve rol heeft gehad in het geweld tegen [slachtoffer 1]. De rechtbank kent daarbij allereerst betekenis toe aan de politieverklaringen van [getuige 1] zoals deze reeds hiervoor, bij de bespreking van de bewijsmiddelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte D], zijn geciteerd. Ook ten aanzien van de verdachte [medeverdachte G] vindt de rechtbank deze verklaringen voor wat betreft het verloop van het incident bruikbaar. Met de verdediging merkt de rechtbank op dat [getuige 1] in zijn verklaringen bij de politie, ook nadat hij is geconfronteerd met de foto’s, niet heeft verklaard dat de jongen met de gele voetbalschoenen zijn vader zou hebben geschopt. Dit terwijl hij bij de politie op vragen naar gedragingen van spelers tijdens de wedstrijd wel heeft verklaard dat de felgele voetbalschoenen van een van de spelers hem waren opgevallen. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover hij daarin zegt dat er op zijn vader is ingetrapt door een jongen met gele voetbalschoenen, niet berust op zijn eigen waarneming ten tijde van het incident, maar een conclusie is, die [getuige 1] op andere gronden heeft getrokken. De rechtbank zal de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover hij daarin de jongen met de gele schoenen noemt als schopper, dan ook niet gebruiken voor het bewijs. Voorts acht de rechtbank de verklaringen van de getuige [getuige 16] van belang voor de beoordeling van de rol die [medeverdachte G] tijdens het incident heeft gespeeld. [getuige 16] verklaarde bij de politie op 4 december 2012: “Ik zag mijn broertje ongeveer 10 meter van mij af. Ik zag dat hij op de grond lag en ik zag ook dat meneer [slachtoffer 1] toen op de grond lag. Ik zag dat er geschopt werd door een aantal mensen (…). Ik zag dat [slachtoffer 2] op zijn rug geschopt werd. Ik zag dat meneer [slachtoffer 1] op zijn zij lag. Ik zag iemand achter hem staan die rode sokken aan had en hij had knalgele schoenen aan. Ik zag deze jongen ook schoppen. Ik zag dat hij hem op zijn rug schopte. (…)” Op 24 december 2012 verklaarde zij bij de politie : “Op foto DSC 0129 zie ik de speler met de rode sokken van [Voetbalvereniging 1] staan. Ik weet dat maar één speler van [Voetbalvereniging 1] rode sokken heeft gedragen. Ik heb net gezegd dat één van de spelers van [Voetbalvereniging 1][slachtoffer 1] schopte, dat was deze speler. Ik heb gezien dat hij 2 of 3 keer geschopt heeft. Ik zag dat hij hard op [slachtoffer 1] schopte terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik zag dat hij zijn voet naar achteren haalde en hard schopte tegen de rug van [slachtoffer 1] ergens tussen midden en hoog op de rug. Ik zag dat het lichaam van [slachtoffer 1] bewoog en heen en weer ging door de schop van die speler. Ik zag echt dat die jongen met lange uithalen van de voet schopte.” Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van deze getuige betrouwbaar. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt dat zij de gebeurtenissen op het veld niet alleen via de zoeker van haar camera, maar ook buiten de camera om, heeft waargenomen. De rechtbank twijfelt er niet aan dat deze getuige zodanig zicht heeft gehad op de gebeurtenissen, dat zij daarvan een deugdelijke getuigenis kon geven. Dit blijkt ook uit de door haar gemaakte foto’s, die dat zicht eveneens bieden. De rechtbank constateert verder dat de getuige consistent, vanaf haar eerste verhoor bij de politie tot en met haar verklaring bij de rechter-commissaris, de speler met de rode sokken noemt als degene die zij tegen [slachtoffer 1] heeft zien schoppen. Ten slotte wordt de getuigenis van [slachtoffer 2] door andere, hierna genoemde, bewijsmiddelen ondersteund. Zo verklaarde getuige [getuige 11] op 24 december 2012 bij de politie: “Ik zie op foto 0129 de speler met de rode sokken waarvan ik heb gezien dat hij de grensrechter heeft geschopt terwijl hij op de grond lag. Mij is alleen bij gebleven dat deze speler zeker geschopt heeft.” De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van deze getuige niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, omdat zij niet consistent zijn. Dat de getuige in zijn eerste verhoor bij de politie niet heeft verklaard omtrent verdachte kan worden verklaard door het feit dat de getuige - naar uit zijn tweede verhoor bij de politie blijkt - bijstond (kennelijk was die herinnering niet heel sterk) dat hij een speler met rode sokken aan had zien schoppen. Geheel logisch en verklaarbaar is dat de getuige vervolgens, bij het zien van de foto, de speler met de rode sokken aanwijst als degene van wie hij gezien heeft dat hij [slachtoffer 1] schopte. Bij de rechter-commissaris blijft de getuige bij deze verklaring. De getuige verklaart daarover bij de rechter-commissaris dan ook: “U vraagt mij of ik mij de persoon met de rode sokken herinner of dat het door de foto is gekomen. Het is door de foto gekomen, maar ik had hem zelf wel in mijn herinnering.” Dat de getuige bij de rechter-commissaris - voor het eerst - ook het rugnummer 9 noemt doet aan de betrouwbaarheid van zijn eerdere verklaringen niet af. Andere inconsistenties, die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaring, heeft de rechtbank niet gevonden. Voornoemde verklaringen vinden voorts steun in de verklaringen van getuige [getuige 8]. Bij de politie heeft deze getuige onder meer verklaard : “Ik liep op een gegeven moment langs 4 spelers van [Voetbalvereniging 1] en [slachtoffer 1] heen. Ik zag dat ze boos waren richting hem. Ik vond dat zij hem aan het intimideren waren. Ik hoorde ze fel tegen hem praten, ze gingen dichter bij hem staan. (…) Ik weet niet precies wat er toen is gebeurd, maar even later zag ik [slachtoffer 1] wegrennen in de richting van de middenstip en ik zag dat de 4 van [Voetbalvereniging 1] achter hem aanrenden. In de directe omgeving van de middenstip stonden spelers van [Voetbalvereniging 2] en [Voetbalvereniging 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] viel, hoe dat kwam heb ik niet kunnen zien, maar ik zag dat hij rolde over de grond. Gelijk zag ik dat diverse spelers van [Voetbalvereniging 1] hem begonnen te schoppen. Ik denk dat het er zeker 3 of meer waren. Ik zag dat [slachtoffer 1] probeerde op te staan, toen hij bijna overeind was, probeerde hij zich te verdedigen door zelf terug te schoppen. (…) Een van onze spelers, [slachtoffer 2], sprong tussen de spelers van [Voetbalvereniging 1] en [slachtoffer 1]. Doordat [slachtoffer 2] er tussen sprong kreeg [slachtoffer 2] ook nog in ieder geval 1 schop.” Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 8] onder meer verklaard: ““Dat waren tien schoppen of zo. De schoppen zijn op de benen, rug en vlak onder de nek van [slachtoffer 1] terecht gekomen. Dit heb ik zelf gezien. (…) U vraagt mij of ik de jongens die hebben geschopt kan omschrijven. Ja, de jongen met nummer 8 en de jongen met gele schoenen. U vraagt mij hoe ik op gele schoenen kom. Dat heb ik onthouden. U houdt mij voor dat ik bij de politie niet over gele schoenen verklaar. U vraagt mij of het kan zijn dat iemand anders heeft gesproken over gele schoenen waardoor ik het mij nu denk te herinneren. Nee, er werd niet over schoenen gepraat. De gele schoenen is wat ik mij nu herinner.” De verdediging acht de verklaring van de getuige [getuige 8] niet bruikbaar voor het bewijs, omdat de getuige pas bij de rechter-commissaris, nadat hij zijn teamgenoten al over de zaak gesproken had en nadat hij de foto met kenmerk DSC-0129 had gezien, heeft verklaard dat hij een jongen met gele schoenen heeft zien schoppen. Dit terwijl hij tevens zegt dat hij bij (zijn verhoor bij) de politie het scherpste beeld had. Hiermee geconfronteerd heeft de getuige bij de rechter-commissaris als verklaring gegeven: “Ik denk dat ik het toen nog niet zeker wist dat hij geschopt had, het was toen allemaal heel erg snel. Ik heb er daarna denk ik nog eens over nagedacht en toen heb ik gedacht van hij was er wel bij. (…) Ik heb er de dagen na het incident over nagedacht. Ik denk dat er dan herinneringen opkomen. U vraagt mij of de foto van invloed kan zijn geweest bij het terughalen van deze herinnering. Dat denk ik niet. Ik heb het beeld in mijn hoofd vanuit mijn eigen positie en niet vanuit de positie van de foto.” Gelet op deze door de getuige gegeven nadere uitleg heeft de rechtbank geen redenen om aan de betrouwbaarheid van diens verklaring te twijfelen, zodat ook deze verklaring bruikbaar is voor het bewijs. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van [slachtoffer 2], zoals afgelegd bij de politie : “Ik weet zeker dat de speler met rugnummer 9 achter [slachtoffer 1] aanzat. Dit was ook de aanvoerder van [Voetbalvereniging 1], hij droeg namelijk een aanvoerdersband, ik geloof wit van kleur. Hij was ook de enige die witte sokken droeg. Verder droeg hij Adidas schoenen, fel oranje en fel geel van kleur. “ Ook de verklaring van de getuige [getuige 6], zoals afgelegd bij de politie, acht de rechtbank van belang ter beoordeling van de vraag welke rol [medeverdachte G] tijdens het incident heeft gespeeld. [getuige 6] verklaarde : “V: Wie waren er aan het schoppen? A (…) Sowieso die jongen met die gele schoenen, die nummer 14 en die jongen die laatste man stond. (…) V. Als we die jongen met de gele schoenen nemen. Beschrijf eens wat je van hem gezien hebt. A: Ik zag hem trappen. (…) Hij stond bij de buik van de grensrechter. Toen zag ik dat hij hem trapte. Hij raakte hem bij zijn buik in de buurt. (…) Die gele heeft sowieso wel meerdere keren getrapt.” Anders dan de verdediging acht de rechtbank deze verklaring bruikbaar voor het bewijs. Dat de getuige heeft verklaard dat de jongen met de gele schoenen [slachtoffer 1] in de buik trapte, terwijl verdachte op de foto met kenmerk DSC_0129 niet voor de buik maar achter de rug van [slachtoffer 1] te zien is, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. De foto laat slechts een momentopname zien, die dus niet uitsluit dat verdachte zich op enig moment (ook) aan de voorkant van verdachte heeft bevonden. Ook is goed denkbaar dat [slachtoffer 1] zich, liggend op het veld, heeft omgedraaid in een poging om aan het geweld te ontkomen. Ook het feit dat de getuige naar het oordeel van de verdediging een onjuiste volgorde noemt van het schoppen door de jongen met de gele schoenen en de aanwezigheid van de keeper op het veld, doet geen afbreuk aan de verklaringen van deze getuige, nu in die verklaringen vanaf het eerste verhoor melding wordt gemaakt van een speler met gele schoenen, van wie de getuige vanaf het tweede verhoor met grote stelligheid en consistent verklaart dat deze [slachtoffer 1] heeft getrapt. Die stelligheid en die herinnering zijn bij het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris nog onverminderd aanwezig. Op de vraag bij de rechter-commissaris waarom de getuige bij zijn eerste verklaring niet heeft verklaard dat de jongen met de gele schoenen had geschopt antwoordt de getuige dat het toen net na het incident was en dat de getuige al heel erg lang op het politiebureau zat en dat het verhoor heel erg lang duurde. Aansluitend licht de getuige bij de rechter-commissaris toe: “Ik ben drie of vier uur verhoord en ik werd ook moe. Het ging eerst alleen maar over de opstelling en dat soort dingen., dat duurde heel lang. Maar ik heb wel vermeld dat de jongen met de gele schoenen steeds overal bij aanwezig was.” De rechtbank is van oordeel dat hiermee afdoende is verklaard waarom de getuige eerst in het tweede verhoor meldt dat de jongen met de gele schoenen [slachtoffer 1] had getrapt. Reden waarom de rechtbank ook deze verklaring voor het bewijs zal bezigen. Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte G] een actieve rol heeft gespeeld in het incident, bestaande uit het meermalen met kracht trappen tegen het bovenlichaam, waaronder de rug, van [slachtoffer 1] terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag. [verdachte] Bij de politie heeft verdachte [verdachte] op 16 januari 2013 verklaard : “Ik had volgens mij rugnummer 13. (…) Op de vraag van de politie: Dus samengevat ben je gekleed in een voetbaltenue van [Voetbalvereniging 1]. Je draagt een roodbroekje dat opvalt omdat deze anders gekleurd is. Dat klopt hè? Verdachte antwoordt: Ja.” Ter terechtzitting van 30 mei 2013 is de foto met kenmerk IMG_9150 getoond. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat zich achter een [Voetbalvereniging 1] speler met oranje bovenkleding, een [Voetbalvereniging 1] speler bevindt met een rood broekje met een smalle grijs/witte streep op de zijkant en een voetbalshirt waarboven bij de hals een rood oranje vlak, mogelijk een deel van een ondershirt, te zien is. Ter terechtzitting van 29 mei jl. heeft verdachte [verdachte] verklaard dat hij de persoon is met het oranje halsgedeelte die te zien is op de foto met kenmerk IMG_9150. Voor het overige heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ook ten aanzien van de rol van [verdachte] kent de rechtbank allereerst betekenis toe aan de verklaringen van [getuige 1] zoals deze hiervoor - onder het kopje “[medeverdachte D] - reeds zijn geciteerd. Eerst tijdens het derde verhoor door de politie op 13 december 2012 zijn [getuige 1] foto’s van het incident getoond. Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 heeft [getuige 1] verklaard dat dit het moment is waarover hij - steeds - eerder heeft verklaard: “Want ik zie dat dit het moment is dat mijn vader door spelers en de trainer geschopt worden zoals ik al verklaard heb. Ik zie twee spelers vlakbij staan (…), deze spelers van [Voetbalvereniging 1] schoppen mijn vader krachtig tegen het lichaam en hoofd. Ik heb gezien dat ze hun been naar achteren haalden en uithaalden alsof ze tegen een bal schopten. Ik heb gezien dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] ook zo hard schopte. Zoals ik al verklaard heb zag ik dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] mijn vader het meest geschopt heeft. Als ik moet schatten denk ik dat die man mijn vader zeker 5 tot 10 keer hard geschopt heeft. (…) Foto IMG_9150-1 is een vergroting van de net getoonde foto. Ik herken nu heel duidelijk de trainer van [Voetbalvereniging 1] die op mijn vader inschopte. Ik weet zeker dat hij het is. Ik zie nu ook duidelijk dat [slachtoffer 2] die man omver duwt omdat hij mijn vader aan het schoppen is. Nogmaals ik weet echt zeker dat dit de man is die mijn vader meerdere keren schopte. Ik wijs u ook de spelers aan die mijn vader schopten, ik zie dat u een aantekening maakt bij deze spelers. (…) Ik kan u over de twee andere spelers van [Voetbalvereniging 1] niet vertellen of zij geschopt hebben. Dat heb ik in ieder geval niet gezien.” Nu - onder meer - deze foto bevestigt hetgeen [getuige 1] eerder bij de politie heeft verklaard, [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris desgevraagd heeft aangegeven dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard, dat hij geen foto’s had gezien voor zijn eerste politieverhoor, dat hij alleen de “Telegraaffoto” [rechtbank: DSC_0129] voor zijn tweede politieverhoor had gezien en dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s , acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 1] - die onderling consistent zijn - ook ten aanzien van de rol van [verdachte] betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dit geldt temeer nu verdachte [verdachte] - ook - ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij de persoon is op bovengenoemde foto die [getuige 1] als een van de schoppende jongens aanwijst. Dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris [verdachte] niet heeft beschreven, doet aan de betrouwbaarheid van zijn eerdere verklaringen - en aan de herkenning van [verdachte] op bovengenoemde foto in het bijzonder - niet af. [getuige 1] heeft in zijn eerste twee verklaringen heel duidelijk het incident beschreven en die verklaringen worden ondersteund door hetgeen te zien is op - onder meer - de foto met kenmerk IMG_9150. Dat op dat specifieke moment in plaats van [verdachte] die dichtbij te zien is, een andere speler geschopt zou hebben is niet gebleken en dat past ook niet in het zeer korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld. Bovengenoemde verklaringen vinden steun in de verklaring van [getuige 11], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris : “U vraagt mij van wie ik mij herinner dat ze hebben geschopt. De jongen met de gele schoenen en eentje met een volgens mij rood broekje aan. De rest van [Voetbalvereniging 1] liep in de normale kleding van [Voetbalvereniging 1] en deze jongen viel op door zijn rode broek. (…) De jongen met het rode broekje had volgens mij iets van nummer 13 maar dat weet ik niet helemaal zeker.” Tot slot vindt de rechtbank in dit kader de verklaring van medeverdachte [medeverdachte B] van belang. Hij heeft op 4 december 2012 tegenover de politie verklaard : “Toen we in de kleedkamer terugkwamen hoorde ik dat een paar jongens hadden geschopt. Dit waren [medeverdachte A], [medeverdachte E], [naam], [naam], [medeverdachte C] en de onbekende jongen. Ik hoorde ook dat een jongen was geschopt. Dit was de onbekende jongen.” Dat de verklaring van [medeverdachte B] ziet op [verdachte] blijkt uit de verklaring van [verdachte] zelf bij de politie: “Ik zag de grensrechter naar mij toe lopen. (…) Ik werd door hem geduwd en ik viel op de grond. Ik lag op mijn rug. (…) Ik werd door de grensrechter getrapt.” Gelet op voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte][slachtoffer 1] meermalen krachtig tegen het lichaam en hoofd heeft getrapt terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag. [medeverdachte F] Verdachte [medeverdachte F] heeft bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting geen inhoudelijke verklaring willen afleggen. Hij heeft zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht dan wel aangegeven dat hij niets gedaan heeft. Tijdens zijn verhoor op 11 december 2012 heeft [medeverdachte F] - op de vraag zichzelf te omschrijven en te vertellen wat voor voetbalkleding hij droeg op 2 december 2012 - onder meer verklaard: “Haarkleur: Zwart. Haardracht: zijkanten opgeschoren, boven hanenkam. (…) Voetbalschoenen: Paarse nikes (…) Rugnummer: Heb ik niet.” Ter terechtzitting van 30 mei 2013 is de foto met kenmerk IMG_9150 getoond. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat op de foto te zien is dat zich links een voetbalspeler van [Voetbalvereniging 1] bevindt zonder rugnummer. Op 13 december 2012 heeft [medeverdachte F] bij de politie zichzelf aangewezen op de foto met kenmerk IMG_9150 als de persoon zonder rugnummer. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn aan [getuige 1] eerst tijdens zijn derde verhoor op 13 december 2012 foto’s van het incident getoond. Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 heeft [getuige 1] verklaard dat dit het moment is waarover hij - steeds - eerder heeft verklaard. Ook dit is hiervoor reeds uitgebreid aan de orde gekomen. Op voornoemde foto heeft [getuige 1] onder meer de persoon zonder rugnummer - waarvan [medeverdachte F] gezegd heeft dat hij dat is - aangewezen als een van de spelers die zijn vader krachtig geschopt heeft tegen het lichaam en hoofd. De raadsman van [medeverdachte F] heeft aangevoerd dat het op de weg had gelegen van de politie om niet enkel een foto van een gebeurtenis op het veld te tonen, maar om de foto’s met daarop meerdere gebeurtenissen waarover de politie de beschikking had gelijktijdig te tonen. Nu er slechts een enkelvoudige fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden is door de politie een bijzonder suggestieve situatie gecreëerd waardoor de politie op onzorgvuldige wijze onderzoek heeft verricht. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor dienen de verklaringen met betrekking tot de foto(‘
- s)te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank volgt de verdediging niet in dit verweer. Allereerst is er geen sprake geweest van een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar van het tonen van foto’s van het incident. Tijdens het verhoor op 13 december jl. is aan [getuige 1] niet slechts een enkele foto getoond van het incident, maar meerdere. Daarnaast geldt dat [getuige 1] reeds twee keer door de politie was gehoord voordat de foto met kenmerk IMG_9150 aan hem is getoond. Dat hij zijn herinnering aan het incident heeft aangepast aan deze foto vindt de rechtbank in de zaak tegen [medeverdachte F] niet aannemelijk geworden. [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor van 13 december jl. aangegeven dat hij eerder had verklaard over hetgeen hij toen (voor het eerst) zag op de foto met kenmerk IMG_9150. Hij heeft toen onder meer [medeverdachte F] aangewezen als de schoppende speler. Tegenover de rechter-commissaris heeft [getuige 1] aangegeven dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s . Reden waarom de rechtbank de aanwijzing van [medeverdachte F] op voornoemde foto betrouwbaar vindt. Dit geldt temeer daar [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over een jongen met paarse voetbalschoenen die heeft ingetrapt op zijn vader die toen op de grond lag. De kleur van de schoenen is niet te zien op de foto met kenmerk IMG_9150. Naar het oordeel van de rechtbank doelt [getuige 1] met “een jongen met paarse voetbalschoenen” in zijn voornoemd verhoor op [medeverdachte F], aangezien hij - zoals hij ook zelf heeft aangegeven - paarse Nikes droeg tijdens de voetbalwedstrijd en ten tijde van het incident. Dit ondersteunt de aanwijzing op de foto met kenmerk IMG_9150 waardoor de rechtbank uitgaat van de betrouwbaarheid en derhalve juistheid daarvan. Naast voormelde verklaringen kent de rechtbank in dit verband ook betekenis toe aan het (aanvullend) vergelijkend DNA-onderzoek dat is verricht naar (een bemonstering van) een veter van de linkerschoen van verdachte [medeverdachte F]. Dat de onderzochte (veter van
- de)schoen de schoen van [medeverdachte F] betreft leidt de rechtbank af uit het proces-verbaal sporenonderzoek waaruit blijkt dat onder [medeverdachte F] paarse Nikes in beslag zijn genomen waaraan het kenmerk AAAN2589NL is gekoppeld. De bemonstering van de veter van de linkerschoen [naam] heeft als kenmerk AAN2589NL#02 en daarvoor zijn twee hypotheses beschouwd dat hierna nog aan de orde zal komen. Bovendien heeft [medeverdachte F], zoals hiervoor reeds is overwogen, op 11 december jl. verklaard dat hij op 2 december jl. als voetbalschoenen paarse Nikes droeg. Voor de bemonstering van de veter van de linkerschoen van [medeverdachte F] is een consensus DNA-profiel opgesteld. Uit dit resultaat wordt door het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat van het celmateriaal in de bemonstering van de veter van de linkerschoen een complex DNA-mengprofiel is verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal vier personen. Uit dit complexe DNA-mengprofiel is een combinatie van prominent aanwezige DNA-kenmerken afgeleid van minimaal één man. Het DNA-profiel van [medeverdachte F] matcht met deze prominent aanwezige DNA-kenmerken. Dit betekent dat [medeverdachte F] de prominent aanwezige celdonor in de bemonstering kan zijn. Omdat deze voetbalschoen van [medeverdachte F] zou zijn - hetgeen de rechtbank als vaststaand aanneemt zoals hiervoor is overwogen - wordt aangenomen dat het prominent aanwezige celmateriaal in deze bemonstering ook daadwerkelijk van [medeverdachte F] afkomstig is. Naast de combinatie van prominent aanwezige DNA-kenmerken zijn in het complexe DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering DNA-nevenkenmerken zichtbaar van minimaal drie minder prominent aanwezige celdonoren. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] matcht met deze DNA-nevenkenmerken. Dit betekent dat het slachtoffer één van de minder prominent aanwezige celdonoren in deze bemonstering kan zijn. Een standaard statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] is in dit geval niet mogelijk. Wel is de wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek te formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid op bronniveau. Voor de bemonstering van de veter van de linkerschoen van [medeverdachte F] zijn de volgende twee hypotheses beschouwd: hypothese I : de bemonstering bevat relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer en nog twee willekeurige personen hypothese II : de bemonstering bevat relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van nog drie willekeurige personen De verkregen resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn voor de bemonstering zeer veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is. Nu dit betekent dat de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als deze bemonstering relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer en nog twee willekeurige personen bevat (hypothese I), dan als deze bemonstering relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van nog drie willekeurige personen bevat (hypothese II), hecht de rechtbank aan deze bevindingen (bewijs)waarde ter beantwoording van de vraag of [medeverdachte F] een bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens de grensrechter. Het verweer dat de door het NFI in verbale termen geformuleerde wetenschappelijke bewijswaarde van generlei waarde is, aangezien bij de beantwoording van de hypotheses niet is meegewogen dat de zoon van [slachtoffer 1] mogelijkerwijs ook donor kan zijn van het DNA-materiaal dat is aangetroffen, wordt door de rechtbank verworpen. Het enkele feit dat door het NFI niet onderzocht is of het DNA-profiel van de zoon van [slachtoffer 1] (ook) matcht met de in de bemonstering aangetroffen DNA-nevenkenmerken maakt niet dat de bevindingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Feiten of omstandigheden die dat anders doen zijn, zijn (voldoende) gesteld noch gebleken. De raadsman van [medeverdachte F] heeft wel gesteld dat [medeverdachte F] en [getuige 1] tegen elkaar hebben gevoetbald waardoor er DNA kan zijn overgedragen door de zoon van [slachtoffer 1] op de schoen van [medeverdachte F], maar dit is niet onderbouwd met feiten. Zo is niet gesteld dat [medeverdachte F] en [getuige 1] tijdens (of
- na)de wedstrijd daadwerkelijk fysiek contact met elkaar hebben gehad. Ook [medeverdachte F] heeft daar niets over gezegd. Daar is bovendien niets van gebleken. Reden waarom de rechtbank dit verweer passeert en derhalve wel (bewijs)waarde hecht aan voornoemde bevindingen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 5 lid 2 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, nu het proces-verbaal met kenmerk PL2562 2012086098-90 geen identiteitszegel bevat. Aangezien uit foto 1 van de fotobijlage bij voornoemd proces-verbaal tevens blijkt dat op de bewaarzak correcties zijn aangebracht, valt niet uit te sluiten dat de in beslag genomen schoenen, sokken en voetbalkleding in één zak hebben gezeten en kan aldus contaminatie niet worden uitgesloten. Daarnaast stelt de verdediging dat voornoemd proces-verbaal niet ten spoedigste is opgemaakt en dat daarin niet is vermeld op welke wijze de materialen zijn aangeleverd en op welke wijze de in beslag genomen goederen zijn bewaard tot het moment waarop er sporenonderzoek is verricht. Dit alles levert een onherstelbaar vormverzuim op, zodat de resultaten daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs. Met de verdediging heeft de rechtbank geconstateerd dat voornoemd proces-verbaal geen identiteitszegel bevat, maar dat er wel een S(poor) I(dentificatie) N(ummer)-nummer (AAAN2589NL) is gekoppeld aan de inbeslaggenomen schoenen van [medeverdachte F]. Dit SIN-nummer komt overeen met het SIN-nummer dat is vermeld op de bewaarzak met daarop geschreven “voetbalschoenen”. Het feit dat op die bewaarzak slechts voornoemd SIN-nummer staat vermeld en niet de SIN-nummers die blijkens voornoemd proces-verbaal zijn gekoppeld aan de onder [medeverdachte F] in beslag genomen voetbalkousen, voetbalshirt en broek maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat in die bewaarzak slechts de voetbalschoenen hebben gezeten en niet ook de andere inbeslaggenomen voorwerpen. Blijkens de foto’s 12 en 14 van de fotobijlage bij voornoemd proces-verbaal is er tevens een bewaarzak met daarop geschreven “[medeverdachte F] kousen” met een identiteitszegel met (enkel) het SIN-nummer dat gekoppeld is aan de inbeslaggenomen kousen van [medeverdachte F] voorhanden, alsook een bewaarzak met daarop geschreven “[medeverdachte F] voetbalshirt (zonder rugnummer) + broek” met een identiteitszegel met (enkel) het SIN-nummer dat gekoppeld is aan de inbeslaggenomen voetbalkleding van [medeverdachte F]. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er contaminatie kan hebben plaatsgevonden. Het feit dat er correcties op de bewaarzak van de schoenen zijn aangebracht, inhoudende dat “voetbalshirt” is veranderd in “voetbalschoenen” en dat “broek” met daaronder “zonder rugnummer” zijn doorgestreept, maakt dat niet anders, nu op die bewaarzak enkel het SIN-nummer van de voetbalschoenen van [medeverdachte F] is vermeld en de tekst gecorrigeerd is in “voetbalschoenen” hetgeen strookt met het feit dat het op die zak vermelde SIN-nummer ziet op die voetbalschoenen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte F] niet in zijn belangen is geschaad door het ontbreken van een identiteitszegel in voornoemd proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de correcties die zijn aangebracht op de bewaarzak van de inbeslaggenomen schoenen van [medeverdachte F]. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt niet van een reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het DNA-onderzoek. Ook overigens blijkt uit voornoemd proces-verbaal niet dat de procedure rondom de inbeslagname en het sporenonderzoek niet in acht is genomen of anders: onregelmatigheden vertoont. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging. Gelet op voornoemde verklaringen van [getuige 1], in samenhang bezien met de foto met kenmerk IMG_9150 en de voornoemde bevindingen van het (aanvullend) vergelijkend DNA-onderzoek dat is verricht naar (een bemonstering van) een veter van de linkerschoen van [medeverdachte F], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte F] een van de spelers is geweest die de grensrechter, terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag, krachtig geslagen en getrapt heeft tegen het lichaam (buik, borst en benen) en hoofd. Medeplegen Van medeplegen van doodslag is sprake indien alle verdachten dit feit gezamenlijk hebben gepleegd. Deze vorm van daderschap is gelijk aan die van de individuele pleger: de medepleger wordt als dader bestraft. Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten. Die samenwerking is gericht op de totstandkoming van het strafbare feit. Aan de totstandkoming van dit feit dient de medepleger substantieel bij te dragen om als zodanig te kunnen worden aangemerkt. Wat betreft het eerste onderdeel, de bewuste samenwerking, geldt het volgende. Niet nodig is dat de rollen van verdachten vóór het plegen van het delict in overleg worden verdeeld, bijvoorbeeld door het maken van een plan. Ook op het moment van het plegen van het feit kan een bewuste samenwerking ontstaan. Daarbij kan het om seconden gaan. Voldoende is een wederzijds begrijpen, ook zonder woorden, een op het moment van de handeling weten samen te werken tot hetzelfde resultaat. Bewuste samenwerking houdt in dat het opzet zowel op de samenwerking moet zijn gericht als op het resultaat van die samenwerking (het strafbare feit). Met andere woorden: er is een dubbel opzetvereiste. In de rechtspraak is de nadruk gaandeweg komen te liggen op het tweede onderdeel, de nauwe samenwerking of gezamenlijke uitvoering. Daarvoor is niet vereist dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen plegen. Wel dient de samenwerking tussen hen intensief te zijn, om medeplegen te onderscheiden van medeplichtigheid. In het algemeen zijn de medeplegers ‘lijfelijk’ aanwezig op de plaats waar het strafbare feit gepleegd wordt, maar dat hoeft niet. Niet nodig is dat de medeplegers een vaste rolverdeling hebben. Het kan van toevallige omstandigheden afhangen wie welke handelingen verricht. Evenmin is nodig dat achteraf precies kan worden gereconstrueerd wie van de medeplegers welk onderdeel van het geheel voor zijn rekening heeft genomen. Met betrekking tot het opzet merkt de rechtbank nog in het bijzonder op dat die uit de aard van de gedraging en de gevolgen daarvan kan worden afgeleid. Daarbij hoeft de handeling van de medepleger geen voorwaarde te zijn voor het intreden van het strafrechtelijke gevolg. De bewustheid van de medepleger op hetgeen hij met de andere medepleger doet, mag worden afgeleid uit de kennis die hij op het moment van zijn gedraging - en niet achteraf, na het lezen van het dossier - bezat. Dit betekent dat, indien sprake is van een nauwe en volledige samenwerking, niet relevant is of - bijvoorbeeld in geval van een doodslag in vereniging - de medepleger al dan niet de uiteindelijke dood van het slachtoffer heeft bewerkstelligd. Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [medeverdachte E], [medeverdachte D], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1]. Daartoe wordt het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat deze personen zodanig intensief hebben samengewerkt, dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking bij het plegen van doodslag op [slachtoffer 1]. Hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend dat de verdachten allen uitvoeringshandelingen hebben gepleegd. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 1] na de voetbalwedstsrijd werd aangesproken door een aantal spelers van [Voetbalvereniging 1]. Er stonden toen veel mensen op het veld. Er ontstond een vechtpartij waarbij [slachtoffer 1] één van zijn schoenen verloor. [medeverdachte E] heeft toen [slachtoffer 1] ten val heeft gebracht door tegen de onderbenen te trappen. Vervolgens heeft [medeverdachte E] [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en het bovenlichaam getrapt. Hierna rende de jongen weg in de richting van een woonwijk, waarna hij even later terug kwam met een tak/stok in de hand. Terwijl [slachtoffer 1]op de grond lag, trapte [medeverdachte A] hem meermalen tegen het bovenlichaam (buik/zij) en trapte [medeverdachte C][slachtoffer 1] tegen het hoofd. Volgens [medeverdachte C] werd [slachtoffer 1] tijdens het eerste incident kapot geramd, hij was dan ook bang dat hij niet meer op zou staan. Het lukte [slachtoffer 1] om vervolgens op te staan. Hij probeerde weg te rennen richting de middencirkel, maar werd achtervolgd door 3 à 4 jongens van [Voetbalvereniging 1] die bij de eerste situatie hadden gestaan, alsook door verdachte [medeverdachte D]. [slachtoffer 1] werd toen getackeld door 1 van de spelers van [Voetbalvereniging 1] waardoor hij opnieuw ten val kwam. Deze jongens en de verdachte [medeverdachte D] gingen rondom [slachtoffer 1] staan en begonnen krachtig op hem in te slaan en te schoppen. Uit de besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat deze jongens de verdachten [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] betroffen. [slachtoffer 1] werd toen door hen met kracht tegen het bovenlichaam en hoofd geslagen en geschopt. Ze raakten hem waar ze maar konden en haalden uit alsof ze tegen een bal schopten waarbij verdachte [medeverdachte D][slachtoffer 1] het meeste op het hoofd trapte. De keeper van [Voetbalvereniging 2], [slachtoffer 2], probeerde [medeverdachte D] weg te duwen bij [slachtoffer 1] en kwam vervolgens ook op de grond terecht. Verdachte [medeverdachte B] is naar de vechtpartij toegelopen en heeft vervolgens [slachtoffer 2] een klap gegeven en hem tweemaal tegen zijn benen getrapt, terwijl [slachtoffer 1] werd geschopt door [verdachte], [medeverdachte G], [medeverdachte F] en [medeverdachte D]. Toen kwamen er veel omstanders bij en zijn de spelers van [Voetbalvereniging 1] en [medeverdachte D] weggehaald bij [slachtoffer 1]. Dat achteraf niet exact kan worden gereconstrueerd wie van de verdachten welk lichaamsdeel van [slachtoffer 1] - het hoofd of het lichaam - heeft geraakt, werpt hier geen ander licht op. Immers, door in de mate zoals hiervoor is omschreven bij te dragen aan het plegen van ernstig geweld jegens en het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 1] hebben [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] aan een of meer van de door (een van) hen toegebrachte verwondingen zou komen te overlijden. Dat de geweldshandelingen plotseling zijn ontstaan, doet er niet aan af dat het medeplegen op bewust niveau heeft plaatsgevonden. Een plan of het voeren van overleg is hiervoor immers niet nodig. Een ‘split second’ voor of tijdens de geweldshandelingen is voldoende. In die luttele tijd zijn [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot bewuste samenwerking gekomen. Ook het verweer dat een aantal verdachten pas later betrokken zijn geweest bij de vechtpartij en deze handelingen niet tot de dood kunnen hebben geleid van [slachtoffer 1] gaat niet op. Allereerst kan zowel tijdens het eerste incident als tijdens het tweede incident het fatale letsel zijn toegebracht. Beide momenten is er met kracht op kwetsbare lichaamsdelen van [slachtoffer 1] ingetrapt. Bovendien blijkt uit verschillende verklaringen dat de verdachten die tijdens de tweede situatie geweld hebben toegepast reeds bij de eerste situatie aanwezig zijn geweest. [slachtoffer 1] probeerde na de eerste situatie weg te komen, waarbij hij achterna werd gezeten door [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] die hem vervolgens hebben getackeld en met kracht hebben geslagen en getrapt tegen zijn bovenlichaam en hoofd. Gelet op de bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] is niet relevant door wiens handelingen [slachtoffer 1] uiteindelijk is komen te overlijden. Het voorwaardelijk opzet van verdachten was er immers al; zij konden er in redelijkheid niet vanuit gaan dat de fatale klap al was uitgedeeld. (Voorwaardelijk) opzet De rechtbank gaat er, met de officier van justitie en de verdediging, van uit dat verdachten niet de intentie hebben gehad om [slachtoffer 1] te doden. In het navolgende wordt de vraag beantwoord of verdachten al dan niet het voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu de dood van [slachtoffer 1] – is aanwezig, als verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachten de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachten wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging(
- en)bewust hebben aanvaard (op de koop toe genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Er is geen grond om de inhoud van het begrip aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Bij de beantwoording van de vraag of een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop heeft bestaan wordt vooropgesteld dat de vraag of die kans op een dodelijke afloop niet ziet op de oorzaak van het overlijden, maar op de dood. Met andere woorden: het voorwaardelijk opzet ziet niet op de dissectie maar op de dood. De rechtbank beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat het hoofd met de zich daarin bevindende hersenen kwetsbaar is en dat verwondingen aan het hoofd de dood tot gevolg kunnen hebben. Verdachten hebben, zoals de rechtbank hiervoor onder het kopje medeplegen heeft overwogen, in nauwe en bewuste samenwerking [slachtoffer 1] meermalen tegen diens hoofd en/of nek en/of lichaam geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden. De geweldshandelingen door de verschillende verdachten tegen [slachtoffer 1] hebben - in twee fasen - vrijwel gelijktijdig plaatsgevonden. In beide fasen is - kenbaar voor alle verdachten - met voetbalschoenen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt, terwijl deze op de grond lag. De rechtbank is van oordeel dat in het bijzonder het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1], naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, te weten veelvuldig en met kracht, zozeer gericht zijn op de dood van het slachtoffer dat verdachten niet alleen wetenschap moeten hebben gehad van de aanmerkelijke kans op de dood, maar dat zij deze kans ook bewust hebben aanvaard. Causaal verband Op 4 december 2012 is door A. Maes, arts en patholoog en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1]. Daarbij is blijkens haar op 6 februari 2013 uitgebrachte sectierapport onder meer het volgende gebleken: Er waren enkele onderhuidse bloeduitstortingen verspreid over de ledematen (maximaal 1
- cm)en links boven aan de romp (5 cm). (…) Bij inwendig onderzoek waren er in het onderhuidse weefsel van de behaarde hoofdhuid enkele bloeduitstortingen zichtbaar tot maximaal 3 cm rechtsvoor. De beide wervelslagaders werden met contrastvloeistof ingespoten, ze waren doorgankelijk. Er was een complete verstopping ter hoogte van de arteria basilaris (slagader in het midden van de hersenbasis. (..) De gehele linker kleine hersenhelft was bloederig geïnfarceerd en sterk verweekt. De hersenen waren sterk gezwollen en afgeplat met inklemmingsverschijnselen aan de onderzijde. Bij sectie bestond een toestand na medische interventie. Er waren als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend mechanisch geweld bloeduitstortingen gelokaliseerd onder de hoofdhuid, aan de romp en de ledematen. Deels kunnen deze bloeduitstortingen worden verklaard door stompen, slaan, schoppen tegen het hoofd maar kunnen mogelijk ook het gevolg zijn geweest van medische handelingen (romp), voetballen (benen) of diverse andere oorzaken. Er was dissectie in beide wervelslagaders, de arteriae basilaris. Er was verstoppen door thrombose van de doorgang van de arteria basilaris. Bij neuropathologisch onderzoek werd infarcering gezien van de gehele linker kleine hersenhelft en werden er infarcthaarden in de hersenstam en de rechter kleine hersenhelft gevonden. De begeleidende hersenzwelling verklaart het overlijden zondermeer door functieverlies van de hersenen. (…) Traumatische beschadigingen aan een of beide wervelslagaders zijn beschreven bij heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. (…) Vaak speelt een hierbij overstrekking van de hals een rol. Arts en patholoog Maes concludeert naar aanleiding van haar bevindingen: [slachtoffer 1], 41 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch botsend geweld op het hoofd, de hals en/of nek. Dr. B. Kubat, arts en patholoog en verbonden aan het NFI, heeft vervolgens een neuropathologisch onderzoek van de hersenen verricht. Zij heeft op 1 februari 2013 rapport uitgebracht, waarin zij haar bevindingen heeft neergelegd, onder meer inhoudende: Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont een verse dissectie van de rechter en linker arteria vertebralis en dien tengevolge opgetreden thrombose van de arteria basilaris. Passend hierbij wordt een uitgebreide infarcering gezien in het gebied van de hersenstam en de linker cerebellaire hemisfeer alsmede verspreid necrosehaarden in de rechter cerebellaire hemisfeer. Gezien de asymmetrie van de laesies in het cerebellum is het denkbaar dat primair een dissectie van de linker arteria vertebralis was opgetreden, die vervolgens zich uitbreidde naar rechts. Het is echter ook mogelijk dat beide vertebraal arteriën tegelijkertijd dissecteerden, waarbij aan de rechterzijde nog enige flow mogelijk was. Naar aanleiding van haar bevindingen zoals neergelegd in haar rapport van 1 februari 2013 zijn aan dr. Kubat twee hypotheses voorgelegd, te weten: H1 de fatale beschadiging aan de wervelslagader van het slachtoffer [slachtoffer 1] is veroorzaakt door het slaan/schoppen tegen zijn hoofd en nek tijdens het geweldsincident op het voetbalveld H2 de fatale beschadiging aan de wervelslagader van het slachtoffer [slachtoffer 1] is veroorzaakt door de eerdere val op het voetbalveld. Daarover heeft zij op 8 maart 2013 aanvullend gerapporteerd. Het rapport houdt onder meer in: Het onderzoek van de linker en rechter arteria vertebralis (wervelslagader) toonde een dissectie van de wand van beide slagaders. (…) De arteria vertebralis verloopt tot aan het achterhoofdsgat in een eigen kanaal in de halswervels en is daardoor beschermd. Op de overgang van de 1e halswervel naar de schedel treedt de arterie uit dit kanaal en loopt door het achterhoofdsgat de schedel in. Het wordt algemeen aangenomen dat bij krachtige buiging (flexie) van de hals veelal in combinatie met draaiing (rotatie) van het hoofd er een dusdanige sterke rek op de arteria vertebralis wordt uitgeoefend dat er een beschadiging van een bloedvat kan optreden. Verscheuringen door zuivere flexie worden incidenteel beschreven maar meestal blijkt met name de combinatie van flexie en rotatie van belang. (..) Ervan uitgaande dat bij het eerste incident, ‘het vallen na struikelen’, dit een val was bij ongestoord, vol bewustzijn op de grond (zonder verhevenheden zoals bijvoorbeeld een trede of een zitbank) kan men het volgende stellen: 1. bij een val bij ongestoord, vol bewustzijn tracht het slachtoffer zich flexmatig op te vangen waarbij spieren, ook hals en nekspieren, worden aangespannen 2. door aanspanning van de spieren wordt het hoofd ten opzichte van de hals gefixeerd, zodat krachtige en sterke bewegingen niet plaats vinden 3. indien het slachtoffer valt op een ‘rechte en vlakke’ ondergrond zal geen krachtige en sterke flexie plaats vinden omdat de onderlaag (de grond) dit niet toelaat 4. een beschadiging van één of beide arteriae vertebrales na een val zoals boven vermeld is in de literatuur niet beschreven. Ten aanzien van het tweede incident, ‘slaan en schoppen tegen hoofd/nek’ kan het volgende worden gesteld: 1. dergelijk geweld leidt tot krachtige en ongecontroleerde bewegingen van het hoofd ondermeer omdat de op deze lichaamsdelen uitgeoefende krachten sterk zijn en veelal relatief snel elkaar opvolgen en meer of meer van richting veranderen 2. dit leidt tot ongecontroleerde en krachtige bewegingen van lichaamsdelen, met name het hoofd ten opzichte van de rest van het lichaam 3. hierbij betreft het zowel buigingen (flexie) als, veelal tegelijkertijd optredende, draaiingen (rotatie) 4. beschadigingen van één of beide arteriae vertebrales in het kader van mishandeling zoals boven aangegeven zijn niet frequent maar worden met regelmaat in de literatuur omschreven. Dr. Kubat komt vervolgens in haar aanvullende rapport tot de volgende conclusie: Gelet op de voorgaande uiteenzetting kan worden gesteld dat hypothese 2 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden verworpen en dat de aangetroffen vaatletsels vrijwel zeker waren veroorzaakt door slaan/schoppen tegen het hoofd-hals gebied van het slachtoffer. Ter terechtzitting van 11 maart 2013 heeft de verdediging bij monde van mrs. Spong en Smeets verzocht prof. dr. C.M. Milroy, forensisch patholoog-anatoom te Ottawa, Canada, en prof. dr. W. Jacobs, docent gerechtelijke geneeskunde te Antwerpen, als deskundigen aan te wijzen, teneinde een contra-expertise te verrichten. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging gehonoreerd. De genoemde deskundige Milroy heeft op 5 mei 2013 gerapporteerd. Prof. dr. Jacobs heeft samen met prof. dr. E. Beuls, die door de rechter-commissaris eveneens tot deskundige is benoemd, een deskundig verslag d.d. 24 mei 2013 opgemaakt. Het deskundig verslag van prof. dr. W. Jacobs en prof. dr. E. Beuls houdt voor zover van belang het volgende in: Meest voorkomend zijn spontane bloedvaten dissecties welke kunnen optreden bij alle bloedvaten over heel het lichaam. Gezien het bij de heer [slachtoffer 1] om een traumatische dissectie ging, met name opgetreden kort na een geweldinwerking, nemen we aan dat het ging om een traumatische. Er bestaan in de literatuur niet limitatieve lijsten van aandoeningen welke tot spontane bloedvaten dissecties leiden doch geen enkele hiervan is aanwezig bij de heer [slachtoffer 1] ( Greenberg). (…) Zoals hoger reeds gezegd is met de grootste waarschijnlijkheid de gewelddadige handeling op het hoofd van de heer [slachtoffer 1] de oorzaak van het fatale letsel. Zeer theoretisch en even vaag als de beschrijving van de getuigen zou een val een oorzaak kunnen geweest zijn maar het is niet aannemelijk dat dit een oorzaak van de fatale afloop is geweest of zelfs niet er toe zou bijgedragen hebben. (…) Een andere oorzaak van het letsel dan botsend uitwendig inwerkend geweld als gevolg van schoppen tegen het hoofd en de nek kan met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. (..) De afwezigheid van een uitwendig letsel in de nek is geen vereiste om een bloedvaten letsel in de hals, carotis of vertebralis aan uit te sluiten. Het onderhuidse bloed of subgaleaal hematoom is uiting van een direct contact impact met geweld op