RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661156-13 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 mei 2014 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1979] te [woonplaats] wonende te [woonplaats] thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) in Vught. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden. Bij afzonderlijke dagvaardingen van verschillende data zijn onder bovenvermeld parketnummer zijn twee feiten aan verdachte ten laste gelegd. De rechtbank heeft deze feiten gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op of omstreeks 10 februari 2013 in [woonplaats] [A] - al dan niet met voorbedachten rade - van het leven heeft beroofd. feit 2: in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 8 februari 2013 in [woonplaats], zijn echtgenote, [B], meermalen heeft mishandeld. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [A] en de mishandeling van [B]. Zij baseert zich hiertoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de verdachte vrij te spreken van de moord dan wel doodslag op [A]. Volgens de raadsman kan niet worden aangetoond dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden van [A]. De sectiebevindingen passen immers eveneens bij een natuurlijk overlijden ten gevolge van acuut hartfalen. In de visie van de verdediging ontbreekt dan ook bewijs dat sprake is van een misdrijf. Dat verdachte schuldig is aan de mishandeling van [B] kan worden bewezen, aldus de raadsman. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 4.3.1 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie heeft gestaan, vastgesteld. Op 10 februari 2013 om 21:32 uur is door verdachte aan [B] een sms-bericht gestuurd met de volgende inhoud: “Zielig straks voor je!!!”. Op 11 februari 2013 omstreeks 15:33 uur is het levenloze lichaam van [A] in bed aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats]. In de woning waren aanwezig verdachte en het driejarige halfzusje van [A], [C]. Verdachte is in zijn bed aangetroffen met diverse bebloede verwondingen aan onder meer zijn polsen. De voordeur van de woning was door de politie geforceerd. De sleutels zaten nog aan de binnenzijde in het slot van de voordeur. 4.3.2 Het tijdstip van overlijden en plaatsbepaling In forensisch geneeskundig onderzoek wordt geconcludeerd dat [A] het meest waarschijnlijk in de ochtend van 11 februari 2013 op een onbekend tijdstip is overleden. Een ander moment van overlijden (zoals de avond van 10 februari 2013) valt niet uit te sluiten. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de kinderen van verdachte zondag 10 februari 2013 laat in de middag nog heeft gezien buiten voor de portiek van hun woning. Getuige [getuige 1] schat dat het een uur of 16:00 uur dan wel 16:30 uur was. 4.3.3 Vaststelling Op grond van bovenstaande bevindingen en de verklaring van getuige [getuige 1], stelt de rechtbank vast dat [A] is overleden in de periode van de avond van 10 februari 2013 tot en met de ochtend van 11 februari 2013. In deze periode was [A] alleen in de woning met verdachte en [C]. 4.3.4 De oorzaak van overlijden Bij sectie op het lichaam van [A] wordt onder meer het volgende geconstateerd: Er worden geen ziekelijk afwijkingen gevonden waarmee het overlijden is te verklaren. Er zijn opvallende stipvormige bloeduitstortingen in het gezicht zichtbaar alsmede in de bindvliezen van de oogleden. Er zijn zware vochtrijke longen geconstateerd en hersenzwelling. Deze afwijkingen zijn bij leven ontstaan en kunnen zijn veroorzaakt door, maar zijn op zich niet bewijzend voor, stuwingsverschijnselen in het hoofdgebied en/of door acuut ontstaan zuurstofgebrek door bijvoorbeeld verstikking. Verstikking kan optreden bij luchtwegbelemmering. Luchtwegbelemmering in de zin van smoren ((af)sluiten van neus-mond) kan daarom niet worden uitgesloten in de onderhavige casus. Er zijn geen aanwijzingen voor bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals, zoals dat door wurghandelingen en/of strangulatie kan ontstaan. De sectiebevindingen sluiten deze geweldsinwerkingen echter niet geheel uit omdat deze handelingen bij jonge kinderen niet gepaard hoeven te gaan met objectiveerbare en zichtbare letsels. De stipvormige bloeduitstortingen zouden kunnen passen bij doorgemaakt geweld op de hals, maar zijn daar niet bewijzend voor. Arts en patholoog Maes, die de sectie heeft uitgevoerd, concludeert als volgt: Bij sectie op [A], 6 jaar oud geworden, is geen anatomische en/of toxicologische doodsoorzaak aanwijsbaar. Verstikking als doodsoorzaak kan in de onderhavige casus niet worden uitgesloten. Uit forensisch geneeskundig onderzoek naar onder meer de doodsoorzaak komt het volgende naar voren: De stipvormige bloeduitstortingen in het gelaat en op het oppervlak van organen, de zware longen en de hersenzwelling die bij leven zijn ontstaan, passen bij drukverhoging in kleine bloedvaten (haarvaten) die als gevolg van de druk kapot gaan of bloed lekken, waardoor de kleine puntvormige bloeduitstortingen onder de huid of onder het weefseloppervlak kunnen ontstaan. Diezelfde druk kan ervoor zorgen dat er vocht uit de bloedvaten treedt in de longen en in de hersenen. Elk drukverhogend moment zou aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van deze drukverhoging, en puntvormige bloeduitstortingen worden om die reden als een aspecifiek verschijnsel gezien. Voorbeelden van drukverhogende momenten zijn hevig hoesten, persen bij het produceren van ontlasting, hartproblemen waardoor het bloed niet adequaat wordt rondgepompt, een zuurstoftekort waardoor het lichaam bloedvaten laat samenknijpen om bloed versneld rond te pompen, of afsluiting van bloed dat naar het hart stroomt (zoals het dichtduwen van de aders in de hals). Medische factoren kunnen een rol spelen bij het ontstaan van stipvormige bloeduitstortingen, zoals een ontsteking van het bloed of de hersenvliezen, of een stollingsstoornis van het bloed. Uit de sectie zijn geen aanwijzingen gebleken voor ziekelijke aandoeningen of ontstekingen, en op basis van de medische historie en de afwezigheid van eerdere signalen van stollingsstoornissen, wordt geconcludeerd dat een aanwezigheid van een ontsteking of een stollingsstoornis bij [A] niet waarschijnlijk is. Door onder meer leerkrachten van [A] zijn bij navraag opvallend hoesten of klachten van obstipatie niet gemeld. Het feit dat [A], tot kort voor zijn overlijden ogenschijnlijk gezond, overleden in bed is aangetroffen, wijst op een plotseling en onverklaard overlijden. Rekening houdend met de drukverhoging in de bloedvaten juist voor het overlijden, lijkt een belemmering van de bloedstroom door druk van buitenaf, acuut zuurstofgebrek door een functiestoornis van het hart of een belemmering van de ademhaling door het afsluiten van de luchtwegen aannemelijk te zijn. Nu uit het forensisch geneeskundig onderzoek geen eenduidige conclusie kan worden getrokken betreffende de vraag of er sprake is van een natuurlijk of een niet-natuurlijk overlijden zullen andere feiten en omstandigheden moeten uitwijzen of bewezen kan worden dat het hier om een misdrijf gaat of dat aangenomen moet worden dat hier sprake is van een natuurlijk overlijden. 4.3.5 Onderzoek naar de mogelijkheid van acuut hartfalen als doodsoorzaak De enige mogelijke optie voor natuurlijk overlijden die in bovengenoemd forensisch geneeskundige onderzoek naar voren is gekomen, is die van acuut hartfalen, waarbij deskundige Karst het lange QT-syndroom noemt als mogelijke oorzaak. Deskundige Prof. dr. A.A.M. Wilde, hoofd van de afdeling cardiologie van het AMC, heeft zich uitgelaten over mogelijk onderzoek hiernaar. LQTS (lange QT-syndroom) is een erfelijke ziekte die gekenmerkt wordt door afwijkingen op het elektrocardiogram (hartfilmpje/ECG) en is geassocieerd met een verhoogde kans op ernstige hartritmestoornissen, waaraan je plotseling kunt overlijden. Geschat wordt dat de genetische aanleg bij ongeveer 1 op de 2000 mensen aanwezig is, maar de verre meerderheid daarvan zal daar nooit enige last van ondervinden. Omdat het een erfelijke aandoening is, is vaak al iets bekend in de familie (bijvoorbeeld een plotselinge hartdood op jonge leeftijd of kinderen die flauwvallen) of had betrokkene zelf al passende klachten. De belangrijkste vormen van LQTS uiten zich al op hele jonge leeftijd (eigenlijk vanaf de geboorte). Idealiter is een hartfilmpje/ECG aanwezig omdat daar de diagnose op gesteld wordt. In november 2012 is een kort hartfilmpje van [A] gemaakt en dat was prima. Verdachte was hierbij aanwezig. Op 7 november 2012 ontving [B] hierover het volgende sms-bericht: “(..) [A] hart top goed nu lunchen”. Ook microscopisch onderzoek van het hart van [A] heeft geen bijzonderheden of afwijkingen opgeleverd. 4.3.6 DNA-onderzoek Bij [A] is schuim in zijn mond aangetroffen. Er liep een opgedroogde streep, vanaf de rechter mondhoek, eindigend met een gedroogde druppel vloeistof uit de mond van [A] lopend op de rechterwang. Onder de vloeistof streep bevond zich een rode vlek op het hoofdkussen. De schuimende bruin/rode vloeistof betrof vermoedelijk een postmortaal ontstaan mengsel van longvocht, speeksel en bloed. De forensisch onderzoeker herkende deze vochtpresentatie als een veel voorkomend stuwingsverschijnsel bij overleden personen. Een deel van het mondvocht was kennelijk door de positie van het hoofd via de rechtermondhoek naar buiten gevloeid. Direct naast het hoofd van [A] was een bloed/speekselvlek op het kussen zichtbaar vermoedelijk veroorzaakt door het uit de mond gevloeide vocht. Op de rechtermouw van de pyjama van [A] was een soortgelijke vlek zichtbaar. Deze vlek was zodanig gepositioneerd dat deze veroorzaakt zou kunnen zijn door een direct contact tussen de mond van het slachtoffer met zijn rechterbovenarm. Op het pyjamashirt dat [A] droeg toen hij werd aangetroffen zijn tevens bloedsporen met daarin speeksel van [A] gevonden. Het onderzochte deel betreft de voorzijde en de rechtermouw van het pyjamashirt. Het blauwe kussensloop (met daarop rondjes) uit de wasmachine is ook op sporen onderzocht. Hierop is DNA-materiaal gevonden van zowel [A] (meerdere bloedsporen met daarin speeksel) als van verdachte (bloed). 4.3.7 Vaststelling Op grond van bovengenoemde bevindingen stelt de rechtbank vast dat, nadat [A] is overleden, het postmortaal ontstane mengsel van speeksel en bloed is gekomen op het blauwe kussensloop dat in de wasmachine is gevonden. Dit betekent dat [A] na zijn dood in contact is geweest met dit blauwe kussensloop, en dat dit kussensloop daarna in de wasmachine is gelegd. Het mengsel van speeksel en bloed is ook terechtgekomen op de rechtermouw van de pyjama die [A] aanhad, nadat hij was overleden. Dit betekent dat het lichaam van [A] na zijn dood nog is verplaatst. 4.3.8 Overige verklaringen en/of bevindingen [B] heeft verklaard dat zij op 28 januari 2013 verdachte heeft verteld dat zij hem niet meer wilde zien. Zij heeft op 29 januari 2013 aan verdachte verteld dat zij wilde scheiden. Verdachte heeft die dag tegen [B] gezegd dat hij een kussen op het gezicht van [A] zou drukken. [B] heeft verklaard dat ze bovenstaande met [getuige 2] heeft besproken. Dit wordt bevestigd door getuige [getuige 2] die heeft verklaard dat [B] op 30 januari 2013 aan haar heeft verteld dat verdachte [A] wilde meenemen en thuis een kussen op zijn hoofd ging doen. [B] heeft verklaard dat zij het kussensloop met de blauwe rondjes op donderdag niet in de wasmachine heeft gedaan. Zij heeft die dag het dekbed van [A] verschoond met een Ajax dekbedovertrek. [B] heeft verklaard dat zij bij [A] het kussenovertrek van Ajax kan hebben gedaan of die blauwe met die rondjes. Het kussensloop van verdachte was blauw of groen. Getuige [getuige 1] heeft verdachte maandagochtend op 11 februari 2013 tussen 09:00 uur en 09:30 uur zien lopen met zijn hond. [getuige 3], de vriendin van [getuige 1], heeft verklaard dat zij die ochtend rond een uur of 09:00 uur of 09:30 uur de dove man zag lopen met zijn hondje. Op 11 februari 2013 is om 11:38 uur op de telefoon van verdachte het what’s app programma gebruikt. De ambulancebroeder die als eerste ter plaatse was om 15:45 uur heeft verklaard dat hij verdachte aantrof met oppervlakkige krassen in zijn onderarmen. Verdachte had zijn ogen dicht. De ambulancebroeder heeft samen met zijn collega de oogleden van verdachte geopend en met een lampje in zijn ogen geschenen. Op dat moment zagen zij dat verdachte met zijn ogen wegdraaide naar boven. Zij hadden de indruk dat verdachte zich meer buiten bewustzijn hield dat hij eigenlijk was. Opvallend was dat het leek alsof verdachte zelf meehielp rechtop te gaan zitten. Dit doet een bewusteloos persoon niet. Dit klopt niet met het beeld wat hij uitstraalde. Ook bij het sluiten van de schepbrancard tilde hij zelf zijn voeten op. 4.3.9 Tussenconclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte De rechtbank stelt op grond van het hiervoor weergegeven bewijs vast dat: - verdachte op 29 januari 2013 heeft gedreigd [A] te verstikken; - [A] op 10 of 11 februari 2013 is overleden in de woning waar alleen verdachte en zijn driejarige dochter verbleef; - het lichaam van [A] na het overlijden is verplaatst; - het kussensloop van [A] na het overlijden is verwijderd en in de wasmachine is gedaan; - verdachte zich bewusteloos heeft gehouden terwijl hij bij kennis was. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden wijzen op een directe betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van [A]. De rechtbank zal onder deze omstandigheden alleen kunnen uitgaan van een natuurlijk overlijden wanneer verdachte een verklaring aflegt die deze omstandigheden kunnen verklaren. 4.3.10 De verklaring van verdachte Verdachte heeft in het begin van het onderzoek verklaard dat hij [A] de avond van 10 februari 2013 rond 19:30 uur in bed heeft gelegd, dat verdachte pillen heeft ingenomen, zijn hoofd heeft gestoten en dat hij zich daarna niets meer herinnert van die avond/nacht totdat hij in het ziekenhuis bij kennis kwam. Vanaf 17 maart 2014 is verdachte anders gaan verklaren. Door therapie, zo verklaart verdachte, is hij zich eind december 2013 weer dingen gaan herinneren over de nacht van 10 op 11 februari 2013 die hij voorheen niet meer wist. Deze nieuwe verklaring luidt in grote lijnen als volgt. Verdachte heeft op zondag 10 februari 2013 rond 18:00 uur of 18:30 uur de voordeur op slot gedaan. Hij heeft [A] rond 19:30 of 19:40 uur naar bed gebracht. [A] gebaarde dat hij zich niet lekker voelde, maar gaf ook aan dat verdachte zijn moeder hiervoor niet hoefde te bellen. [A] wilde in zijn eigen bed slapen. Verdachte heeft de slaapkamerdeur een beetje open laten staan. [C] sliep in het bed van verdachte en is rond 20:00 uur in slaap gevallen. Verdachte heeft vervolgens naar het programma Obese op de televisie gekeken. Daarna heeft hij zijn I-Pad gepakt en naar de slaapkamer meegenomen om daar de voetbal uitslagen te bekijken. Rond 21:30 uur is verdachte naar de slaapkamer van [A] gegaan, die met zijn voeten op het hoofdeinde in bed lag. Verdachte heeft [A] bij zijn kuit gepakt die een beetje hard aanvoelde. Hij heeft [A] gedraaid en zijn lichaam voelde hard. Verdachte heeft [A] op zijn arm genomen en meegenomen naar de badkamer, waar hij een aantal keer water over het gezicht van [A] heeft gedaan. Verdachte riep: “[A], [A], [A]!” Verdachte is vervolgens met [A] terug naar de slaapkamer van [A] gegaan en is daar met [A] in zijn armen tegen de muur aan gaan zitten. Hij heeft [A] maar weer in bed gelegd. Verdachte is naar de badkamer gelopen en heeft pillen ingenomen en drie messen in de keuken gepakt. Verdachte werd duizelig, is naar voren gevallen en is naar zijn slaapkamer gekropen. Verdachte heeft zijn polsen aan beide kanten gesneden. Vervolgens heeft hij een sms-bericht aan [B] gestuurd met de tekst: “Zielig straks voor je!!”. Verdachte bedoelde daarmee dat het zielig was voor [B] omdat hij zelfmoord ging plegen. Verdachte was depressief en hij wist het allemaal niet meer. Rond 01:30 uur is verdachte weer gaan kijken bij [A], die inmiddels wit was opgetrokken. Verdachte heeft een hamer gevonden en hij heeft hiermee een aantal keren op zijn eigen hoofd geslagen. Verdachte dacht dat hij iemand moest bellen of sms-en, maar heeft dat niet gedaan. Om ongeveer 03:30 uur is verdachte teruggegaan naar de badkamer en heeft met zijn vuist tegen het badkamerraampje gestompt. Daarna is hij teruggegaan naar zijn slaapkamer en is in bed gaan liggen. Tegen 06:30 uur is hij naar de wc gegaan en is daarna weer in bed gaan liggen. Om 08:00 uur riep [C] hem die hem vroeg of zij televisie mocht kijken. Verdachte had de messen en de hamer verstopt zodat [C] deze niet kon zien. Verdachte heeft gedurende de nacht zijn telefoon geopend om naar de tijd te kijken. [C] maakte hem ‘s middags wakker omdat zij lawaai bij de voordeur hoorde. Verdachte heeft niet gemerkt dat de medewerkers van de ambulance binnenkwamen. Hij heeft de hele nacht een beetje verward rondgelopen waardoor hij heel erg moe was. Het laatste dat hij zich van die ochtend herinnert, is dat [C] hem wakker maakte om 08:00 uur. De gebeurtenissen van de avond van 10 februari 2013 nadat hij de pillen had ingenomen wist hij voor de therapie niet meer, maar door de therapie zijn veel herinneringen naar boven gekomen. Dat verdachte zich nu wel dingen herinnert van de tijd voordat hij de pillen had ingenomen, namelijk dat hij bij [A] is geweest, dat hij hard aanvoelde, dat hij [A] uit bed heeft gehaald en water op zijn gezicht heeft gedaan, verklaart verdachte door de vele problemen die hij had. Problemen die hij had waren het feit dat hij geen werk had, zijn depressie en het gebruik van antidepressiva. Door deze problemen heeft hij enige tijd moeite gehad zich deze gebeurtenissen te herinneren. Verdachte heeft verklaard dat hij het blauwe kussensloop die nacht/ochtend in de wasmachine heeft gedaan. Het blauwe kussensloop lag niet op het bed van [A], maar op het bed van verdachte en was vies geworden. Dat er DNA-materiaal van [A] op dit kussen zat, komt doordat [A] de nacht van zaterdag op zondag bij hem in bed heeft geslapen. 4.3.11 Waardering van de verklaring van verdachte De rechtbank stelt voorop dat verdachte anders is gaan verklaren nadat nadere onderzoeksresultaten in het onderzoek bekend zijn geworden. De verklaring van verdachte is bijgesteld op punten waarop het onderzoek belastend bewijs opleverde, zoals bewijs voor het feit dat het lichaam van [A] na zijn dood moet zijn verplaatst. Verdachte heeft uiteindelijk verklaard dat hij [A] uit bed heeft gehaald en water op zijn gezicht heeft gedaan. Volgens verdachte is dit gebeurd voordat hij de pillen had ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij zijn herinnering was kwijtgeraakt aan gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld voor het innemen van de pillen. Tot 17 maart 2014 had verdachte immers steeds verklaard zijn herinnering kwijt te zijn over de gebeurtenissen na het innemen van de pillen. Tot 17 maart 2014 heeft verdachte juist zeer gedetailleerd verklaard over de gebeurtenissen tot het moment waarop hij de pillen innam. Over het uit bed halen van [A] heeft hij daarbij nooit verklaard. De rechtbank stelt verder vast dat er geen medische of toxicologische reden is gevonden die geheugenverlies bij verdachte zou kunnen verklaren. Enig aanknopingspunt dat verdachte zijn herinnering gedeeltelijk is kwijtgeraakt ontbreekt. De medewerkers van de ambulance hebben juist vastgesteld dat verdachte fingeerde dat hij buiten bewustzijn was. De rechtbank acht verder van belang dat de verklaring van verdachte op onderdelen in strijd is met het bewijs. Het blauwe kussensloop met rondjes is na de dood van [A] nog in contact geweest met (het mondvocht van) [A]. De verklaring die verdachte heeft gegeven voor het aanwezig zijn van speeksel op dit kussen is niet te verenigen met het feit dat er meerdere sporen van bloed met daarin speeksel van [A] op dat kussen zijn aangetroffen. De verklaring van verdachte is evenmin te rijmen met de verklaring van getuige [getuige 1] die verdachte de ochtend van 11 februari 2013 nog buiten heeft gezien tijdens het uitlaten van zijn hond. Dat de getuige zich vergist acht de rechtbank, gelet op de gedetailleerdheid van diens verklaring en zijn redenen van herinnering, niet aannemelijk. 4.3.12 Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte Zoals hiervoor is toegelicht, wijzen de omstandigheden waarin [A] is aangetroffen, op de directe betrokkenheid van verdachte op de dood van [A]. De rechtbank zal alleen kunnen uitgaan van een natuurlijke dood indien verdachte een geloofwaardige verklaring aflegt over deze omstandigheden. De rechtbank moet, gelet op het voorgaande, tot de vaststelling komen dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is en in strijd is met de bewijsmiddelen. Onder die omstandigheden, en gelet op de oorzaak van overlijden zoals blijkt uit het sectierapport (zuurstofgebrek), concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte [A] de ademhaling heeft belemmerd waardoor [A] is overleden. 4.3.13 Moord Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’(en dus moord) moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank moet tot de conclusie komen dat het bewijs van voorbedachte raad niet anders dan door middel van een aantal aannames kan worden gereconstrueerd. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen wat er zich precies in de betreffende periode heeft afgespeeld. Het enkele feit dat verdachte tegen [B] heeft gezegd dat hij een kussen op het hoofd van [A] zou drukken, is onvoldoende om vast te stellen dat verdachte ook feitelijk op het desbetreffende moment met een vooropgezet plan heeft gehandeld. Het beschikbare bewijs laat de mogelijkheid open dat verdachte, bijvoorbeeld door een bepaalde gedachte, bericht of uitlating, hevig gefrustreerd raakte en in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De sms met de tekst “Zielig straks voor je!!!” hoeft evenmin te duiden op een voornemen op een nog te plegen misdrijf. De rechtbank moet voor mogelijk houden dat de woordkeus “straks” niet duidt op het moment waarop een misdrijf nog zal worden gepleegd, maar duidt op het moment waarop [B] op de hoogte raakt van een reeds gepleegd misdrijf. 4.3.14 Eindconclusie ten aanzien van feit 1 De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, verdachte vrijspreken van moord. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [A]. Ten aanzien van feit 2 Op grond van het navolgende acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is een bekennende verdachte en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het feit volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte door [B] d.d. 25 oktober 2013; - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 mei 2014. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. omstreeks 10 februari 2013 te [woonplaats], opzettelijk, [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, gedurende enige tijd de ademhaling, van die [A] belemmerd en belemmerd gehouden met zijn, verdachte‘s, hand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.