RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661858-13 en 16/600212-11 tul (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 27 juni 2014 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1979], wonende te [woonplaats], [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2013 en 13 juni 2014. De verdachte is beide keren in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting van 13 juni 2014 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 mei 2012 te Utrecht: 1. (primair) samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, (subsidiair) samen met anderen die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, (meer subsidiair) samen met anderen heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meest subsidiair) zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen die [slachtoffer]. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor hetgeen onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd. De officier van justitie acht het onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat voor de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde gedragingen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is en heeft verzocht om verdachte daarvan vrij te spreken. Met betrekking tot het onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman betoogd dat verdachte wel een bijdrage heeft geleverd, maar dat het de vraag is of sprake was van het leveren van een voldoende significante bijdrage in het ten aanzien van het slachtoffer uitgeoefende geweld. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Op 19 mei 2012 heeft omstreeks 20:30 uur op de Schermerhornstraat te Utrecht een vechtpartij plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op zaterdag 19 mei 2012 over de Schermerhornstraat te Utrecht reed, dat er een Mercedes en een Opel voor en achter hem kwamen rijden, dat deze auto’s hem klemreden en hem dwongen om te stoppen. Voordat aangever wist wat er gebeurde stonden er vier personen rondom zijn auto. Eén daarvan, degene die aan de passagierszijde stond, trok aangever uit zijn auto. Aangever is vervolgens geslagen met (onder meer) een honkbalknuppel en een breekijzer. Aangever heeft voorts verklaard dat verdachte, [verdachte], degene was die het portier open heeft gedaan en op aangever begon in te slaan, dat [A] hem diverse keren met ‘iets’ geslagen heeft en dat [B] een blauwe koevoet in zijn handen had en aangever daarmee diverse keren sloeg op hoofd, schouders, armen en schenen. Getuige [getuige] heeft bij de rechter-commissaris een situatieschets getekend op welke wijze de 3 auto’s stonden. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op zijn balkon zat, dat hij het geluid van een zeer snel rijdende auto hoorde, dat een auto was klemgereden, dat er 3 of 4 personen uit de andere auto’s stapten, dat de bestuurder van de klemgereden auto uit zijn auto werd getrokken, dat de bestuurder door zijn belagers tegen de grond werd gewerkt en dat de bestuurder met een houten stok, een honkbalknuppel, tegen zijn hoofd werd geslagen en dat één van de belagers een metalen voorwerp in zijn handen had. Verdachte heeft verklaard dat hij aan de passagierskant van de auto van aangever stond en dat zijn vader, [A], aan de bestuurderskant van de auto van aangever stond. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij aangever twee klappen heeft gegeven. Over de aanleiding tot de confrontatie, heeft verdachte verklaard dat zijn vader met aangever wilde gaan praten om ‘de boel te sussen’ en dat hij, verdachte, achter zijn vader aanreed. In het ziekenhuis is op 19 mei 2012 bij aangever [slachtoffer] het volgende letsel geconstateerd: - verwonding rechterzijde voorhoofd; - fractuur schedel (os frontale doorlopend tot mediale orbitabegrenzing); - commotio cerebri (hersenschudding). Afhankelijk van de hersenschudding werd de duur van genezing geschat op een paar weken. Op 21 mei 2012 hebben verbalisanten [B] bij het water in het Griftpark een werpende beweging zien maken waarna zij een seconde later een harde plons in het water hoorden. Op 22 mei 2012 is op deze plek door de politie een breekijzer uit het water gehaald. Het breekijzer was blauw van kleur met een lengte van ongeveer 60 cm. De kleur was goed zichtbaar en er was geen direct roest zichtbaar op het breekijzer. De breedte van de vork van het aangetroffen breekijzer was 32 mm. Op 24 mei 2012 zijn bij [slachtoffer] de volgende tien verwondingen waargenomen: - op het voorhoofd een streepvormige gehechte verwonding van 5 mm breed en 25 mm lang; - een sterk verkleurd rechteroog met een bloeduitstorting; - achter op de rechterschouder een streepvormige verwonding van 25 mm lang en 2 cm breed met een hematoom; - een ovaalvormige verwonding van 6 bij 18 mm op de rechterelleboog; - op de rug een verwonding van 2 bij 5 mm met hierboven een v-vormige kras; - achter op de linkerschouder een schaafplek van 20 bij 15 mm met daaronder een dubbele streepvormige verwonding, in het verlengde van elkaar bij elkaar met een onderbreking van 38 mm lang en 2 mm breed; - kleine verwonding van 4 bij 3 mm op de borst; - oppervlakkige schaafwond van 3 mm bij 70 mm boven rechterheup; - verwonding op rechterscheenbeen van 12 bij 44 mm; - verwonding op rechterelleboog van 12 bij 3 mm. Vrijspraak feit 1, primair, subsidiair, meer subsidiair De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood of de (poging tot) zware mishandeling. Verdachte zal dan ook van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen feit 1, meest subsidiair Wel acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer]. Verdachte heeft samen met zijn vader [A] (de auto van) aangever klemgereden, heeft aangever uit zijn auto getrokken en heeft aangever geslagen. Daarmee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een voldoende significante bijdrage geleverd aan het gevecht, waarbij aangever door een van de mededaders meermalen met een breekijzer op het lichaam en het hoofd werd geslagen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte hij op of omstreeks 19 mei 2012 te Utrecht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Schermerhornstraat, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit - het in zijn auto tot stilstand brengen van die [slachtoffer] en/of - het (vervolgens) uit de auto trekken van die [slachtoffer] en/of - het (vervolgens) (met kracht) met een honkbalknuppel en/of breekijzer en/of mes, althans een hard voorwerp en/of handen/vuisten tegen het lichaam en/of hoofd slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer]. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewezen geachte feit beroepen op noodweer. De rechtbank is van oordeel dat de voor een geslaagd beroep op noodweer vereiste ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of goed, niet aannemelijk is geworden. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen. Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit om niet de voorlopige hechtenis te laten herleven en heeft gevraagd om verdachte een werkstraf op te leggen. Voorts heeft de verdediging verzocht om het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aangever heeft aan de confrontatie met verdachte en de twee of drie anderen onder meer een schedelfractuur overgehouden. Het behoeft geen betoog dat zo’n gewelddadige vechtpartij midden op de openbare weg schokkend is geweest voor het slachtoffer en voor de mensen in de nabije omgeving die de vechtpartij hebben gezien. Dit soort praktijken brengt gevoelens van onveiligheid met zich mee. De rechtbank houdt rekening met het feit dat de rol van verdachte relatief beperkt is geweest en dat niet is vastgesteld dat verdachte zelf met slagwapens heeft geslagen. De rechtbank heeft in het kader van de persoon van verdachte acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 november 2013, waaruit blijkt dat verdachte op 22 juni 2011 is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte sinds de schorsing met ingang van 4 december 2013 van zijn voorlopige hechtenis zich weer laat begeleiden en behandelen door Victas respectievelijk Kade 17. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen en een werkstraf voor de duur van 180 uren. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 8.712,56, te weten € 3.712,56 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De behandeling van een gedeelte van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank schat de immateriële schade op € 1.000,00 en waardeert de materiële schade op € 148,20 (T-shirt en reiskosten). De vordering kan dan ook tot een bedrag van € 1.148,20 worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. De verplichting tot schadevergoeding wordt hoofdelijk opgelegd, dat wil zeggen dat verdachte, evenals de medeverdachte(n), aansprakelijk is/zijn voor de gehele schade. Als de medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.