vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/370040 / KG ZA 14-373 Vonnis in kort geding van 9 juli 2014 in de zaak van 1. de commanditaire vennootschap [eiseres sub 1] , gevestigd te [vestigingsplaats], 2. de besloten vennootschap [eiseres sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. T.H.G. Steenmetser te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXCELSIOR B.V., gevestigd te Maarssen, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaten mr. J.R. Gal en mr. E. van Dam te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseressen c.s.] en Excelsior genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 19, productie 20 tot en met 24 van [eiseressen c.s.] waarbij is vermeld dat productie 22 nog volgt, productie 22 en 25 van [eiseressen c.s.], productie 1 tot en met 14 van Excelsior, waarbij een eis in reconventie is aangekondigd, productie 15 en 16 van Excelsior, de mondelinge behandeling, de pleitnota van [eiseressen c.s.], de pleitnota van Excelsior, waarin ook de eis in reconventie is opgenomen. 1.2. De voorzieningenrechter laat de bij de pleitnota van Excelsior gevoegde producties 17 en 18 buiten beschouwing vanwege de late indiening daarvan en het bezwaar daartegen van [eiseressen c.s.]. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Jongeneel Vastgoed B.V. was de eigenaar van het perceel in Utrecht dat wordt omsloten door de [perceel 1] (hierna: het perceel). 2.2. Met ingang van 1 januari 1997 heeft Jongeneel Vastgoed B.V. een deel van het perceel verhuurd aan Excelsior. Dit gedeelte wordt omsloten door de [perceel 2], plaatselijk bekend [adres] (hierna: het terrein Excelsior). 2.3. Op het terrein Excelsior bevindt zich een bedrijfshal en een parkeerterrein. In de bedrijfshal is een Gamma bouwmarkt (hierna: Gamma) gevestigd die door Excelsior wordt geëxploiteerd. 2.4. Op 30 november 2007 heeft Jongeneel Vastgoed B.V. het perceel verkocht aan v.o.f. [vof] (hierna: [vof]). 2.5. In een brief van 18 juli 2008 heeft [vof] de huurovereenkomst met Excelsior opgezegd tegen 1 juli 2010, op de grond dat zij het perceel dringend voor eigen gebruik ter beschikking diende te krijgen in verband met de herontwikkeling ervan. Excelsior berustte niet in deze huuropzegging. 2.6. Bij vonnis van 16 december 2009 heeft de kantonrechter te Utrecht op vordering van (onder meer) [vof] de huurovereenkomst met Excelsior beëindigd per 1 juli 2010, op de onder 2.5 gemelde grond. 2.7. Na het instellen van hoger beroep door Excelsior hebben [vof] en Excelsior overeenstemming bereikt over het beëindigen van de huurovereenkomst. De overeenstemming tussen enerzijds verhuurder [vof], [bedrijf 2] en SNSPF Participations II B.V. en anderzijds huurder Excelsior is neergelegd in de op 22 september 2010 ondertekende beëindigings- en vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). 2.8. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen: “Overwegende dat: (…) b. verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd in verband met de bij partijen genoegzaam bekend zijnde herontwikkeling van het gebied waarvan het gehuurde deel uitmaakt (hierna: het project [project]); (…) Komen hierbij overeen als volgt: Artikel 1 Beëindiging De huurovereenkomst wordt hierbij per 31 december 2011 beëindigd, met dien verstande dat beëindiging per een latere datum mogelijk is indien een voortgezet gebruik door huurder de verwezenlijking van het project [project] niet belemmert, een en ander ter redelijke beoordeling van verhuurder. In het verlengde van het bepaalde in de vorige volzin geldt dat bij een beëindiging van de huurovereenkomst verhuurder zicht moet hebben op de verkrijging van een bruikbare sloopvergunning. Verhuurder dient de einddatum en de datum van ontruiming van het gehuurde met een termijn van drie maanden aan te zeggen. Aanzegging dient schriftelijk of per e-mail te geschieden tegen de eerste of de vijftiende kalenderdag van iedere maand. Huurder is gehouden het gehuurde op de einddatum leeg en ontruimd, vrij van gebruik en gebruikersrechten (waaronder onderhuurders) en voor het overige conform hetgeen in de huurovereenkomst is bepaald, aan verhuurder op te leveren. Artikel 2 Vergoeding 1. In verband met de beëindiging ontvangt huurder een vergoeding van € 375.000,- te vermeerderen met BTW. (…) Artikel 3 Hal van Kamps Partijen zullen zo spoedig mogelijk na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst serieus met elkaar in overleg treden over de mogelijkheid de Gammamarkt in een aangepaste vorm te herhuisvesten in (een gedeelte van) de bij partijen genoegzaam bekend zijnde Hal van Kamps, hierna aangeduid als de Hal van Kamps. Partijen realiseren zich dat mogelijke herhuisvesting onder meer afhankelijk zal zijn van het definitieve bestemmingsplan en de overeenstemming ter zake tussen partijen. Verhuurder zal huurder, voor zover dit zinvol is, zoveel mogelijk betrekken bij haar overleg met de gemeente over de herontwikkeling en inrichting van de Hal van Kamps. Verhuurder is de hiervoor in artikel 2 bedoelde vergoeding niet verschuldigd indien tussen huurder en verhuurder een overeenkomst tot stand komt met betrekking tot de Hal van Kamps welke erin resulteert dat de hal van Kamps direct aansluitend op de einddatum van de huurovereenkomst aan huurder zal worden opgeleverd. Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als de “Kampshalovereenkomst”. Voor iedere maand dat de Hal van Kamps later aan huurder wordt opgeleverd dan de hiervoor in lid 2 bedoelde aansluitende datum, zal deze alsnog aanspraak kunnen maken op een vergoeding. Deze vergoeding is per kalendermaand gelijk aan 1/12 deel van het hiervoor in artikel 2 genoemde bedrag van € 375.000,-, met dien verstande dat de vergoeding nimmer hoger zal zijn dan dit bedrag van € 375.000,-. Huurder dient indien de Hal van Kamps aan huurder binnen 12 maanden na de beëindiging van de huurovereenkomst wordt opgeleverd op eerste verzoek van verhuurder al hetgeen zij in dat geval teveel van verhuurder heeft ontvangen aan verhuurder te restitueren. Een en ander kan met zich brengen dat huurder (een deel) van de over de periode 1 januari t/m 31 december 2011 niet betaalde huur alsnog aan verhuurder moet afdragen.” 2.9. De rechtspositie van [vof] als verhuurder en de rechtspositie van Excelsiors wederpartij bij de vaststellingsovereenkomst is overgenomen door [eiseres sub 1] De enig beherend vennoot van [eiseres sub 1] is [eiseres sub 2] 2.10. Op 12 oktober 2010 is door de burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht een sloopvergunning verleend aan [naam] B.V. voor het slopen van bedrijfsgebouwen en woningen op het perceel. In een brief van 13 december 2013 hebben de burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, na een daartoe strekkend verzoek en vooruitlopend op de onder 2.9 genoemde overname, de tenaamstelling van deze vergunning gewijzigd in [eiseres sub 1] 2.11. De onder 2.9 genoemde overname vloeide voort uit de verkoop van het perceel, op 20 december 2013, aan [eiseressen c.s.]. De levering heeft op 23 april 2014 plaatsgevonden. 2.12. Het oorspronkelijke herontwikkelingsplan van [vof], zoals dat bestond ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, was om het perceel gefaseerd te ontwikkelen. Gestart zou worden aan de achterkant/noordzijde van het perceel met de ontwikkeling van de aldaar gelegen ‘Hal van Kamps’ (fase 1). Hiervoor zijn reeds voorbereidende sloopwerkzaamheden uitgevoerd en heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In vier opeenvolgende fases zou worden toegewerkt naar ontwikkeling aan de voorzijde/centrumzijde. In fase 1 en 2, gepland in respectievelijk 2011 en 2014, zou de exploitatie van Gamma doorgang kunnen blijven vinden, zij het dat een deel van de bedrijfshal, het magazijn (aanwezig op het deelterrein dat toen als fase 2 was benoemd), gesloopt zou worden waarmee het gehuurde verkleind werd. In fase 3 en 4 (gepland in respectievelijk 2016 en 2018) zou ook het winkelgedeelte van de bedrijfshal (fase 3) en het parkeerterrein (fase 4) gesloopt worden. Partijen hebben besproken dat bij het aanvangen van fase 3 Gamma (op termijn) mogelijk herhuisvesting zou kunnen vinden in de genoemde Hal van Kamps. 2.13. [eiseressen c.s.] heeft momenteel aan andere aanpak en fasering van de herontwikkeling voor ogen. [eiseressen c.s.] wil aan de voorzijde/centrumzijde van het perceel starten met de gelijktijdige ontwikkeling van blok 1 en 2 (zijnde de deelterreinen die in de oude planvolgorde als fasen 4 en 3 werden aangeduid). Voor de ontwikkeling van het huidige blok 1 en 2 heeft [eiseressen c.s.] gesproken met een investeerder aan wie [eiseressen c.s.] de te bouwen appartementen ‘turn key’ zal opleveren. Het winkelgedeelte van Gamma bevindt zich op het deel van het perceel van blok 2. Voor de herontwikkeling van blok 3 en 4 heeft [eiseressen c.s.] nog geen overeenkomst gesloten met een investeerder, maar deze ontwikkeling is voorzien na de ontwikkeling van blok 1 en 2. Dat de herontwikkeling niet in 2011 is doorgezet en dat thans een andere volgorde van uitvoering geldt, is het gevolg van de verslechterde vastgoedmarkt in verband met de economische crisis. 2.14. [eiseressen c.s.] heeft een planning in het geding gebracht voor de oplevering van blok 1 en 2 in het tweede kwartaal van 2016. Uit die planning volgt dat het terrein Excelsior op 15 juli 2014 leeg dient te zijn. [eiseressen c.s.] heeft vanaf 16 juli 2014 de sloop van de bedrijfshal en de omliggende voorzieningen gepland. Daarna wil zij starten met bodemonderzoek, bouwrijp maken van het terrein en de voorbereidingen voor de bouw. De bouw dient volgens de planning in 2015 te starten. 2.15. In een brief van 14 april 2014 heeft [vof] mede namens [eiseressen c.s.] de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het terrein Excelsior aangezegd tegen 15 juli 2014. 2.16. Excelsior heeft [vof] en [eiseressen c.s.] bericht niet tot ontruiming te zullen overgaan. 2.17. In een brief van 7 mei 2014 heeft [eiseressen c.s.] Excelsior aansprakelijk gesteld voor de door haar te lijden schade indien Excelsior het terrein Excelsior niet tijdig ontruimt. 2.18. Op 19 juni 2014 hebben [A] (directeur van [bedrijf 1]) en [B] (directeur Van Wijnen Projectontwikkeling West B.V.), namens deze gezamenlijk bevoegde vennootschappen/bestuurders van [eiseres sub 2], zijnde de enig beherend vennoot van [eiseres sub 1], de volgende schriftelijke verklaring afgelegd: “Op 4 december 2013 hebben wij een bieding ontvangen van een investeerder voor het project [eiseressen c.s.] te Utrecht. Deze bieding zag op afname van circa 105 appartementen in de eerste fase van het project [eiseressen c.s.], zoals aangegeven op bijlage 1. Op 4 februari 2014 Is deze bieding aangevuld en heeft de investeerder een bieding gedaan voor afname van circa 180 appartementen In zowel fase 1 en 2 van het project. Zie hiertoe ook bijlage 14 De koopsom betreft tientallen miljoenen euro’s. Deze bieding is door ons geaccepteerd en wordt thans tussen partijen uitgewerkt in een zeer uitgebreide Head of Terms. Voor ons is deze verkoop van het allergrootste belang. Op verzoek van onze investeerder is nadrukkelijk afgesproken om richting derden en in communicatie nog niet de naam te noemen van de investeerder en zijn partijen. Bovendien zijn partijen daarnaast geheimhouding voor het openbaar maken van stukken overeengekomen, vandaar dat wij nu onder ede verklaren dat onderdeel van de afspraken met de investeerder is dat de oplevering van de woningen van zowel fase 1 en 2 plaats moet vinden medio 2016. Om die datum te halen, is het noodzakelijk dat op 16 juli 2014 de sloopwerkzaamheden ook op het Gamma-terrein een aanvang nemen. Dit is ook weergegeven in de planning die als bijlage 2 bij deze verklaring is gehecht.” 3Het geschil in conventie 3.1. [eiseressen c.s.] vordert samengevat - ontruiming van het terrein Excelsior, betaling van € 338.000,00 als voorschot op een te betalen schadevergoeding en betaling van € 10.000,00 als voorschot op grond van artikel 13 van de huurovereenkomst. 3.2. Excelsior voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.1. Excelsior vordert: veroordeling van [eiseressen c.s.] om binnen veertien dagen serieus met Excelsior in overleg te treden over de mogelijkheid om de door Excelsior geëxploiteerde bouwmarkt in aangepaste vorm te herhuisvesten in de Hal van Kamps; te bepalen dat [eiseressen c.s.] als onderdeel en op basis van het tussen partijen te voeren overleg een redelijk schriftelijk voorstel moet doen voor de verhuur van de Hal van Kamps aan Excelsior tegen marktconforme voorwaarden, althans dat [eiseressen c.s.] bij dat overleg zodanige instructies in acht dient te nemen die de voorzieningenrechter nodig acht; te bepalen dat de huurovereenkomst tussen partijen zal voortduren en Excelsior niet gehouden zal zijn het gehuurde te ontruimen, totdat [eiseressen c.s.] volledig en naar behoren aan de onder a en b. geformuleerde veroordeling zal hebben voldaan, met veroordeling van [eiseressen c.s.] in de kosten van dit geding. 4.2. [eiseressen c.s.] voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie en in reconventie 5.1. [eiseressen c.s.] vordert in conventie nakoming van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst en voert hiertoe het volgende aan. [eiseressen c.s.] voldoet aan de voorwaarden zoals die in artikel 1 zijn gesteld. In de brief van 14 april 2014 is de beëindiging van het gebruik van terrein Excelsior tijdig, met een termijn van drie maanden, aangezegd. [eiseressen c.s.] beschikt over de sloopvergunning. Naar het redelijk oordeel van [eiseressen c.s.] zal de voortzetting van het gebruik van terrein Excelsior door Excelsior na 15 juli 2014 de herontwikkelingsplannen belemmeren. Om te kunnen voldoen aan de met de investeerder overeengekomen opleveringsverplichting in 2016, zal de bedrijfshal op het terrein Excelsior worden gesloopt vanaf 16 juli 2014. [eiseressen c.s.] heeft daarmee ook een spoedeisend belang bij haar vordering, zo stelt zij. 5.2. Niet in geschil is dat [eiseressen c.s.] voldoende spoedeisend belang heeft bij het vragen van de voorlopige voorziening, zodat zij in haar vordering kan worden ontvangen. De onderhavige vordering heeft evenwel een zodanig vergaande strekking dat de vordering in deze procedure, waar slechts het treffen van een voorziening respectievelijk ordemaatregel aan de orde is, alleen kan worden toegewezen als er met grote mate van waarschijnlijkheid van kan worden uitgegaan dat de bodemrechter, geconfronteerd met dezelfde feiten en omstandigheden, eveneens tot toewijzing zal beslissen. 5.3. Excelsior beroept zich erop dat de voorwaarden voor beëindiging niet zijn vervuld. Excelsior heeft met de vaststellingsovereenkomst ingestemd op grond van het uitgangspunt dat zij na 31 december 2011, gedurende de uitvoering van de ‘oude’ fasen 1 en 2, tot 2016, in ieder geval in het door haar gehuurde winkeldeel van het perceel (de ‘oude’ fase 3) kon blijven zitten. Daarbij zou - indien het daaromtrent door partijen te voeren overleg succes heeft - Excelsior (aansluitend) de Hal van Kamps kunnen betrekken, hetgeen is terug te vinden in artikel 3.2 tot en met 3.4 van de vaststellingsovereenkomst. Excelsior wil niet dat op dat uitgangspunt inbreuk wordt gemaakt zonder dat op andere genoegzame wijze aan haar belangen wordt tegemoet gekomen, hetgeen dient plaats te vinden doordat over de herhuisvesting in de Hal van Kamps (nader) overleg plaatsvindt. [eiseressen c.s.] dient zich te houden aan de vaststellingsovereenkomst, inclusief de uitgangspunten die daarbij horen en de verwachtingen die daaromtrent bij Excelsior zijn gewekt, aldus Excelsior. 5.4. De voorzieningenrechter begrijpt het verweer aldus dat Excelsior stelt dat op grond van de vaststellingsovereenkomst niet tot beëindiging van de huurovereenkomst kan worden overgegaan alvorens er (al dan niet: vervolg)overleg tussen partijen heeft plaatsgehad omtrent de eventuele herhuisvesting van Excelsior in de Hal van Kamps, tot welk overleg [eiseressen c.s.] mede gehouden is op grond van de gewijzigde volgorde van de uitvoering van het ontwikkelingsplan. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende. Uitgangspunt van de vaststellingsovereenkomst is, zo blijkt uit artikel 1, de beëindiging van de huurovereenkomst per 31 december 2011. Partijen zijn overeengekomen dat voortgezet gebruik nadien mogelijk is indien “een voortgezet gebruik door huurder de verwezenlijking van het project [eiseressen c.s.] niet belemmert, een en ander ter redelijke beoordeling van verhuurder.”. Het project [eiseressen c.s.] is gedefinieerd als “de bij partijen genoegzaam bekend zijnde herontwikkeling van het gebied waarvan het gehuurde deel uitmaakt”. Zoals reeds bij de feiten is weergegeven, waren de plannen voor herontwikkeling ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, wat de volgorde van uitvoering ervan aangaat, anders dan de herontwikkeling zoals [eiseressen c.s.] die nu voor ogen heeft. De fasering die destijds het uitgangspunt was (zie 2.12) is echter niet als zodanig beschreven in de overeenkomst. Wel faciliteert artikel 3 de (bij die fasering aansluitende) mogelijkheid om de Hal van Kamps te betrekken aansluitend aan de einddatum van de huurovereenkomst, maar zij bevat evenzeer een regeling voor het geval dat niet aansluitend gebeurt. Ook behelst de overeenkomst (daar de herhuisvesting in de Hal van Kamps afhankelijk is gesteld van het overleg tussen partijen) de mogelijkheid dat van die herhuisvesting in het geheel geen sprake zal zijn. Een recht om gedurende de (‘oude’) fasen 1 en 2 tot 2016 in het gehuurde te blijven, is niet in de overeenkomst neergelegd en aldus evenmin uit de strekking ervan af te leiden. Excelsior heeft ook niet nader aangeduid waaruit dat zou blijken. Excelsior erkent daarentegen dat het [eiseressen c.s.] - ook onder de vigeur van de vaststellingsovereenkomst - vrijstaat om de volgorde van uitvoering van projectontwikkeling te wijzigen en in dat verband de huurovereenkomst op te zeggen, mits (naar Excelsior stelt) over de herhuisvesting (nader) overlegd wordt. Nu met dit een en ander is gegeven dat het door Excelsior verwoorde uitgangspunt niet een zelfstandig recht betreft, is de vraag die ter beantwoording voorligt of aan de zijde van [eiseressen c.s.] (of haar rechtsvoorganger) na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voldoende uitvoering is gegeven aan de verplichting met Excelsior te overleggen over haar eventuele herhuisvesting in de Hal van Kamps, alsmede of de gewijzigde volgorde van uitvoering van herontwikkeling ertoe noopt dat dat overleg thans (opnieuw) plaatsvindt. Indien die vragen (of één ervan) bevestigend moet worden beantwoord, is vervolgens de vraag welke betekenis die beantwoording heeft voor het door Excelsior gedane beroep op opschorting van haar ontruimingsverplichting. 5.5. Omtrent de eerstgenoemde vraag overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De relevante stukken die partijen hebben overgelegd rond het overleg met betrekking tot de eventuele herhuisvesting in de Hal van Kamps (voor en kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst), hebben de volgende inhoud (kort samengevat en deels geadstrueerd met citaten uit de desbetreffende correspondentie): a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.