RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661255-14 Vonnis van de politierechter van 21 juli 2014 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1980] te [geboorteplaats] wonende aan [adres], [woonplaats 1]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2014 na verwijzing door de meervoudige strafkamer naar deze politierechter. De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman, mr. J.H.P.C. Swarts, advocaat te Soest, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 7 augustus 2012 tot en met 6 augustus 2013 in [woonplaats 2] en/of [vestigingsplaats] faillissementsfraude heeft gepleegd door haar administratie niet in ongeschonden staat aan de curator ter beschikking te stellen. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze politierechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij baseert zich hiertoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de politierechter Vrijspraak De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen gelet op het navolgende. De curator in het faillissement van verdachte heeft aangegeven dat de administratie van de eenmanszaak van verdachte niet volledig is, omdat de administratie over de laatste maanden dat de winkel open was ontbreekt, terwijl er toen wel omzet is gerealiseerd. De verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat deze administratie wellicht is weggegooid dan wel is kwijtgeraakt bij haar verhuizing. Ter terechtzitting heeft zij verklaard dat zij zich thans realiseert dat zij door privé problemen in die tijd geen administratie heeft bijgehouden. De verdediging heeft zich derhalve op het standpunt gesteld dat deze administratie er niet is en dus niet overgelegd kan worden. Op grond van artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt op grond van artikel 340, aanhef, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, is dat zij de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarmee zij op grond van bovengenoemd artikel in het kader van haar eenmanszaak een administratie heeft gevoerd en die zij ingevolge dat artikel heeft bewaard, niet in ongeschonden staat (voor de curator) te voorschijn heeft gebracht. In dit artikel is alleen het niet in ongeschonden staat te voorschijn brengen van bovengenoemde bewaarde gegevens strafbaar gesteld. Het niet-administreren is in dit artikel niet strafbaar gesteld. Zelfs als zou de administratie zijn gevoerd en later zijn weggegooid, dan nog is niet voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 340, aanhef, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte moet, gelet op het voorgaande, worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 5Beslissing De politierechter: Vrijspraak Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze politierechter van 21 juli 2014. BIJLAGE: de tenlastelegging Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat zij, in of omstreeks de periode 7 augustus 2012 tot en met 6 augustus 2013 te [woonplaats 2] en/of te [vestigingsplaats], althans in Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 7 augustus 2012 in staat van faillissement is verklaard, de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers waarmee verdachte ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een administratie gevoerd heeft, en/of de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers die verdachte ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn heeft gebracht; immers heeft zij, verdachte, geen (volledige) administratie uitgeleverd/overhandigd aan de door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht in bovengenoemd faillissement aangestelde curator. art 340 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.