RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingslocatie Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: C/16/359427 / HA RK 13-341 beslissing van 15 januari 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van: [verzoeker] (hierna ook te noemen: [verzoeker]), verzoeker. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 16 december 2013; - het wrakingsverzoek van [verzoeker]; - de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. E.J. van Rijssen; - de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 7 januari
- 1.
- Bij de mondelinge behandeling zijn de gewraakte rechter alsmede mr. Siebenga (advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak: mevrouw [A]) verschenen. Mr. Brom (advocaat van [verzoeker]) heeft per fax van 6 januari 2014 laten weten dat haar cliënt noch zij ter zitting van de wrakingskamer zullen verschijnen. 1.
- De uitspraak is bepaald op heden. 2Het wrakingsverzoek 2.
- Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E.J. van Rijssen, rechter in de afdeling familierecht van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van het verzoek tot het geven van voorlopige voorzieningen, geregistreerd onder zaaknummer / rekestnummer: C/16/357997 / FA RK 13-
- 2.
- [verzoeker] heeft aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat door mr. Siebenga op de dag van de zitting nog een pakket aan stukken is overgelegd en zij de gelegenheid heeft gekregen om hieruit stukken integraal voor te lezen. Op die manier heeft mr. Van Rijssen inhoudelijk kennis genomen van deze stukken. [verzoeker] stelt hiertegen bezwaar te hebben gemaakt omdat hij niet in de gelegenheid is geweest de juistheid van de voorgelezen verklaringen te controleren en omdat hij in zijn mogelijkheden van verweer is geschaad. Mr. Van Rijssen is aan dit bezwaar geheel voorbij gegaan, aldus [verzoeker]. [verzoeker] heeft voorts aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat blijkens mededeling van mr. Van Rijssen ter zitting, 10 dagen na de zitting, doch uiterlijk op 31 december 2013, uitspraak zou worden gedaan. Een dag na de zitting is de advocaat van [verzoeker] echter door de rechtbank telefonisch meegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 19 december
- Volgens [verzoeker] heeft het er alle schijn van dat mr. Van Rijssen de uitspraakdatum wenste te vervroegen in het nadeel van [verzoeker] zodat zij het gebruik van de voormalige echtelijke woning nog voor de kerst kan toewijzen aan [A]. Over een vervroegde uitspraakdatum hebben partijen geen overleg gehad. Het heeft er volgens [verzoeker] alle schijn van dat er na afloop van de zitting contact is geweest tussen mr. Van Rijssen en mr. Siebenga. 2.
- Mr. Van Rijssen heeft naar voren gebracht dat bij een voorlopige voorzieningen procedure nog stukken mogen worden overgelegd tot aan de zitting. Ter zitting zijn de door (de advocaat van) [A] ingediende stukken uitvoerig besproken. Noch [verzoeker], noch zijn advocaat heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Er is niet verzocht om een leespauze. Alle partijen zijn in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en aan beide partijen zijn vragen gesteld. In de herinnering van mr. Van Rijssen heeft zij ter zitting gezegd dat de uitspraak zou plaatsvinden op 23 of 30 december 2013, of zoveel eerder als mogelijk maar dat ze niets kon garanderen. Mr. Van Rijssen stelt voorts geen contact te hebben gehad met mr. Siebenga. 3De beoordeling 3.
- Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. 3.
- Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. Van Rijssen jegens [verzoeker]. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees dat mr. Van Rijssen jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. 3.
- De rechtbank stelt voorop dat het, zoals mr. Van Rijssen ook stelt, gebruikelijk is dat in een voorlopige voorzieningen procedure nog stukken worden ingediend tot kort voor de zitting. Zo ook in de onderhavige hoofdzaak. Uit het wrakingsverzoek, alsook uit de verklaring van mr. Siebenga ter zitting van de wrakingskamer, kan worden afgeleid dat (de advocaat van) [verzoeker] deze stukken voor aanvang van de zitting in de hoofdzaak heeft ontvangen. Het had dan ook op de weg van [verzoeker] gelegen om, op het moment dat mr. Siebenga uit deze producties ging voorlezen, mee te lezen teneinde de juistheid van het voorgelezene te controleren. Dit heeft hij kennelijk niet gedaan. De stelling dat [verzoeker] niet, althans niet uitvoerig, in de gelegenheid is gesteld om op deze nadere stukken te reageren vindt geen steun in het proces-verbaal van die zitting en wordt ook weersproken door mr. Siebenga. 3.
- Ten aanzien van de uitspraak stelt mr. Van Rijssen dat zij zich meent te herinneren dat zij ter zitting heeft gezegd dat deze zal plaatsvinden op 23 of 30 december 2013 of zoveel eerder als mogelijk, maar dat ze niets kan garanderen. Mr. Siebenga heeft deze stelling ondersteund. Anders dan [verzoeker] wil doen voorkomen, kan het dan ook niet als een verrassing zijn gekomen dat eerder uitspraak is gedaan. Wat daar ook van zij, voor de beantwoording van de vraag of de uitspraakdatum op zichzelf voldoende grond oplevert om het wrakingsverzoek toe te wijzen, geldt dat er onvoldoende is gesteld of gebleken om te kunnen concluderen dat uit deze datum valt af te leiden dat er sprake is van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid aan de zijde van mr. Van Rijssen. 3.
- [verzoeker] stelt voorts dat het er alle schijn van heeft dat er na afloop van de zitting contact is geweest tussen mr. Van Rijssen en mr. Siebenga. Dit wordt door zowel mr. Van Rijssen als mr. Siebenga weersproken. 3.
- Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat mr. Van Rijssen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens [verzoeker] dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen. 4De beslissing De rechtbank: 4.
- wijst het verzoek tot wraking van mr. Van Rijssen af; 4.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan (de raadslieden van) [verzoeker] en [A], mr. Van Rijssen alsmede aan de voorzitter van de afdeling familie en de president van deze rechtbank; 4.
- bepaalt dat de hoofdzaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. C.J. Hofman, voorzitter, mr. P.S. Elkhuizen en mr. P. Bender, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. van der Landen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari
- de griffier mr. P.S. Elkhuizen Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.