RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummers: 16-650805-12, 16-650807-12 en 16-711925-11 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 8 augustus 2014 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1949], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [woonplaats], [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014, 25 april 2014 en 25 juli 2014. De verdachte is niet in persoon verschenen, maar heeft zich ter terechtzitting door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, laten verdedigen. De bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken met bovengenoemde parketnummers zijn ter terechtzitting gevoegd en tegelijk met deze strafzaken is ook de ontnemingsvordering met parketnummer 16-711725-11 behandeld. Voorts zijn de zaken van verdachte tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16-650804-12, 16-650809-12 en 16-711921-11) en [medeverdachte 2] (16-650808-12 en 16-711923-11). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is ter terechtzitting gewijzigd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om haar beslissing, tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging, te herroepen, omdat er geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal haar beslissing ten aanzien van 16-711925-11, feit 1, niet herroepen. Met de toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is ‘op of omstreeks 24 oktober 2011’ gewijzigd in ‘op een of meer tijdstippen in de periode van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011’. Dit betreft enkel een verruiming van de ten laste gelegde periode en deze wijziging leidt niet tot een ander feitencomplex. Het ten laste gelegde feit betreft een voortdurend delict. Een dergelijke vordering tot wijziging van de tenlastelegging is volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 24 december 2002, NJ 2003/245) toelaatbaar. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 16-650805-12 in de periode van 22 juni tot en met 19 juli 2010 te [plaats] samen met anderen feit 1: in een pand aan de [adres] primair opzettelijk 572 hennepplanten heeft geteeld, subsidiair voornoemd feit niet opzettelijk heeft gepleegd; feit 2: elektriciteit heeft gestolen van Stedin BV; 16-650807-12 in de periode van 6 januari tot en met 24 februari 2011 te [plaats] samen met anderen feit 1: in een pand aan de [adres] opzettelijk 3510 hennepplanten heeft geteeld; feit 2: elektriciteit heeft gestolen van Stedin BV; feit 3: een elektriciteitswerk heeft vernield; 16-711925-11 in de periode van 18 juli tot en met 24 oktober 2011 te [plaats] samen met een ander feit 1: in een pand aan de [adres] opzettelijk 1123 hennepplanten heeft geteeld; feit 2: elektriciteit heeft gestolen van Stedin BV; feit 3: een elektriciteitswerk heeft vernield. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 16-650805-12 heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om de verdachte daarvan vrij te spreken. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 16-650807-12 en 16-711925-11 heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat geen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en verzoekt de rechtbank dan ook om de verdachte integraal vrij te spreken. De verdediging heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd. Ten aanzien van 16-650807-12 Het binnentreden van het pand aan de [adres] was onrechtmatig. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en al het bewijs dat uit dit binnentreden is voortgekomen moet worden uitgesloten van het bewijs. De aanhouding van verdachte was onrechtmatig. Ook dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en al het bewijs dat uit deze aanhouding is voortgekomen moet worden uitgesloten van het bewijs. Voorts mag de verklaring van de getuige [getuige] niet worden gebruikt als bewijs, omdat de verdediging hem niet heeft kunnen horen. Daarnaast is de zeer summiere bekentenis van verdachte, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze is afgelegd, onvoldoende voor het – overtuigend – bewijs van het ten laste gelegde. Ten aanzien van 16-711925-11 Het binnentreden in de woning aan de [adres] was onrechtmatig, omdat slechts een machtiging was afgegeven voor het pand aan de [adres]. Ook het binnentreden van het pand aan de [adres] was onrechtmatig. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en al het bewijs dat uit dit binnentreden is voortgekomen moet worden uitgesloten van het bewijs. De aanhouding van verdachte was eveneens onrechtmatig. Dit is wederom een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en al het bewijs dat uit deze aanhouding is voortgekomen moet worden uitgesloten van het bewijs. Tot slot is ook bij dit feit de zeer summiere bekentenis van verdachte, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze is afgelegd, onvoldoende voor het – overtuigend – bewijs van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak ten aanzien van 16-650805-12 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals deze zijn ten laste gelegd onder parketnummer 16-650805-12 en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enige manier betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij. 4.3.2 Bewezenverklaring ten aanzien van 16-650807-12 en 16-711925-11 De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 16-650807-12 en 16-711925-11 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende. Overwegingen ten aanzien van de verklaring van verdachte De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van verdachte onvoldoende is voor het – overtuigend – bewijs van het ten laste gelegde. Ten eerste is de verklaring van verdachte zeer summier en ten tweede heeft verdachte deze verklaring afgelegd, omdat hij wilde dat zijn dochter op vrije voeten zou komen. Verdachte was zeer emotioneel en stelt zelfs dat hij een valse bekentenis heeft afgelegd. De rechtbank zal de bekennende verklaring van verdachte in volle omvang meewegen bij het bewijs. De verklaring van verdachte is weliswaar summier, maar de rechtbank ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Zijn verklaring wordt ondersteund door ander bewijs en een ander scenario is bovendien niet aannemelijk geworden. 4.3.2.1 Aanvullend ten aanzien van 16-650807-12 Overwegingen ten aanzien van het binnentreden in de schuur De verdediging heeft bepleit dat de politie het perceel aan de [adres] onrechtmatig is binnengetreden, omdat er geen sprake was van voldoende verdenking dat zich aldaar een hennepkwekerij zou bevinden. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, waardoor al hetgeen dat uit dit binnentreden is voortgekomen moet worden uitgesloten van bewijs. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat er wel degelijk sprake was van voldoende verdenking. In januari 2011 waren diverse zware zekeringen in een transformatorhuisje aan de [adres] doorgebrand. Uit onderzoek bleek dat dit kwam door het stroomverbruik dat liep over een kabel die een aantal panden, waaronder de [adres], voorzag van stroom. De politie wist dat in het pand aan de [adres] eerder een hennepkwekerij had gezeten en een warmtemeting op 19 januari 2011 wees erop dat er in dat specifieke perceel wederom een hennepkwekerij zou zitten. Dit alles bij elkaar levert voldoende verdenking op. Het binnentreden was dan ook rechtmatig, waardoor er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Overwegingen ten aanzien van het gebruik van de verklaring van getuige [getuige] De verdediging heeft voorts bepleit dat de verklaring van de getuige [getuige] niet bruikbaar is voor bewijs, omdat de verdediging hem niet heeft kunnen horen. De verdediging verwijst daarbij naar jurisprudentie in het kader van Vidgen tegen Nederland. De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het verweer treft enkel doel wanneer de verklaring van de betwiste getuige ‘sole and decisive’, oftewel de enige en beslissende, is. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van het Europees Hof voor Rechten van de Mens in de zaak Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, LJN: BX3071) en naar een uitspraak van de Hoge Raad waarin wordt ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor Nederland (HR 29 februari 2013, LJN: BX5539). De verklaring van getuige [getuige] is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar belangrijk, maar niet ‘sole and decisive’. Met andere woorden: diens verklaring vormt niet uitsluitend en in beslissende mate het belastende bewijs dat verdachte de eigenaar van de hennepkwekerij was. De verklaring van [getuige] wordt daarin met name gesteund door de verklaring van verdachte zelf. Het bewijs Op 24 februari 2011 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen aan de [adres] te [plaats]. In de kwekerij vond de politie onder andere 3510 hennepplanten. De politie heeft monsters genomen en testen uitgevoerd. De testen gaven een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Stedin BV heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij in de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011, zijnde een deel van een hennepoogst van 49 dagen. Deze periode is gebaseerd op de bevindingen van een medewerker van Stedin in de schuur aan de [adres], inhoudende de aanwezigheid van hennepplanten van 49 dagen oud. De medewerker van Stedin zag bij controle van de elektrische installatie in de meterkast van het pand dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken en dat er aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen een elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten vóór de elektriciteitsmeter, zodat alle elektriciteit die via deze kabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Bij het volgen van de elektriciteitskabel zag de medewerker van Stedin dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien. Doordat de deksels en afdekplaten niet meer aanwezig waren op de netcomponenten, waren onder spanning staande delen niet meer voldoende beschermd. Voorts was er een illegale aftakking tussen de hoofdbeveiliging in de hoofdaansluitkast en de elektriciteitsmeter geplaatst, waarbij de hoofdbeveiliging tevens was verzwaard. Indien een beveiliging niet is afgestemd op de installatie, dan bestaat de kans op brandgevaar bij overbelasting of kortsluiting. De politie heeft de hennepkwekerij getoetst aan de indicatoren voor bedrijfsmatig handelen. Daarbij werd vastgesteld dat in de kwekerij een grote hoeveelheid aan hennepplanten werd gekweekt en dat gebruik werd gemaakt van kunstlicht (assimilatielampen) op tijdklokken, een centraal geregeld bevloeiingssysteem, isolatie van daglicht en temperatuur, ventilatie met afzuiging naar buiten, een bodem van aarde en potgrond en vangstrips voor ongedierte. Uit gegevens van het Kadaster blijkt dat de schuur aan de [adres] te [plaats] eigendom is van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Uit een huurovereenkomst blijkt dat voornoemde schuur per 1 januari 2011 door hiervoor genoemde personen werd verhuurd aan [verdachte]. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] regelmatig in de schuur aanwezig was. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij eigenaar is van de hennepkwekerij die is aangetroffen in de schuur aan de [adres] te [plaats]. Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 1 De rechtbank acht, gelet op de hoeveelheid hennepplanten en gelet op de indicatoren voor bedrijfsmatig handelen – waaraan de politie de hennepkwekerij heeft getoetst – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hennep heeft gekweekt in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf. Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 3 De rechtbank neemt als uitgangspunt dat elke verstoring in de levering van stroom, de levering van stroom ten algemene nutte stoort en dat elke verstoring aan het openbare elektriciteitsnet gemeen gevaar voor goederen oplevert. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn handelen een stoornis in de gang en/of in de werking van een elektriciteitswerk heeft veroorzaakt en ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, terwijl daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte is ontstaan en terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. 4.3.2.2 Aanvullend ten aanzien van 16-711925-11 Overwegingen ten aanzien van het binnentreden in de woning De verdediging heeft de onrechtmatigheid van het binnentreden van de woning aan de [adres] bepleit. Nu de verdediging hieraan geen conclusies heeft verbonden en voorts de ‘schutznorm’ van toepassing is – waardoor verdachte door de eventuele onrechtmatigheid niet in zijn belangen is geschaad – behoeft dit verweer geen verdere bespreking. Overwegingen ten aanzien van het binnentreden in de schuur De verdediging heeft bepleit dat de politie het perceel aan de [adres] onrechtmatig is binnengetreden, omdat er geen sprake was van voldoende verdenking dat zich aldaar een hennepkwekerij zou bevinden. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, waardoor al hetgeen dat uit dit binnentreden is voortgekomen moet worden uitgesloten van bewijs. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat er wel degelijk sprake was van voldoende verdenking. In februari 2011 is een hennepkwekerij ontmanteld aan de [adres], nadat in een transformatorhuisje in die straat zekeringen waren doorgebrand wegens buitengewoon stroomverbruik. Op 29 juli 2011 werd de politie gebeld door een onbekend gebleven persoon met de mededeling dat in hetzelfde perceel wederom een hennepkwekerij zou zitten. Vervolgens zijn een aantal stroommetingen gedaan die dit vermoeden bevestigden. Dit alles bij elkaar levert voldoende verdenking op ten aanzien van de gebruikers van dit specifieke perceel. Het binnentreden was dan ook rechtmatig, waardoor er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Overwegingen ten aanzien van de aanhouding van verdachte De verdediging heeft de onrechtmatigheid van de aanhouding van verdachte bepleit, omdat voor het kennelijk voorafgaand aan de aanhouding gegeven bevel voor aanhouding buiten heterdaad geen dan wel onvoldoende basis was. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en de verdediging is dan ook van mening dat al het bewijs dat uit deze onrechtmatige aanhouding is voortgekomen moet worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Verdachte is blijkens het dossier op 25 oktober 2011 buiten heterdaad aangehouden. Op grond van het dossier kan niet zonder meer worden vastgesteld of deze aanhouding buiten heterdaad op juiste wijze is verlopen, namelijk dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden met toestemming van de officier van justitie. Evenmin is vast te stellen of op het moment van de toestemming een redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van [verdachte]. Kort na de ontdekking van de hennepkwekerij was [verdachte] namelijk nog niet in beeld als verdachte. De rechtbank zal aan dit verzuim echter geen consequenties verbinden, nu er op het moment van de feitelijke aanhouding, gezien de locatie en de omstandigheden, wel degelijk sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, waarbij de verdachte zelfs op heterdaad had kunnen worden aangehouden. Daarbij is het volgende van belang. Op 25 oktober 2011, de dag na ontdekking en ruiming van de hennepkwekerij, kwam de politie wederom ter plaatse bij de – resten van – de hennepkwekerij. De politie hoorde vervolgens een mannenstem uit de schuur vandaan komen. De politie heeft meermalen geroepen: ‘politie, maak jezelf bekend, kom tevoorschijn’, maar de man kwam niet tevoorschijn. De politie zag uiteindelijk dat achter de afzuiginstallatie een man zich verstopte. Dit bleek [verdachte] te zijn. Dit leverde een redelijk vermoeden van schuld op die in dit gegeven geval een aanhouding rechtvaardigde. Het bewijs Op 24 oktober 2011 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen aan de [adres] te [plaats]. In de kwekerij vond de politie onder andere 1123 hennepplanten. De politie heeft monsters genomen. De geselecteerde planten hadden de uiterlijke kenmerken van hennepplanten en gaven bij het testen een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Stedin BV heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij in de periode van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011, zijnde een volledige hennepoogst van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 28 dagen. Deze periode is gebaseerd op de bevindingen van een medewerker van Stedin in de schuur aan de [adres] te [plaats], inhoudende: een laag stof op de kappen van de aanwezige assimilatielampen, vervuiling van de koolstoffilters, de aanwezigheid van droge afvalbladeren en droge resten van hennepplanten op de vloer, de aanwezigheid van scharen met restanten van hennepproducten, de aanwezigheid van een dikke kalkaanslag op het zeil dat op de vloer lag en de aanwezigheid van hennepplanten van 28 dagen oud. Voornoemde medewerker van Stedin heeft verder waargenomen dat er vanaf het woonhuis aan de [adres] een kabel was gelegd naar de schuur op [adres]. Op deze kabel stond een afzuigventilator ten behoeve van de hennepkwekerij op de benedenverdieping van [adres] en de tl-verlichting van [adres] aangesloten. De medewerker van Stedin zag voorts bij controle van de elektrische installatie in de meterkast van het pand aan de [adres] dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken en dat de deksel was verwijderd. Er was een illegale kabel aangesloten op de zekeringen, waardoor er elektriciteit werd afgenomen zonder tussenkomst van een elektriciteitsmeter. Bij het volgen van de elektriciteitskabel zag de medewerker van Stedin dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien. Doordat de deksels niet meer aanwezig waren op de hoofdaansluitkast, waren de onder spanning staande delen niet meer voldoende beschermd. Voorts was er een illegale aftakking tussen de hoofdbeveiliging in de hoofdaansluitkast en de elektriciteitsmeter geplaatst, waarbij de hoofdbeveiliging tevens was verzwaard. Indien een beveiliging niet is afgestemd op de installatie, dan bestaat de kans op brandgevaar bij overbelasting of kortsluiting. De politie heeft de hennepkwekerij getoetst aan de indicatoren voor bedrijfsmatig handelen. Daarbij werd vastgesteld dat gebruik werd gemaakt van kunstlicht (assimilatielampen) op tijdklokken, een centraal geregeld bevloeiingssysteem, isolatie van daglicht en temperatuur, ventilatie met afzuiging naar buiten, een bodem van aarde en potgrond en vangstrips voor ongedierte. Uit gegevens van het Kadaster blijkt dat de schuur aan de [adres] te [plaats] eigendom is van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Uit een huurovereenkomst blijkt dat voornoemde schuur per 1 januari 2011 door hiervoor genoemde personen werd verhuurd aan [verdachte]. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij eigenaar is van de hennepkwekerij die is aangetroffen in de schuur aan de [adres] te [plaats]. Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 1 De rechtbank acht, gelet op de hoeveelheid hennepplanten en gelet op de indicatoren voor bedrijfsmatig handelen – waaraan de politie de hennepkwekerij heeft getoetst – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hennep heeft gekweekt in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf. Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 3 De rechtbank neemt als uitgangspunt dat elke verstoring in de levering van stroom, de levering van stroom ten algemene nutte stoort en dat elke verstoring aan het openbare elektriciteitsnet gemeen gevaar voor goederen oplevert. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn handelen een stoornis in de gang en/of in de werking van een elektriciteitswerk heeft veroorzaakt en ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, terwijl daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte is ontstaan en terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 16-650807-12 feit 1 in de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 te [plaats], in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of heeft verwerkt in een pand aan de [adres], een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, van (in totaal) ongeveer 3510 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; feit 2 op tijdstippen gelegen in de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; feit 3 in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 in [plaats], opzettelijk, voor de stroomvoorziening in een pand gelegen aan de [adres], een stoornis in de gang en/of in de werking van een elektriciteitswerk heeft veroorzaakt en ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, terwijl daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte is ontstaan en terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest, immers heeft hij in dat pand opzettelijk - de zegels van de hoofdaansluitkast (van de elektriciteitsinstallatie) verbroken en - het deksel van de aansluitkast verwijderd en - ( vervolgens) een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt en - de zekering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.