RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/600888-11 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 5 februari 2014 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres 1] te [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 januari 2014, waarbij de officier van justitie en de raadsman, mr. A. van der Waal, advocaat te Amsterdam, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van materiaal bevattende MDMA en/of materiaal bevattende amfetamine en/of materiaal bevattende PMMA; feit 2: samen met ander opzettelijk een (grote) hoeveelheid MDMA en/of PMMA aanwezig heeft gehad dan wel medeplichtig is geweest bij/tot het samen met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een (grote) hoeveelheid MDMA en/of PMMA. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd en er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 3.1 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De rechtbank is van oordeel dat officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. De raadsman van verdachte heeft subsidiair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Nu het primair gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van verdachte voor beide ten laste gelegde feiten, slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van het gevoerde verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte van beide ten laste gelegde feiten vrij te spreken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte is aangehouden op 7 september 2011 nadat in een door hem gehuurde garage aan [adres 2] te Baarn een productielocatie voor synthetische drugs (MDMA) werd aangetroffen. In een daarnaast gelegen, eveneens door verdachte gehuurde loods, is een droog- en tabletteerruimte aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze ruimten onderverhuurde aan zijn zoon [medeverdachte 1]de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) en dat hij niets met de productielocatie of de droog-/tabletteerruimte te maken heeft. Verdachte heeft ook verklaard dat hij ook niet van het bestaan van de productielocatie en de droog-/tabletteerruimte op de hoogte was. Deze verklaring van verdachte vindt bevestiging in de verklaringen van de (inmiddels overleden) medeverdachte [medeverdachte 3]. Uit de verklaringen van diverse getuigen, de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is evenmin gebleken dat bij verdachte enige (concrete) wetenschap bestond met betrekking tot de productielocatie en de droog-/ tabletteerruimte. Hoewel uit het dossier kan worden afgeleid dat bij verdachte het vermoeden bestond dat zijn zoon en [medeverdachte 3] bezig waren om ‘iets’ op te zetten, waarbij verdachte dacht aan het maken van alcohol of alcoholconcentraat, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij (het verrichten van voorbereidingshandelingen ten behoeve van) de productielocatie en de droog-/tabletteerruimte noch dat er bij verdachte enige wetenschap ten aanzien van (de voorbereidingshandelingen ten behoeve van) de productielocatie en/of de droog-/tabletteerruimte bestond. De rechtbank zal verdachte daarom van beide ten laste gelegde feiten vrijspreken. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 5Beslissing De rechtbank: Vrijspraak Spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2014. BIJLAGE: De tenlastelegging 1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 7 september 2011 te Baarn en/of Amsterdam en/of Hilversum en/of (elders) in Nederland om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.