RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummers: 16/661749-13 en 16/703253-13 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 september
(564)V Hoeveel heb je nu? T 160 V En straks. Straks mij het geld geven. Op 6 december 2013 ontving [slachtoffer 2] het volgende sms-bericht van de telefoon van verdachte: “Zeg tegen die mensen vandaar ja voor mezelf enzo als ze moeilijk doen en wiss alles van je telefoon”. Over de tap komt ook een telefoongesprek van 6 december 2013, 19.22 uur, waarin [slachtoffer 2] contact heeft met verdachte en zegt dat de zedenpolitie niet kan komen en dat ze morgenochtend terug moet komen. Verdachte zegt misschien een andere plek, maar daar moet ze ook wachten op de zedenpolitie. Verdachte reageert geïrriteerd en [slachtoffer 2] vraagt waar ze dan naartoe moet. Verdachte zegt dat het voor hem ook vervelend is. In de verwijderde berichten werd gezien dat op 10 december 2013 het volgende sms contact tussen voornoemde telefoonnummers plaatsvond: V Schatje ik hou van je T Ik ook heel veel van jou V Geen gekke dingen doen schatje / je bent me leven T Doe ik alleen met jou, jij ook niet he / ik wil jou nooit meer kwijt V Baby ben je al onderweg naar daar / Vandaag verdienen baby, pak ze allemaal / Heb je al iets? / Hoe gaat het schat? / Hee / Reageer hallo / Hoeveel heb je dan? gaat het goed nu? / Maar morgen iedereen he? / Hou van je / Gelijk naar huis en morgen echt strijden / Ga ook ietsje eerder schat / Is beter pak al die kk mensen ja [slachtoffer 2] heeft naar aanleiding over de tapgesprekken, sms- en app-berichten het volgende bij de rechter-commissaris verklaard: “U houdt mij inkomende sms-berichten voor afkomstig van Mannetjee. Dat is [verdachte]. Het klopt dat ik verdachte steeds moest laten weten wat ik verdiende. U vraagt mij of ik weet waarom ik niet veel met die meisjes mocht praten. Dat was de eerste dag dat ik in Alphen aan de Rijn ging werken. Ik weet niet waarom ik niet met die meisjes mocht praten. Het huis dat ik wilde gaan huren voor ons twee moest betaald worden van mijn werk. [verdachte] zei dat ik alles moest wissen uit mijn telefoon zodat de politie niet iets zou zien. Hij vroeg altijd wat ik verdiend had. Barkie is 100 euro. U zegt mij dat u hebt gelezen dat hij mij aanmoedigt om 6 barkie te halen en dat wij dan ‘s avonds seks zouden hebben (pagina 102). Ja, dat weet ik nog wel. We zouden pas seks hebben als ik die 600 euro had. Hij vond dat ik door moest werken.” Verdachte heeft ter terechtzitting over de tapgesprekken, sms- en app-berichten verklaard dat hij daarin vroeg naar de inkomsten van [slachtoffer 2]. Inleidende opmerkingen Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - mensenhandel zoals omschreven in artikel 273f Sr. Wezenlijk bestanddeel van diverse varianten van het delict mensenhandel is dat sprake is van uitbuiting en/of dat het oogmerk van verdachte daarop is gericht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat instemming met seksuele uitbuiting niet in de weg hoeft te staan aan bewezenverklaring van die uitbuiting, indien één van de in de wet omschreven dwangmiddelen is gebruikt. De beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Er hoeft geen sprake te zijn geweest van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was. Tot slot mag de rechter (mede) uit de omstandigheden afleiden dat er sprake is van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misbruik van een kwetsbare positie. Daarbij geldt als criterium de "gemiddelde mondige prostituee in Nederland", die zelf bepaalt voor wie, maar ook waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt. Vereist is wel dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene, waaruit het overwicht voortvloeit. Een bewezenverklaring van mensenhandel ingevolge artikel 273f lid 1 Sr kan volgen indien (
- i)verdachte een persoon met het oogmerk van uitbuiting door gebruik van dwangmiddelen heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen (te weten: handelingen) (artikel 273f lid 1 sub 1 Sr), (
- ii)verdachte door het hanteren van dergelijke middelen een persoon gedwongen heeft of bewogen heeft zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (artikel 273f lid 1 sub 4 Sr), (iii) verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander persoon (artikel 273f lid 1 sub 6 jo. lid 2 Sr) of (
- iv)verdachte door het hanteren van voornoemde middelen een persoon heeft gedwongen dan wel heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen (artikel 273f lid 1 sub 9 Sr). In de hierna te volgen bewijsoverweging zal op deze onderdelen worden ingegaan. Bewijsoverweging De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van loverboyproblematiek, en dus van een complexe liefdesrelatie, waarin de vermeende slachtoffers de verdachte in verregaande mate steunen en ontkennen slachtoffer van hem te zijn. In dergelijke zaken maken gevoelens van loyaliteit, verliefdheid, schaamte en angst (kennelijk) dat een slachtoffer pas later durft of kan verklaren wat haar is overkomen. Zo ook in deze zaak. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat [slachtoffer 2] geen aangifte heeft willen doen en in eerste instantie niet belastend over verdachte heeft verklaard. Eerst bij de rechter-commissaris heeft zij een belastende verklaring afgelegd, en dan nog is zij van mening dat zij niet tot prostitutiewerkzaamheden is gedwongen omdat verdachte haar niet heeft mishandeld of een mes op haar keel heeft gezet. Deze latere belastende verklaring van [slachtoffer 2] wordt op wezenlijke onderdelen ondersteund door verklaringen van anderen, alsmede door bevindingen en de inhoud van vele tapgesprekken en Whatsapp- en sms-berichten. De verklaringen van [slachtoffer 2] bij de politie vinden geen steun in het dossier (voor zover deze het vrijwillige werk in de prostitutie betreffen) en daaraan zal de rechtbank dan ook (voor dat gedeelte) voorbijgaan. Dwangmiddelen (artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 9 Sr) De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor bewezen verklaarde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, verdachte [slachtoffer 2] heeft misleid, misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht jegens [slachtoffer 2] en misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] was ten tijde van haar ontmoeting met verdachte een 18-jarige jonge vrouw met een laag IQ. Volgens haar moeder, en ook volgens haar zus en [Y], was zij beïnvloedbaar door jongens en naïef. De inspecteur van de zedenpolitie merkte op dat [slachtoffer 2] de indruk maakt een laag IQ te hebben. Dit was kennelijk evident. Verdachte heeft van deze eigenschappen van [slachtoffer 2] misbruik gemaakt. Hij is met [slachtoffer 2] in contact gekomen en is met haar een liefdesrelatie aangegaan, althans hij heeft bij [slachtoffer 2] de indruk gewekt dat sprake was van een liefdesrelatie. Dit terwijl verdachte tegen zijn zus heeft verklaard dat hij helemaal niet verliefd was op [slachtoffer 2] en geen relatie met haar had. Bovendien had hij kennelijk nog een relatie met een ander meisje, waarvan [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij daarvan niet wist. Hij heeft [slachtoffer 2] dus ook misleid. Verdachte heeft van de situatie misbruik gemaakt door [slachtoffer 2] voor te stellen in de prostitutie aan het werk te gaan om hem zo te helpen zijn schulden af te lossen. Hij regelde, zonder dat aan [slachtoffer 2] kenbaar te maken, dat zij in contact kwam met [Y] die haar in de prostitutiewereld in Den Haag zou introduceren. Hij bemoeide zich met de gang van zaken rond haar werkzaamheden, zoals het inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Verdachte gaf [slachtoffer 2] enerzijds het idee dat hij van haar hield en dat zij bijzonder voor hem was, dat zij zouden gaan samenwonen en dat zij van het door het verdiende geld zouden sparen en op vakantie zouden gaan. Anderzijds controleerde hij haar continue tijdens haar werkzaamheden, spoorde hij haar aan om meer te verdienen (onder andere door te zeggen dat zij anders geen sex zouden hebben), gaf hij haar instructies (dat zij niet teveel mocht praten, dat zij vroeger moest beginnen, aan welke kant zij moest staan, dat zij oogcontact moest maken, dat zij harder moest werken en meer moest verdienen) en bewoog hij haar haar inkomsten aan hem af te staan. Voorts liet hij haar onomwonden weten dat hij vond dat zij te weinig verdiende en dat hij meisjes kende die het veel beter deden. [slachtoffer 2] raakte voorts door dit alles verwijderd van haar familie, liep, nadat haar moeder haar had geconfronteerd met haar prostitutiewerk, weg van huis en overnachtte daarna bij de zus van verdachte en ging niet meer naar haar werk bij Mc Donalds. Hierdoor zag zij zich steeds meer in een jegens verdachte afhankelijke positie geplaatst worden. Dat [slachtoffer 2] zich ook misbruikt en misleid heeft gevoeld, blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris, waarin zij aangeeft dat als zij achteraf kijkt naar wat er gebeurd is het wel logisch is dat het geen echte relatie was die zij met verdachte had. Handelingen (artikel 273 f lid 1 sub 1 Sr) Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met het idee van het werk in de prostitutie kwam. Hij had schulden en vond dat [slachtoffer 2] te weinig verdiende. Hij heeft [slachtoffer 2] -via een ander- in contact gebracht met [Y], die reeds in de prostitutie werkzaam was en regelde dat [slachtoffer 2] een werkplek in Den Haag kreeg en met haar van Utrecht naar Den Haag reisde. Voorts staat vast dat verdachte en [slachtoffer 2] tijdelijk samen op het adres van zijn zus waren gehuisvest en dat [slachtoffer 2] later bij [Y], werd ondergebracht. Oogmerk van uitbuiting / uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1, 6 Sr jo. artikel 273 f lid 2 Sr) De rechtbank stelt hierbij voorop dat het hebben van een oogmerk tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg veronderstelt. Het oogmerk van uitbuiting is in het onderhavige geval gelegen in het verkrijgen van eigen financieel gewin. Uit de tapgesprekken en app-en sms-berichten die verdachte heeft gevoerd maakt de rechtbank op dat verdachte voor ogen had om zoveel mogelijk geld te verkrijgen en te verzamelen uit de door [slachtoffer 2] te verrichten prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank stelt bovendien vast dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting heeft gehad, maar ook dat verdachte [slachtoffer 2] daadwerkelijk heeft uitgebuit. Verdachte had zelf geen werk of uitkering. Hij leefde kennelijk van het geld dat [slachtoffer 2] verdiende met haar prostitutiewerkzaamheden. Verdachte bewoog haar de inkomsten uit haar prostitutiewerk aan hem af te staan. Voorts betaalde zij zijn telefoonabonnement en zou zij de huur van hun woning gaan betalen. [slachtoffer 2] werkte vier dagen van 19.00-24.00 uur. Verdachte heeft [slachtoffer 2] meermaals aangespoord om vroeger te beginnen en om beter haar best te doen zodat zij meer zou verdienen. Dit maakt dat verdachte [slachtoffer 2] feitelijk uitbuitte. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft bepleit, kan deze situatie gelet op de bewezen verklaarde omstandigheden, dwangmiddelen en handelingen, niet worden aangemerkt als een normale partnerrelatie waarin verdachte belangstelling toonde in de verdiensten van zijn partner. Dwingen of bewegen zich beschikbaar te stellen (artikel 273 f lid 1 sub 4 Sr) De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het hiervoor beschreven door hem gemaakte misbruik, [slachtoffer 2] heeft bewogen zich beschikbaar te (blijven) stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Verdachte bewoog [slachtoffer 2] hiertoe door haar bij [Y] te introduceren, die haar op zijn verzoek in de prostitutie in Den Haag wegwijs maakte en samen met [slachtoffer 2] naar haar werk in Den Haag reisde, door ervoor te zorgen dat zij een verblijfplaats had (eerst bij zijn zus en later bij [Y]), door haar (telefonisch) op haar werk te controleren, haar aan te sporen om meer klanten te krijgen en meer te verdienen, en tot slot door haar ervan te doordringen dat zij het geld nodig hadden voor de huur en om van te kunnen sparen. Voordeel trekken en dwingen of bewegen hem te bevoordelen (artikel 273 f lid 1 sub 6, 9 Sr) Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2] alsmede dat verdachte als gevolg van het door hem gemaakte misbruik, [slachtoffer 2] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van [slachtoffer 2]’s seksuele handelingen. Vrijspraak Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het vervoeren niet bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan partieel vrijspreken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van parketnummer 16/661749-13 op tijdstippen in de periode van 24 juli 2013 tot en met 25 juli 2013 te Utrecht, telkens opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (meermalen) met de (tot vuist gebalde) hand(
- en)in het gezicht en op het hoofd en heeft geslagen en gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] telkens letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden; ten aanzien van parketnummer 16/703253-13 in de periode van ongeveer 27 november 2013 tot en met 11 december 2013 te Utrecht, - een ander, te weten [slachtoffer 2], A) telkens (sub 1) door misleiding, en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, danwel door misbruik van een kwetsbare positie (sub 1) heeft geworven, gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] en (sub 4) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 9) die [slachtoffer 2] (met de onder sub 1 genoemde middelen) heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2]'s, seksuele handelingen met of voor een derde en B) (sub 6) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte: - een (liefdes)relatie aangegaan met die [slachtoffer 2] (onder zijn alias [A] /[A]), en - die [slachtoffer 2] gehuisvest bij een familielid van hem, verdachte, en - telkens in persoon en/of telefonisch en/of per sms en/of via app-berichten : - die [slachtoffer 2] instructies gegeven dat zij zich bij de Kamer van Koophandel (KvK) moest gaan inschrijven en - die [slachtoffer 2] instructies gegeven dat zij snel moet gaan werken en hoe zij moest werken en - die [slachtoffer 2] gezegd dat zij veel geld en/of meer geld moest verdienen en vervolgens die [slachtoffer 2] dat - met prostitutie verdiende - geld aan hem, verdachte, laten afgeven en - die [slachtoffer 2] instructies gegeven wat zij tegen derden over haar prostitutiewerkzaamheden moest zeggen ("zeg dat je voor jezelf werkt" of woorden van gelijke strekking) en hoe met haar telefoontoestel om te gaan ("maak je telefoon leeg" of woorden van gelijke strekking). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als ten aanzien van parketnummer 16/661749-13 : mishandeling; ten aanzien van parketnummer 16/703253-13 : mensenhandel. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank om toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht verzocht en op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: - jeugddetentie van 12 maanden, met aftrek van voorarrest; - de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ). 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. De verdediging heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Primair heeft de verdediging betoogd dat het nieuwe artikel 77s Sr een gunstiger bepaling voor verdachte is, en dat de rechtbank daarom gehouden is die bepaling toe te passen. Onder dat nieuwe artikel is oplegging van de PIJ-maatregel beperkt tot gevallen waarin een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling wordt vastgesteld. Nu dit niet kan worden vastgesteld, en er ook geen objectieve aanwijzingen voor een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling, komt de rechtbank onder het nieuwe artikel 77s Sr niet aan de oplegging van een PIJ-maatregel toe. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat ook onder het oude recht niet aan de voorwaarden voor oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan, nu de noodzakelijkheid van de maatregel niet is gebleken. Ook om die reden moet worden afgezien van oplegging van de PIJ-maatregel. Geheel subsidiair heeft de verdediging - in de volwassenstrafzaak en de tegelijkertijd ter terechtzitting behandelde jeugdstrafzaak- verzocht, met toepassing van het jeugdstrafrecht, om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede een voorwaardelijk deel met algemene en eventueel bijzondere voorwaarden. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Gelet op de samenhang tussen de volwassenstrafzaak en de tegelijkertijd ter terechtzitting behandelde jeugdstrafzaak overweegt de rechtbank het volgende in beide zaken. De rechtbank heeft bij (tussen)vonnis van 29 juli 2014 het onderzoek heropend teneinde door de Raad voor de Kinderbescherming voorgelicht te worden over de mogelijkheden van een (voorwaardelijke) pij-maatregel, en over welke vorm van begeleiding, behandeling en eventuele andere voorwaarden in dit geval passend is. De rechtbank heeft daartoe onder meer in dat (tussen)vonnis het navolgende overwogen en beslist. Aanwezige informatie en adviezen omtrent de persoon van de verdachte De rechtbank beschikt inzake de afdoening van de zaak over de volgende adviezen. - rapport Reclassering Nederland d.d. 23 oktober 2013 en 12 februari 2014; - Pro justitia rapport d.d. 19 februari 2014, opgesteld door drs. H.A. Gerritsen; - Pro justitia rapport d.d. 14 januari 2014, opgesteld door drs. F. Jonker; - Pro justitia rapport d.d. 1 juli 2014, opgesteld door G.M. Jansen en R.J.P. Rijnder (Pieter Baan Centrum); - rapport Reclassering Nederland d.d. 7 juli 2014; - verklaring van C.E.R. van Diessen van de Raad voor de Kinderbescherming ter terechtzitting op 15 juli 2014. Meerdere deskundigen hebben verdachte onderzocht, dan wel een poging daartoe gedaan. Verdachte heeft steeds heel duidelijk aangegeven dat hij niet aan onderzoek naar zijn persoon wil meewerken, daaraan vastgehouden en niet meegewerkt aan de verrichte onderzoeken. Volgens de raadsman ligt aan de weigering van verdachte om mee te werken ten grondslag angst voor de mogelijke oplegging van de tbs-maatregel. Uit de gedragsdeskundige rapportages volgt dat op grond van het schoolniveau van verdachte (speciaal onderwijs en VMBO praktijk) en informatie van vroegere scholen (oude testresultaten) het vermoeden rijst van een beperkte tot sterk beperkte intelligentie. Door de weigering van verdachte mee te werken aan onderzoeken naar zijn persoon, kon echter geen diagnose worden vastgesteld, noch hebben deskundigen zich uit kunnen laten over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Als gevolg hiervan kon ook geen aanbeveling worden gedaan met betrekking tot toepassing van het meerder- of minderjarigenstrafrecht, danwel een door verdachte te volgen behandeling of op te leggen voorwaarden. Op basis van de aard van de ten laste gelegde feiten en de volhardende proceshouding is de Reclassering (in overleg met de Raad voor de Kinderbescherming) van mening dat er geen indicatie bestaat voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Voorts geldt ook voor het jeugdstrafrecht dat diagnostiek moet uitwijzen of interventies/behandeling noodzakelijk en mogelijk zijn, hetgeen niet mogelijk is omdat verdachte niet mee wil werken. Anderzijds acht de reclassering het onwenselijk een jong volwassene, in het geval die persoon wordt veroordeeld wegens ernstig delict gedrag, zonder interventies terug te laten keren in de samenleving. Bij voorbaat kan niet worden uitgesloten dat van interventie/behandeling iets zou kunnen beklijven bij betrokkene gezien zijn jonge leeftijd. De reclassering is van mening dat in het kader van reïntegratie opnieuw kan worden gekeken of betrokkene bereid is mee te werken aan diagnostiek waardoor duidelijk wordt wat mogelijkheden/beperkingen zijn om passende hulpverlening (eventueel behandeling) in te kunnen zetten. De reclassering adviseert verdachte -ook in de minderjarigenstrafzaak- te straffen volgens het volwassenenstrafrecht. Verdachte heeft nagenoeg geen justitieel verleden en heeft geen (jeugd)-reclasseringsbegeleiding ontvangen. Verdachte heeft binnen een jaar tijd vijf misdrijven gepleegd. Drie ervan heeft verdachte gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Tijdens de andere twee misdrijven was verdachte meerderjarig (18 jaar). Wat opvalt is dat er, met uitzondering van de winkeldiefstal, sprake is van jonge, kwetsbare slachtoffers. Er is sprake van instrumenteel gebruik van slachtoffers (straatroof en mensenhandel), waarbij het ging om geldelijk gewin of een het verkrijgen goed. Daarnaast heeft verdachte zijn vriendin meerdere keren mishandeld. Toepasselijke strafrecht De rechtbank staat thans voor het dilemma of zij -zoals door de deskundigen voorgesteld- het volwassenenstrafrecht toe moet passen en verdachte een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet opleggen, of verdachte, gezien zijn jeugdige persoon en lage intelligentie (waarvoor ook zijn scholing tot dusver een belangrijke aanwijzing is), met toepassing van het jeugdstrafrecht een kans moet bieden om met zich (onder begeleiding) in positieve zin verder te ontwikkelen. De rechtbank ziet zich gelet op het bovenstaande dus gesteld voor de vraag naar het toepasselijke strafrecht in zowel de jeugdstrafzaak als de volwassenzaak. In de jeugdstrafzaak Uitgangspunt is dat in een jeugdstrafzaak jeugdstrafrecht wordt toegepast. In artikel 77b Wetboek van Strafvordering is bepaald dat in een zaak als de onderhavige minderjarige strafzaak volwassenstrafrecht kan worden toegepast, indien de rechter daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt daarbij voorop dat toepassing van het volwassenstrafrecht een grote uitzondering dient te zijn. In de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank voorshands geen aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt af te wijken en is voornemens in de jeugdstrafzaak het jeugdstrafrecht toe te passen. In de volwassenstrafzaak In de onderhavige volwassenstrafzaak heeft de verdediging gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Op grond van artikel 77c Wetboek van Strafrecht kan in de onderhavige zaak het jeugdstrafrecht worden toegepast. Het feit dat de werkingssfeer van deze bepaling met ingang van 1 april 2014 is uitgebreid van personen -kort gezegd- van tussen de 18 en 21 naar tussen de 18 en 23 ten tijde van het feit, is voor de onderhavige zaak irrelevant. Immers verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde in de volwassenstrafzaak 18 jaar, dus artikel 77c zoals het gold voor en na 1 april 2014 maken toepassing van het minderjarigenstrafrecht mogelijk. Er is dus in zoverre geen vraag naar overgangsrecht. Artikel 77c Wetboek van Strafrecht geeft aan dat de rechter indien hij grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, jeugdstrafrecht kan toepassen. Gezien de sterke aanwijzingen voor zwakbegaafdheid van verdachte en het feit dat verdachte de feiten binnen een relatief kort tijdsbestek heeft gepleegd, daarnaast een nagenoeg blanco strafblad heeft, valt naar het (voorlopig) oordeel van de rechtbank in dit geval veel te zeggen voor toepassen van jeugdstrafrecht. Welke sanctie Gelet op de zwaarte van de feiten gepleegd ten opzichte van zeer kwetsbare slachtoffers en de zwakbegaafdheid van verdachte acht de rechtbank het in het belang van de samenleving en van verdachte dat hij begeleiding en zo nodig behandeling krijgt, om zich zo gunstig mogelijk verder te ontwikkelen. De rechtbank overweegt daarom een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Dat zou vooralsnog zowel in de meerderjarigen- als in de jeugdstrafzaak kunnen worden bevolen. Overgangsrecht plaatsing in een inrichting voor jeugdigen De bepaling betreffende de plaatsing voor jeugdigen is met ingang van 1 april 2014 gewijzigd. Op grond van het toepasselijke overgangsrecht is het nieuwe recht van toepassing op feiten na 1 april 2014. De verdediging heeft aangevoerd dat het nieuwe recht een voor verdachte gunstiger bepaling is en dat daarom die bepaling dient te worden toegepast. De rechtbank zal daarom allereerst nagaan wat de wijzigingen in artikel 77s Wetboek van Strafrecht en volgende betreffende de pij-maatregel zijn. De belangrijkste twee wijzigingen zijn verandering van het criterium en de mogelijkheid de pij om te zetten in een tbs-maatregel. Met het nieuwe recht is door het nieuwe criterium oplegging van een pij-maatregel beperkt tot de situatie dat er sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Daarnaast is sinds 1 april 2014 de mogelijkheid in het leven geroepen een pij-maatregel om te zetten in een tbs. De rechtbank is van oordeel dat met deze twee wijzigingen geen voor de verdachte gunstiger regeling is geschapen. Daarbij overweegt de rechtbank overigens dat er op grond van al het vorenstaande wel aanwijzingen zijn voor de gebrekkige ontwikkeling zoals verwoord in het “nieuwe” artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht dan ook artikel 77s(oud) Wetboek van Strafrecht de bepaling waar de mogelijkheid tot het opleggen van een pij-maatregel aan getoetst zou moeten worden. Na heropening onderzoek De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juli 2014 het onderzoek heropend en zich vervolgens laten voorlichten door P. Vos (raadsonderzoeker, Raad van de Kinderbescherming), die in een rapport van 11 september 2014 een strafadvies heeft gegeven. Ter zitting van 16 september 2014 heeft P. Vos haar advies toegelicht en vragen beantwoord. Voorts heeft ter zitting van 16 september 2014 H. van Benthem, reclasseringswerker, Reclassering Nederland, zich aangesloten bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en nadere vragen beantwoord. De Raad voor de Kinderbescherming (verder ook: de Raad) overweegt in het rapport van 11 september 2014 dat hij zelden dergelijke zaken van jongeren ziet die in de voorgaande jeugdige levensjaren weinig tot geen contacten met justitie hebben gehad en aan het eind van de adolescentiefase schuldig worden bevonden aan meerdere en vooral heftige feiten. Tevens valt de proceshouding op die verdachte aanneemt en waarin hij extreem volhardend is. Aangezien er tot op heden weinig zicht is gekomen op de mogelijkheden en belemmeringen in de ontwikkeling en het functioneren van verdachte, acht de Raad het van groot belang dat hier alsnog een duidelijk beeld over komt. Een langere periode van observatie en waar mogelijk interventies, zou kunnen bijdragen aan het beter in kaart brengen van wat er in pedagogisch opzicht nodig is voor verdachte. Uit het advies blijkt verder dat, gelet op de leeftijd van verdachte, kan worden gesteld dat de ontwikkeling van verdachte als jongvolwassene nog niet volledig voltooid is. Mede gezien het vermoeden van een lager dan gemiddelde begaafdheid, kan verondersteld worden dat verdachte van begeleiding bij de verdere ontwikkeling baat kan hebben. Hierbij aansluitend kan worden gesteld dat verdachte zich nu in een kritische fase van zijn leven bevindt, de fase van jeugdige naar volwassene, wat het wenselijk en noodzakelijk maakt om middels gedwongen behandeling de opvoeding en verzorging te waarborgen die voor verdachte nodig wordt geacht om zijn ontwikkeling ten positieve te beïnvloeden. Op basis van de voorinformatie, waarin een lijn zichtbaar is in het afhouden van aangeboden hulp (op school) en zijn proceshouding, is de verwachting dat opnieuw onderzoeken van de criminogene factoren die een rol hebben gespeeld bij de delicten en eventueel daaruit voortvloeiende behandeling niet binnen een gedwongen ambulant kader haalbaar zijn. De Raad acht, gelet op de ernst van de feiten die verdachte heeft gepleegd, het instrumenteel gebruik van slachtoffers hierbij en het uit zijn op geldelijk gewin, het feit dat het kwetsbare slachtoffers betrof (jong en vermoedelijk geestelijk beperkt), dat verdachte deze feiten die verschillend van aard zijn in een kort tijdsbestek heeft gepleegd en de weigering van verdachte aan alle onderzoeken en hulpverlening, het feit dat verdachte voor de voorlopige hechtenis niet beschikte over een zinvolle dagbesteding, vrijetijdsbesteding en zelfstandig inkomen, een onvoorwaardelijke PIJ de meest passende strafrechtelijke reactie voor verdachte. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Alles afwegende overweegt de rechtbank dat het verhandelde ter zitting van 16 september 2014 geen aanleiding heeft gegeven van het oordeel in het (tussen)vonnis van 29 juli 2014 af te wijken, zoals hiervoor (cursief) is weergegeven. Ook het door de verdediging herhaalde verweer dat het ‘nieuwe’ artikel 77s Sr van toepassing is, wordt verworpen. Gezien immers verdachte zijn scholing tot dusver (doublure op de lagere school, speciaal onderwijs vanaf groep 4 en afwijzing mbo-niveau 1 (het laagste niveau)) en zijn resultaten op intelligentietests, zijn er voldoende concrete aanwijzingen om te kunnen spreken van een gebrekkige ontwikkeling. Dat verdachte zijn prestatie en zelfredzaamheid op een hoger niveau wordt ingeschat, doet aan die gebrekkige ontwikkeling niet af. Dit betekent dat het ‘nieuwe’ artikel 77s Sr van toepassing kan zijn, maar gezien de mogelijkheid van het omzetten van een PIJ-maatregel naar een TBS-maatregel voor verdachte ongunstiger is en derhalve het ‘oude’ artikel 77s Sr (van vóór 1 april 2014) zal worden toegepast. Dit leidt tot het volgende oordeel. Toepasselijk recht Hoewel de verdachte ten tijde van het plegen van de delicten (net) 18 jaar was en derhalve meerderjarig was, zal de rechtbank, gelet de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, het jeugdstrafrecht toepassen. De persoon van de verdachte Uit het strafblad van verdachte d.d. 4 juli 2014, volgt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Wel is aan verdachte in 2011 een transactie wegens een straatroof opgelegd. Voorts heeft de rechtbank wat betreft de persoon van verdachte rekening gehouden met het hiervoor genoemde strafadvies en de toelichtingen van de deskundigen ter zitting van 16 september 2014, waaruit blijkt dat het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend is. Oplegging straf en/of maatregel De rechtbank houdt rekening met de persoon van verdachte, de ernst van de bewezen verklaarde feiten en met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Deze straf is naar het oordeel van de rechtbank passend bij de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten en de persoon van de verdachte. Gelet op hetgeen door de deskundigen naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om -zoals eerder door de rechtbank als mogelijkheid werd overwogen- verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de deskundigen hebben aangegeven dat een behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geen optie is. De reden is dat, gelet op het gebrek aan medewerking en de hardnekkig weigerende houding van verdachte, de Raad van de Kinderbescherming verwacht dat verdachte zich niet zal houden aan de in een dergelijk kader te stellen voorwaarden. Gelet op de conclusies van de deskundigen, welke de rechtbank overneemt, is er sprake van gevaar voor herhaling van het plegen van strafbare feiten indien de geadviseerde behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet wordt ingezet. Het gevaar voor herhaling betreft feiten waarbij de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen in het geding is, zodat de geadviseerde maatregel ook geëist wordt in het belang van de veiligheid van personen. Tenslotte is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank zal, nu zij een PIJ-maatregel wenselijk acht en voldaan is aan de eisen die de wet daaraan stelt, naast de jeugddetentie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen. De maatregel bedraagt een periode van twee jaar onvoorwaardelijk en één jaar voorwaardelijk, en is verlengbaar. De rechtbank bepaalt daarbij dat (hoewel verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd toen hij (net) meerderjarig was), gelet op het feit dat hij in de gelijktijdig behandelde jeugdstrafzaak tevens tot een PIJ-maatregel is veroordeeld, de uitvoering van de PIJ‑maatregel dient plaats te vinden in een Justitiële Jeugd Inrichting. De rechtbank realiseert zich dat in zowel de minderjarigen- als meerderjarigenzaak de PIJ-maatregel wordt opgelegd. De rechtbank ziet zich daartoe genoodzaakt nu het opleggen van die maatregel in beide zaken gerechtvaardigd is en het voegen van de zaken niet mogelijk is. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat de maatregel slechts één maal ten uitvoer zal worden gelegd. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 16.080,00 bestaande uit € 11.080,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor inzake parketnummer 16/703253-13 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank acht in redelijkheid toewijsbaar een bedrag van € 3.080,00 aan materiële schade, te weten € 1.080,00 aan abonnementskosten en € 2.000,00 aan afgestane inkomsten (2 weken x 4 dagen x € 250,00). De rechtbank waardeert de immateriële schade op € 2.000,00. De rechtbank acht derhalve totaal toewijsbaar een bedrag van € 5.080,00. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 december 2013 en tot en met de dag der algehele voldoening. Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 77v, 273f en 300, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: - ten aanzien van parketnummer 16/661749-13mishandeling - ten aanzien van parketnummer 16/703253-13mensenhandel Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte strafbaar. Straf Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 maanden. Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Maatregel - Legt op aan verdachte de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. - De rechtbank bepaalt dat de uitvoering van de PIJ maatregel dient te geschieden in een Justitiële Jeugd Inrichting. Benadeelde partij Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 5.080,00. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2], € 5.080,00 aan de Staat te betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 23 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2014. BIJLAGE : De tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat (parketnummer 16/661749-13, pv-nummer PL091A - 2013 169 762) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2013 tot en met 25 juli 2013 te Utrecht en/of Woerden, althans in het arrondissement Utrecht en/of Midden-Nederland en/of Gouda, althans in het arrondissement Den Haag, (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) - met de (tot vuist gebalde) hand(
- en)in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen de schouder(s), althans op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of - tegen het/de (onder)be(e)n(
- en)en/of kuit(en), althans op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of - tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag), waardoor voornoemde [slachtoffer 1] (telkens) letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht hij in of omstreeks de periode van ongeveer 01 oktober 2013 tot en met 11 december 2013 te Utrecht en/of Alphen aan den Rijn en/of Houten en/of Nieuwegein en/of Haarlem en/of elders in Nederland, - een ander of anderen, te weten [slachtoffer 2], A) (telkens) (sub 1) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
- en)of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over [slachtoffer 2] heeft, (sub 1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 2] en/of (sub 4) heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4) dan wel (onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden) enige handeling(
- en)heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die naam [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of (sub 9) die [slachtoffer 2] (met de onder sub 1 genoemde middelen) heeft gedwongen dan wel bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2]'s, seksuele handelingen met of voor een derde en/of B) (sub 6) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte (telkens) een (exclusieve) (liefdes)relatie aangegaan met die [slachtoffer 2] (onder zijn alias [A] /[A]), en/of die [slachtoffer 2] gehuisvest en/of bij hem, verdachte, danwel bij een familielid/vriend/kennis van hem, verdachte, en/of (telkens in persoon en/of telefonisch en/of per sms en/of via app-berichten en/of via andere communicatiemiddelen): die [slachtoffer 2] instructies gegeven dat zij zich bij de Kamer van Koophandel (KvK) en/of de gemeente moest gaan inschrijven en/of die [slachtoffer 2] instructies gegeven dat zij snel moet gaan werken en/of hoe zij moest werken en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat zij veel geld en/of meer geld moest verdienen en/of vervolgens die [slachtoffer 2] dat - met prostitutie verdiende – geld aan hem, verdachte, laten afgeven en/of dat geld van die [slachtoffer 2] afgepakt en/of die [slachtoffer 2] instructies gegeven wat zij tegen derden over haar prostitutiewerkzaamheden moest zeggen ("zeg dat je voor jezelf werkt" of woorden van gelijke strekking) en/of hoe met haar telefoontoestel om te gaan ("maak je telefoon leeg" of woorden van gelijke strekking); artikel 273f lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 273f lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 273f lid 1 ahf/sub 9 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 273f lid 1 ahf/sub 6 Wetboek van Strafrecht Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Proces-verbaal van politie Regio Utrecht, met dossiernummers PL091A-2013169762 Z (voorgeleiding), doorgenummerd van pagina 1 tot en met 108 en PL091A-2013169762 Z (raadkamer), doorgenummerd van pagina 1 tot en met 43. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van het onder 2 genoemde proces-verbaal voorgeleiding, p. 17. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van het onder 2 genoemde proces-verbaal voorgeleiding, p. 18. Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2013, onderdeel van het onder 2 genoemde proces-verbaal voorgeleiding, p. 10. Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2013, voornoemd, p. 12. Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2013, voornoemd, p. 13. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van het onder 2 genoemde proces-verbaal voorgeleiding, p. 56. Proces-verbaal van bevindingen, voornoemd, bijlage (letselfoto’
- s)p. 18-19: Proces-verbaal verhoor van[verbalisant], onderdeel van onder 2 genoemd proces-verbaal raadkamer, p. 4. Proces-verbaal verhoor van[verbalisant], voornoemd, p. 5. Proces-verbaal van politie Regio Utrecht, met dossiernummer 2013270716E, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 442. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 87. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 87. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 88. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 88. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 362. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 134. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 60. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 61. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 62 en foto p. 64. Proces-verbaal van verhoor (rechter-commissaris) d.d. 5 juni 2014. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 419. Proces-verbaal van verhoor van [Y], onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 423. Proces-verbaal van verhoor van [Y], voornoemd, p. 424. Proces-verbaal van verhoor van [Y], voornoemd, p. 426. Proces-verbaal van verhoor van [K] bij de rechter-commissaris. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 97. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 98-102. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 62 en foto p. 64. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 183. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 112. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 114. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 115. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 230-265. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 231. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 233. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 234. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 235. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 238. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 241. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 239-240. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 240. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 241. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 242. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 244-245. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 245. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 246. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 247. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 247-248. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 249. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 136. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 121-122. Proces-verbaal van verhoor (rechter-commissaris) d.d. 5 juni 2014 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 15 juli 2014. Proces-verbaal van bevindingen, onderdeel van onder 12 genoemd proces-verbaal, p. 61.