RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16-711458-11 vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 januari 2014 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats] wonende te [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 maart 2012 te Amersfoort opzettelijk voordeel heeft getrokken uit een uitkering die de gemeente Amersfoort heeft verstrekt aan zijn vriendin [A] met wie hij samenwoonde. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het voordeel trekken uit de uitkering van zijn vriendin. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Verdachte heeft op 16 maart 2012 verklaard dat hij in 1985 of 1986 met zijn vriendin [A] op het adres aan [adres] te Amersfoort is gaan wonen. Zij hebben daar altijd met hun kinderen gewoond. [A] had in die tijd een uitkering van de sociale dienst. Verdachte had een WAO-uitkering. Verdachte wist dat [A] een uitkering van de sociale dienst had maar die uitkering was haar zaak volgens verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [A] gedurende de ten laste gelegde periode de kosten voor boodschappen en de kinderen heeft betaald van haar uitkering. Verdachte betaalde de vaste lasten van zijn uitkering. De vakanties betaalden [A] en verdachte gezamenlijk. De gemeente Amersfoort heeft met ingang van 1 augustus 1990 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet aan [A] toegekend. Het ging een om uitkering voor een éénouder-gezin. [A] heeft tot 8 november 2007 een WWB-uitkering ontvangen. De gemeente Amersfoort heeft de uitkering met ingang van 8 november 2007 beëindigd omdat [A] geen gevolg heeft gegeven aan oproepen om inlichtingen te verstrekking die van belang zijn voor de voortzetting van de uitkering. De gemeente Amersfoort heeft [A] met ingang van 27 november 2007 weer een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand toegekend. [A] heeft geen opgave gedaan van haar verblijf bij verdachte. 4.3.2 De bewijsoverwegingen De Algemene Wet Bijstand is met ingang van 1 januari 2004 veranderd in de Wet Werk en Bijstand. Opzet Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat zijn vriendin [A], met wie hij samenwoonde, een uitkering van de sociale dienst ontving. Volgens verdachte heeft [A] gedurende de ten laste gelegde periode de kosten voor boodschappen en de kinderen betaald van haar uitkering. Verdachte betaalde de vaste lasten van zijn uitkering. Verdachte bemoeide zich niet met de uitkering van [A]. Het is een feit van algemene bekendheid dat een alleenstaande ouder met kinderen die een bijstandsuitkering ontvangt geen recht meer op die (volledige) uitkering heeft indien deze gaat samenwonen. Gelet op het feit dat verdachte met [A] in de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding voerde en [A] niettemin een bijstandsuitkering ontving, wist verdachte dat het niet anders kon zijn dan dat [A] niet aan de gemeente heeft meegedeeld dat zij bij verdachte woonde. Verdachte wist aldus dat [A] ten onrechte een bijstandsuitkering van de gemeente Amersfoort ontving. Hij heeft opzettelijk voordeel uit de uitkering van [A] getrokken, aangezien van de uitkering van [A] boodschappen voor het gezin en de kosten voor hun kinderen werden betaald. 4.3.3 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen en onder 4.3.2 genoemde bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 maart 2012 te Amersfoort opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [A], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene Bijstandswet enf de Wet Werk en Bijstand, door middel van het niet voldoen door die [A] aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Algemene Bijstandswet verkregen en de Wet Werk en Bijstand uitkering, welk geld gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straffen en maatregelen 7.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met het tijdsverloop en met de omstandigheid dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. 7.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat bij een eventuele strafoplegging kan worden volstaan met een werkstraf. 7.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 maart 2012 opzettelijk voordeel getrokken uit geld dat was verkregen door middel van uitkeringsfraude door zijn partner [A]. Hiermee heeft verdachte van de opbrengst van een door misdrijf verkregen goed geprofiteerd. Door aldus te handelen heeft hij misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van een dergelijke voorziening doet afbreuk aan het sociale stelsel. De rechtbank tilt er zwaar aan dat verdachte zich hier langdurig schuldig aan heeft gemaakt. De verplichting tot terugbetaling is vastgesteld op € 115.912,
- De rechtbank stelt voorop dat gelet op de duur van de uitkeringsfraude, de aard van de verzwegen informatie en de hoogte van het benadelingsbedrag, een aanzienlijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank deelt echter de stelling van de officier van justitie en de raadsman dat bij de straftoemeting rekening dient te worden gehouden met het tijdsverloop. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2013, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden strafrechtelijk is veroordeeld, docht niet wegens soortgelijke feiten. De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis passend en geboden. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.3 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden. Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari
- BIJLAGE : De tenlastelegging hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 16 maart 2012, te Amersfoort en/of elders in Nederland, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van (een) door [A], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, door middel van het niet voldoen (door die [A]) aan de inlichtingenverplichting(en), uit hoofde van de Algemene Bijstandswet verkregen en/of de Wet Werk en Bijstand uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte. Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche Amersfoort, genummerd 21391 SRA, van 11 april 2012, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met
- Proces-verbaal van verhoor van [verdachte], doorgenummerde pagina’s 253 en
- Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 januari
- Een geschrift, inhoudende een beschikking tot toekenning uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet van 6 juli 1990, doorgenummerde pagina
- Een geschrift, inhoudende een aanvraag levensonderhoud WWB (alleenstaand of alleenstaand ouder), doorgenummerde pagina
- Een geschrift, inhoudende een brief van Sector Welzijn, Sociale Zekerheid en Onderwijs, van 28 december 2007, doorgenummerde pagina
- Een geschrift, inhoudende een brief van Sector Welzijn, Sociale Zekerheid en Onderwijs, van 10 januari 2008, doorgenummerde pagina
- Proces-verbaal van onderzoek doorgenummerde pagina 5.