RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 2337592 UC EXPL 13-14295 GB/850 Vonnis van 10 november 2014 inzake de erfgenamen van [A], wonende te [woonplaats], verder ook te noemen de erfgenamen, eisende partij, gemachtigde: mr. W.A. van Veen, tegen: de naamloze vennootschap Cofely Nederland N.V., gevestigd te Bunnik, verder ook te noemen Cofely, gedaagde partij, gemachtigde: mr. F.M. van Sloun. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 9 december 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald het proces-verbaal van de op 21 februari 2014 gehouden comparitie van partijen, waarvan mede aantekening is gehouden de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [A] (hierna te noemen [A]) is van 3 september 1956 tot 10 juli 1970 in dienst geweest van Volker Centrale Verwarming N.V. (hierna eveneens te noemen Cofely), een van de rechtsvoorgangsters van Cofely. In de uitoefening van zijn werkzaamheden als monteur is [A] aan asbest blootgesteld. 2.2. Op 19 juli 2011 is bij [A] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Deze diagnose is op 28 november 2011 bevestigd door het Nederlands Mesothelioom Panel. 2.3. In juli 2011 heeft [A] zich voor bemiddeling gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (hierna: IAS). In het door het IAS opgestelde rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest, opgemaakt op 3 augustus 2011, is over het dienstverband bij Cofely onder meer het volgende vermeld: “De heer [A] verklaart dat hij, gedurende het dienstverband, in opdracht van genoemd bedrijf werkzaamheden verrichtte in de fabriekshallen van DAF Trucks in Eindhoven. (…) In deze fabriekshallen moest de bestaande CV installatie, wegens bestaande gebreken, worden vernieuwd. (…) De leidingen en buizen van de bestaande, oude installatie, dienden ontmanteld te worden, alvorens nieuwe leidingen en buizen konden worden gemonteerd. De te ontmantelen leidingen waren omwikkeld met asbestschalen en asbestkoord. Bij het demonteren van deze leidingen braken delen van de asbesthoudende pakkingen af en rafelde het asbestkoord uiteen. De heer [A] stond aldus bloot aan de vrijkomende asbestdeeltjes. Ook bij de daaropvolgende opruimwerkzaamheden van de leidingen en de asbest ommanteling stond de heer [A] bloot aan de asbestrestanten. (…) Er was geen sprake van ventilatie of afzuiging in de werkvertrekken. De heer [A] verklaart dat het laatst mogelijke moment van asbestblootstelling is gelegen in 1970. De heer [A] beschikte niet over persoonlijke beschermingsmiddelen in het kader van blootstelling aan asbest. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de heer [A] gedurende deze periode naar zijn mening regelmatig op zowel directe als indirecte wijze in de werkomgeving aan asbest blootgesteld.” 2.4. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft [A] Cofely aansprakelijk gesteld, stellende dat hij de ziekte mesothelioom in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Cofely heeft opgelopen. 2.5. Cofely heeft de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van de ziekte van [A] afgewezen, onder andere met de motivering dat de vordering is verjaard en dat voor een uitzondering daarop geen plaats is. 2.6. Bij beschikking van 5 december 2011 heeft de Sociale Verzekeringsbank aan [A] een voorschot van € 18.392,00 toegekend op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (hierna: TAS). 2.7. [A] heeft bij dagvaarding van 4 september 2013 de onderhavige procedure tegen Cofely aanhangig gemaakt. 2.8. Op [2013] is [A] op 72-jarige leeftijd overleden. Zijn erfgenamen, zijn dochters [B] en [C], hebben de procedure voortgezet. 3De vordering en het verweer 3.1. Na wijziging van eis vorderen de erfgenamen om Cofely bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan hen te betalen: I. € 60.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2013; II. € 28.035,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2013; III. de kosten van dit geding. 3.2. Ter onderbouwing van de vordering stellen de erfgenamen dat [A] tijdens zijn dienstverband bij Cofely aan asbest is blootgesteld en dat het aannemelijk is dat deze blootstelling aan asbest de fatale asbestziekte mesothelioom heeft veroorzaakt. Op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt hieruit dat Cofely in beginsel jegens [A] aansprakelijk is. Dit is slechts anders indien Cofely aantoont dat zij destijds passende veiligheidsmaatregen heeft genomen om hem te beschermen tegen het gevaar van asbest. Dat bewijs heeft Cofely niet geleverd. Zij maken aanspraak op vergoeding van de volledige schade, bestaande uit immateriële schade en materiële schade. 3.3. Cofely betwist de vordering en voert daartoe primair aan dat elke vordering gebaseerd op enige schending van haar zorgplicht, is verjaard ex artikel 3:310 lid 2 BW. Tevens is zij van mening dat de erfgenamen onvoldoende hebben gesteld om de objectieve verjaringstermijn te doorbreken. Subsidiair betwist Cofely dat de zorgplicht van artikel 7:658 BW is geschonden. Tot slot betwist zij de verschuldigdheid dan wel omvang van de gevorderde schade en wettelijke rente. 4De beoordeling 4.1. In deze procedure staat vast dat [A] tijdens zijn werkzaamheden als monteur van Cofely aan asbest is blootgesteld. Verder staat vast dat [A] de ziekte mesothelioom heeft opgelopen. Omdat deze ziekte geen andere bekende oorzaak heeft dan blootstelling aan asbest, is het oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden van [A] en de schade in beginsel gegeven. Daarmee is Cofely op grond van artikel 7:658 BW (artikel 7A:1638x oud BW) aansprakelijk voor de schade die [A] in de uitoefening van zijn werkzaamheden als monteur van Cofely heeft geleden, tenzij Cofely aantoont dat zij de in lid 1 van dit wetsartikel genoemde zorgplicht jegens [A] is nagekomen. 4.2. Cofely heeft primair een beroep gedaan op verjaring van deze vordering op grond van artikel 3:310 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat, als de schade een gevolg is van verontreiniging van onder andere lucht, de rechtsvordering tot vergoeding van schade in ieder geval verjaart door verloop van 30 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Tussen het einde van de werkzaamheden van [A] als monteur van Cofely medio 1970 en de aansprakelijkstelling van [A] medio 2011 is een periode gelegen van 41 jaar. De vordering tot vergoeding van de schade van [A] is dus in beginsel verjaard. 4.3. De erfgenamen zijn van mening dat Cofely geen beroep toekomt op verjaring van de vordering, gelet op: artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); artikel 3:310 lid 4 BW, zoals die bepaling luidt sinds 1 april 2013; artikel 6 lid 2 BW (redelijkheid en billijkheid). Hierna wordt op elk van deze gronden nader ingegaan. artikel 6 EVRM 4.4. De erfgenamen hebben zich op het standpunt gesteld dat de objectieve/absolute verjaringstermijn waarop Cofely een beroep doet, in strijd is met artikel 6 lid 1 EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben de erfgenamen verwezen naar een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 11 maart 2014 (Howald Moor c.a. tegen Zwitserland, nrs. 52067/10 en 41072/11). Die zaak is naar hun mening vergelijkbaar met deze zaak. Het EHRM heeft in die zaak geoordeeld (vrij vertaald) dat, indien wetenschappelijk is aangetoond dat iemand eerst na het verstrijken van de verjaringstermijn kan weten dat hij lijdt aan een ziekte, dit feit moet worden meegewogen bij het bepalen van de verjaringstermijn. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval oordeelde het EHRM dat in die zaak de toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM was geschonden. De erfgenamen hebben gesteld dat strijd met het EVRM betekent dat de nationale regel/wet geen toepassing kan/mag vinden bij rechtstreekse werking van het EVRM. De absolute verjaringstermijn voor de vordering moet volgens hen dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Subsidiair hebben zij de kantonrechter in overweging gegeven om op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. 4.5. Cofely heeft erop gewezen dat het bij de uitspraak van het EHRM van 11 maart 2014 ging om een absolute verjaringstermijn van 10 jaar, die begint te lopen vanaf het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Naar aanleiding van de in de media ontstane discussie over deze uitspraak zijn er Kamervragen gesteld aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Bij brief van 1 mei 2014 heeft de Minister de vragen beantwoord. Volgens Cofely volgt daaruit nu juist dat geen sprake is van strijdigheid van de Nederlandse wet- en regelgeving met het EVRM. Het arrest Moor/Zwitserland heeft naar haar mening geen gevolgen voor de onderhavige zaak en er bestaat dan ook geen aanleiding om de absolute verjaringstermijn hier buiten toepassing te laten. Cofely heeft daaraan toegevoegd dat de argumentatie van de Minister verder ook duidelijk is en geen ruimte laat voor een ander oordeel. Zij ziet dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad op dit punt. De Hoge Raad heeft zich al uitgelaten over deze rechtsvraag in het arrest Van Hese/De Schelde, dat de norm die het EHRM aanlegt, kan doorstaan, aldus Cofely. 4.6. De kantonrechter constateert dat de erfgenamen niet in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 mei 2014, die als productie aan de conclusie van dupliek is gehecht. De erfgenamen behoeven echter niet in de gelegenheid te worden gesteld dit alsnog te doen, omdat, zoals uit het navolgende blijkt, het oordeel van de kantonrechter over de gestelde schending van artikel 6 EVRM niet op de inhoud van die brief is gebaseerd. 4.7. De kantonrechter is van oordeel dat de uitspraak van het EHRM van 11 maart 2014 in de zaak Moor/Zwitserland niet de conclusie kan wettigen dat de absolute verjaringstermijn van 30 jaar, die geldt in de onderhavige zaak, de toegang tot de rechter belemmert. In de zaak Moor/Zwitserland was weliswaar eveneens sprake van een asbestgerelateerde rechtsvordering, maar een met een verjaringstermijn van 10 jaar. Het EHRM heeft tegen de achtergrond van de lange incubatietijd bij asbestgerelateerde ziektes geoordeeld dat de absolute verjaringstermijn van 10 jaar de toegang tot de rechter belemmert. In de onderhavige zaak is de absolute verjaringstermijn echter drie keer zo lang. Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde, ECLI:NL:HR:2000:AA5635) de mogelijkheid aangegeven om die verjaring op grond van artikel 6:2 lid 2 BW bij een asbestgerelateerde rechtsvordering als deze te doorbreken wanneer de toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ten aanzien van artikel 6 EVRM heeft de Hoge Raad in dat arrest expliciet het volgende overwogen: “Gelet op de - naar huidige inzichten zeer lange - duur van de termijn van art. 3:310 lid 2 en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, kan niet worden gezegd dat de onderhavige beperking van de toegang tot de rechter buiten de ‘margin of appreciation’ van de verdragsluitende Staten valt. Dit neemt evenwel niet weg dat de in 3.3.1 voorziene mogelijkheid van het buiten toepassing blijven van de verjaringstermijn van dertig jaar wel in lijn is met het in art. 6 § 1 EVRM belichaamde recht op toegang tot de rechter.” In de onderhavige zaak bestaat dus geen aanleiding om de absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW buiten toepassing te laten, (mede) nu de mogelijkheid van doorbreking van die termijn bestaat. Er is ook geen aanleiding om de Hoge Raad naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM van 11 maart 2014 prejudiciële vragen te stellen, omdat de Hoge Raad in het arrest Van Hese/De Schelde al aan artikel 6 EVRM heeft getoetst. artikel 3:310 lid 4 BW 4.8. De erfgenamen zijn van mening dat artikel 3:310 lid 4 BW, zoals die bepaling sinds 1 april 2013 luidt, van toepassing is in deze zaak, omdat [A] op [2013] is overleden. Artikel 3:310 lid 4 BW luidt als volgt: “Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.” De strafbare feiten waar het hier om gaat, zijn volgens de erfgenamen dood door schuld (artikel 307 Wetboek van Strafrecht (Sr)), schuld aan zwaar lichamelijk letsel (artikel 308 Sr), gevolgd door de strafverzwarende omstandigheid van artikel 309 Sr, mishandeling (artikel 300 Sr) en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (artikel 302 Sr). De erfgenamen beroepen zich daarbij op de zogenaamde manifestatieleer, die inhoudt dat het strafbare feit is voltooid op het moment dat het materiële effect van het strafbaar handelen tot stand is gekomen. Volgens de erfgenamen heeft het strafbare feit zich bij [A] gemanifesteerd op het moment dat bij hem de asbestziekte mesothelioom is vastgesteld, en is de manifestatie voltooid door zijn overlijden op [2013]. De strafrechtelijke verjaringstermijn van dood door schuld loopt dus volgens de erfgenamen nog, zodat de zaak niet civielrechtelijk kan zijn verjaard. 4.9. Cofely heeft met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij het betreffende wetsvoorstel betoogd dat artikel 3:310 lid 4 BW op grond van overgangsrecht niet van toepassing is, omdat de gestelde vordering al per 11 juli 2000 was verjaard. Verder heeft zij met verwijzing naar de wetsgeschiedenis aangevoerd dat het artikellid enkel ziet op de verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen degene die het strafbare feit heeft begaan en niet tegen eventuele derden die afgeleid aansprakelijk zijn, zoals hier het geval is. Ook is volgens Cofely het recht op strafvervolging komen te vervallen doordat Volker Centrale Verwarming N.V. geruime tijd geleden is opgehouden te bestaan. Tot slot betwist zij dat enig strafbaar feit is begaan, laat staan dat dat (nog) aan haar valt toe te rekenen. 4.10. De kantonrechter volgt Cofely in dit betoog. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 3:310 lid 4 BW niet tot gevolg kan hebben dat een dader van een strafbaar feit met een vordering geconfronteerd kan worden, die onder het daarvoor geldende regime reeds was verjaard. Artikel 73a lid 2 Overgangswet voorkomt dit. Deze bepaling bewerkstelligt dat een verjaringstermijn die reeds is verstreken, niet door de inwerkingtreding van die wet herleeft. Een vergelijkbaar overgangsregime bevat het voorstel tot aanpassing van de regeling vervolgingsverjaring. Daarin is in artikel II een bepaling opgenomen die voorkomt dat verjaarde feiten alsnog vervolgbaar worden. Anders dan de erfgenamen hebben betoogd, begint de strafrechtelijke verjaring in de regel niet pas te lopen nadat het strafbare feit zich heeft gemanifesteerd: de hoofdregel van artikel 71 Sr is dat de strafrechtelijke verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De erfgenamen hebben niet gesteld dat zich een van de in artikel 71 Sr genoemde uitzonderingsgevallen voordoet, waarin de strafrechtelijke verjaringstermijn op een later moment, zoals dat van ontdekking, aanvangt. Het feit dat [A] is blootgesteld aan asbest, was destijds immers al bij hem bekend. De erfgenamen hebben onvoldoende gesteld om te kunnen komen tot het oordeel dat sprake is van een door Cofely gepleegd strafbaar feit, dat niet strafrechtelijk is verjaard. Het beroep van de erfgenamen op artikel 3:310 lid 4 BW gaat derhalve niet op. artikel 6:2 lid 2 BW 4.11. De kantonrechter komt thans toe aan de beoordeling of toepassing van artikel 3:310 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals de Hoge Raad heeft aangegeven in het hiervoor genoemde arrest Van Hese/De Schelde. Hierbij moeten alle omstandigheden van het concrete geval in acht worden genomen. De Hoge Raad heeft daarvoor zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven dat hij deze in zijn beoordeling heeft betrokken. Deze gezichtspunten komen hierna achtereenvolgens aan de orde.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.