← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2014:5703

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/710744-11 (ontneming) vonnis van de rechtbank d.d. 12 november 2014 in de ontnemingszaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [1959], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Raadsman mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam. 1De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering ten bedrage van € 975.183,00, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; - het strafdossier onder parketnummer 16/710744-11 waaruit blijkt dat verdachte op 12 november 2014 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld voor –kort gezegd– : * Handelen in strijd met de Geneesmiddelenwet ten aanzien van ibogaïne en medicinale zuurstof. * Handelen in strijd met de Opiumwet. - het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting; - de overige stukken; Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Zij heeft daarbij haar vordering gehandhaafd. Tevens is de raadsman van verdachte gehoord. 2De beoordeling. Inleiding Verdachte is door de rechtbank bij vonnis d.d. 12 november 2014 ter zake van de onder 1 genoemde feiten veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Standpunt van de officier van justitie Door de officier van justitie is een ontnemingsvordering ingediend, nu verdachte voordeel zou hebben genoten uit de behandelingen die zij verrichtte met gebruikmaking van ibogaïne. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair gevorderd de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Meer subsidiair is bepleit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de personen die door veroordeelde geholpen zijn, hun behandeling zelf hebben bekostigd. Uiterst subsidiair is aangevoerd dat bij de berekening geen rekening is gehouden met de aanslag van de Belastingdienst die aan verdachte is opgelegd. Het oordeel van de rechtbank De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de officier van justitie gebaseerd op de behandelingen die verdachte zou hebben verricht in de periode van 1 maart 2006 tot en met 12 december 2012 met het middel ibogaïne. De rechtbank stelt vast dat verdachte –onder meer– is veroordeeld voor het bereiden en voorhanden hebben van ibogaïne, welke middel een geneesmiddel is in de zin van de Geneesmiddelenwet. Naar het oordeel van de rechtbank staat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een te ver verwijderd verband tot het bewezen verklaarde feit. Veroordeelde kreeg immers niet (slechts) betaald voor het verstrekken van de ibogaïne, maar voor de gehele behandeling. Er kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het bereiden en voorhanden hebben van ibogaïne heeft geleid tot het voordeel zoals door de officier van justitie berekend. Nu ook niet voldoende aanwijzingen aanwezig zijn waaruit volgt dat aannemelijk is dat veroordeelde andere strafbare feiten heeft begaan, op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat is berekend, vastgesteld zou kunnen worden, wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie af. 3De beslissing. De rechtbank: - wijst de vordering af. Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. R.P. den Otter en G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.