RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummers: 16-661253-13 VI-zaaknummer: 99-000482-43 Datum beslissing: 31 oktober 2014 Beslissing van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de zaak van de veroordeelde: [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats]op [1983], thans gedetineerd te PI Nieuwegein. 1De stukken De rechtbank heeft bij de behandeling van de vordering gelet op: - het onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht van 16 september 2013, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek; het rapport van Reclassering Nederland d.d. 25 augustus 2014, inhoudende het advies de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uit te stellen; het rapport van PI Nieuwegein d.d. 26 augustus 2014, inhoudende het advies de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uit te stellen; de vordering van de officier van justitie ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht d.d. 8 september 2014, strekkende tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 120 dagen; het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van 10 oktober 2014; al hetgeen zich op de zitting van 31 oktober 2014 heeft voorgedaan. 2De procesgang Tijdens het onderzoek ter zitting d.d. 10 oktober 2014 zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde, mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht. De veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te verschijnen. Tijdens het onderzoek ter zitting d.d. 31 oktober 2014 zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde, diens raadsman en, namens Reclassering Nederland, mevrouw [A]. 3De standpunten Uit de rapporten van Reclassering Nederland en PI Nieuwegein – respectievelijk van 25 en 26 augustus 2014 – blijkt dat zij hebben geadviseerd de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen, omdat veroordeelde geen adres had waar hij ten tijde van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling zou kunnen verblijven, waardoor het recidiverisico onvoldoende kon worden ingeperkt. De verdediging heeft ter zitting van 10 oktober 2014 aangevoerd dat veroordeelde inmiddels wel een adres heeft waar hij ten tijde van de voorwaardelijke invrijheidstelling terecht kan, namelijk bij mevrouw [B] aan de[adres]. Mevrouw [A] heeft ter zitting van 31 oktober 2014 – namens Reclassering Nederland – verklaard dat zij contact heeft gehad met mevrouw [B]. Mevrouw [B] heeft tegenover haar verklaard dat zij een goede vriendin is van de familie van verdachte, dat zij niet eerder in aanraking is geweest met politie en/of justitie, dat zij beschikt over een portiekwoning met drie slaapkamers en dat zij bereid is de veroordeelde per heden in huis te nemen totdat hij andere huisvesting heeft. De officier van justitie heeft ter zitting van 31 oktober 2014 zijn vordering in die zin gewijzigd, dat deze wordt toegewezen tot aan de dag van de zitting. 4De beoordeling Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in haar vordering, nu deze tijdig is ingediend en de gronden bevat waarop deze vordering berust. De rechtbank stelt vast dat de detentie van veroordeelde is ingegaan op 8 maart 2013. De voorlopige datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling was vastgesteld op 29 oktober 2014. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld, omdat wegens het ontbreken van geschikte huisvesting, het recidiverisico onvoldoende kon worden ingeperkt. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde inmiddels een adres heeft waar hij gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling kan verblijven. De rechtbank is van oordeel dat door dit verblijfsadres het recidiverisico voldoende kan worden ingeperkt. Nu de voorlopige datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling inmiddels met twee dagen is overschreden zal de rechtbank de vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen voor de duur van twee dagen. De veroordeelde zal dan ook, behoudens andere vrijheidbeperkende straffen en/of maatregelen, per heden – 31 oktober 2014 – voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe voor de duur van twee dagen; bepaalt dat veroordeelde per 31 oktober 2014 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Aldus gedaan door mr. M.P. Glerum, voorzitter, mrs. M.A.E. Somsen en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2014.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.