RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661761-13 Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2014 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1970] te [geboorteplaats] thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014. Verdachte is verschenen met zijn raadsvrouw mr. B. Yeşilgöz, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 30 juli 2013 heeft geprobeerd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van het leven te beroven althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1) en daarnaast in juli 2013 meerdere vermogensdelicten heeft gepleegd (feiten 2 t/m 7). 3Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 primair en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft dit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit primair onderbouwd door te stellen dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte de bestuurder van de Polo is geweest en subsidiair dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat er sprake is van een poging doodslag/zwaar lichamelijk letsel gelet op de onduidelijkheid die bestaat over de contactmomenten/botsingen tussen de Polo en de Volvo. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van de onder 2 primair, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten te kunnen komen. In het dossier bevinden zich weliswaar aanwijzingen dat het zou kunnen zijn dat verdachte diegene is geweest die diefstallen heeft gepleegd, maar deze leveren niet het overtuigend bewijs op. Nu de rechtbank van oordeel is dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van voornoemde primair ten laste gelegde feiten vrijspreken. 4.3.2 Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen Feit 1 Bewijsmiddelen Aangever en verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) heeft bij de politie verklaard dat hij op 30 juli 2013 samen met zijn collega [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2]) het verzoek kreeg om te gaan naar de rijksweg A28 alwaar de regiopolitie bezig was met een achtervolging van een gestolen voertuig. Dit betrof een Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] (hierna: de Polo). Hierop is aangever met zijn collega in een opvallend surveillance voertuig gestapt. [verbalisant 1] stapte achter het stuur en [verbalisant 2] zat op de passagiersstoel. Op een gegeven moment kregen de verbalisanten te horen dat verdachte de A1 op is gereden. Verbalisanten zijn vervolgens in de genoemde richting gereden. Op de A1 zag aangever de optische signalen van de collega's die in achtervolging waren. Hierop heeft [verbalisant 1] zijn snelheid verhoogd naar snelheden boven de 200 kilometer per uur om in te kunnen lopen. Via het kanaal hoorde [verbalisant 1] dat voornoemde Polo met een snelheid van rond de 160 kilometer per uur reed en hierbij zijn lichten gedoofd had en over de vluchtstrook reed. Op de A1 passeerde [verbalisant 1] een zestal opvallende voertuigen van de regiopolitie die allemaal gebruik maakten van optische signalen. Even voor de afrit Eembrugge en Baarn passeerde [verbalisant 1] het politievoertuig dat voorop reed en het dichtst bij de voornoemde Polo reed. Hij zag op dat moment dat de Polo nog steeds met gedoofde verlichting reed. [verbalisant 1] reed op dat moment op rijstrook 1. Hij zag dat voornoemde Polo op dat moment op de uitvoegstrook van voornoemde afrit reed. Aangezien [verbalisant 1] het vermoeden had dat de Polo weleens de afrit zou kunnen nemen, heeft hij zijn snelheid verlaagd tot ongeveer 120 kilometer per uur. Hij zag dat de Polo vervolgens de genoemde afrit niet nam maar bij het puntstuk van de afrit over de rechter vluchtstrook ging rijden. Hierop heeft [verbalisant 1] zijn snelheid verhoogd naar ongeveer 150 tot 160 km per uur. Op dat moment voerde hij nog steeds optische signalen. Op het moment dat hij de Polo via rijstrook 1 zou gaan en wilde passeren, zag hij dat de bestuurder van de Polo abrupt naar links stuurde en net voor hem op rijstrook 1, dan wel half op rijstrook 1 en half op rijstrook 2, ging rijden. Door deze manoeuvre moest [verbalisant 1] zijn surveillancevoertuig afremmen en heeft [verbalisant 1] naar rechts gestuurd, om een aanrijding te voorkomen, maar ook omdat zijn snelheid iets hoger lag op dat moment dan die van de Polo. Eigenlijk meteen hierop zag [verbalisant 1] een donkerkleurige schim links naast hem opdoemen en hoorde en voelde hij dat zijn surveillancevoertuig hard werd geraakt. Hij voelde dat dit hard ging, omdat zijn surveillancevoertuig naar rechts werd gedrukt en hij hierdoor half ongewild, bijna helemaal op de rechtervluchtstrook kwam te rijden. Dit ging gepaard met een luide klap en een hoop gekraak en krassende geluiden. Hij realiseerde zich dat hij werd aangereden door de Polo. Door de aanrijding zag hij dat zij wel heel dichtbij de rechter onverharde berm kwamen te rijden. Deze berm liep tevens schuin naar beneden af en na deze berm liep in zijn beleving een sloot. Vervolgens heeft [verbalisant 1] besloten om naar links te sturen om te voorkomen dat de rechter wielen van zijn voertuig naast de weg terecht zouden komen en zij in de onverharde berm zouden komen te rijden en geen controle meer zou kunnen krijgen over zijn voertuig. Toen hij naar links stuurde met zijn voertuig, hoorde hij dat hij weer in botsing kwam met de Polo. Hij hoorde weer een hoop gekraak en krassende geluiden. [verbalisant 1] kwam weer met zijn voertuig op de tweede rijstrook, echter raakte hij wel in een slip. Hierbij kon hij zijn voertuig niet meer corrigeren en vervolgens maakte zijn voertuig een draai van honderdtachtig graden en met zijn rechter zijkant van zijn voertuig kwamen zij in botsing met de midden geleiderail. Hierbij schraapten zij ongeveer 200 meter langs voornoemde rail. Vervolgens kwamen zij tot stilstand. Zowel [verbalisant 1] als ook [verbalisant 2] hebben aangifte gedaan. Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij zag dat de Polo kortstondig naar rechts stuurde. Hij reed achter de Polo toen de Volvo eraan kwam. Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard dat hij de Polo geen moment uit het zicht heeft gehad voordat deze is gestopt. Hij heeft verder verklaard volledig zicht te hebben gehad op de deur als de bestuurdersportier vervolgens open gaat. Hij ziet vervolgens één persoon, verdachte, de auto uit rennen en hij is bovenop deze persoon gaan zitten. Verbalisant [verbalisant 5] heeft eveneens verklaard dat hij continu zicht heeft gehad op de bestuurdersportier en dat hij één persoon uit de Polo heeft zien komen en dat dit de man is die is aangehouden. Bewijsoverwegingen De persoon De rechtbank overweegt dat de eerste vraag die zij dient te beantwoorden, de vraag is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte diegene is geweest die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, gelet op het standpunt van de verdediging dat verdachte slechts passagier was. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Op het moment dat de Polo tot stilstand komt, zijn er agenten ter plekke die continu zicht hebben op de auto en de persoon die aan de bestuurderskant uitstapt. Deze persoon wordt aangehouden en dit blijkt verdachte te zijn. Maar ook blijkt uit geen enkele andere verklaring van welke agent dan ook dat er sprake zou zijn van een medeverdachte. Het enkele feit dat een van de verbalisanten aan verdachte heeft gevraagd of er meerdere verdachten zijn en dat er naar een eventuele medeverdachte is gezocht (toen verdachte op de vraag geen antwoord gaf), is een standaard veiligheidsprocedure en doet hieraan niet af. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw. Voor het nader horen van agenten zoals door de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht, waaronder de agent vergezeld van een politiehond, alsmede het verstrekken van meldkamergesprekken, ziet de rechtbank geen noodzaak. De feitelijke handelingen Vervolgens is de vraag aan de orde of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de feitelijke handelingen heeft gepleegd die ten laste zijn gelegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw op dit punt. Er bestaat bij de rechtbank geen onduidelijkheid omtrent de toedracht van de crash van de Volvo. De Volvo wilde links passeren en de Polo liet dat niet toe, de Volvo reed vervolgens rechts naast de Polo, waarna de Polo naar rechts stuurde en de Volvo aanreed, die daardoor over de vluchtstrook van de (snel)weg dreigde te raken, waarna de Volvo in een slip raakte en crashte. Of er al dan niet sprake is geweest van een inbox-procedure is niet relevant voor het rijgedrag van de Polo. Voorwaardelijk opzet De rechtbank overweegt dat aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opzettelijk van het leven te beroven. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of verdachte opzettelijk heeft gepoogd de dood van de slachtoffers teweeg te brengen. Vooropgesteld moet worden dat opzet in onvoorwaardelijke vorm niet bewezen kan worden. Daarvoor zou vereist zijn dat verdachte de mogelijke gevolgen van zijn handelen daadwerkelijk heeft bedoeld te veroorzaken of als een noodzakelijk gevolg van zijn handelen zou hebben aanvaard. Daarvan is niet gebleken. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat kan aanwezig worden geacht als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij door zijn hierboven omschreven verkeersgedrag de dood van de verbalisanten zou veroorzaken, heeft aanvaard. De vraag is dan of verdachte zo duidelijk onverschillig was omtrent de afloop van zijn verkeersgedrag dat hierin een welbewuste aanvaarding van de mogelijk ontstane gevolgen besloten ligt. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte met gedoofde verlichting en met zeer hoge snelheid, onder meer op de vluchtstrook van de A1 rijdend, auto’s (links en rechts) passerend, heeft willen voorkomen dat hij werd staande gehouden, hiervoor de Volvo door onverwachte gevaarlijke manoeuvres achter zich heeft willen houden, en daarbij plots naar rechts heeft gestuurd tegen het voertuig van de twee verbalisanten aan. Hierin ligt een welbewuste aanvaarding van de kans op de dood van deze verbalisanten besloten, gelet op het feit van algemene bekendheid dat een dergelijke gedraging bij dergelijke hoge snelheden, eenvoudig tot een ongeluk kan lijden met ernstig letsel of de dood tot gevolg. Het is voor de rechtbank aannemelijk geworden dat verdachte, gelet op zijn wijze van rijden, grote risico’s (op het veroorzaken van een ernstig verkeersongeluk) heeft genomen en dat hij zich daarvan ook bewust is geweest. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de verbalisanten. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. De onder 1 ten laste gelegde pogingen tot doodslag acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 subsidiair en 3 subsidiair Bewijsmiddelen Aangever [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat er op 28 juli 2013 is ingebroken in zijn woning. Daarbij is zowel een autosleutel als ook de zwarte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] weggenomen. Verder zijn weggenomen een horloge (merk Champion Sapphire), een horloge (merk Axcent), een geheugenkaart (Lexar 8g) en een afstandsbediening (merk Nikon). In de op 30 juli 2013 onder verdachte inbeslaggenomen Volkswagen Polo wordt een rugzak aangetroffen. In deze rugzak worden een horloge (merk Axcent), een horloge (merk Champion), een afstandsbediening (merk Nikon) en een kaartje (8gb) aangetroffen. Bewijsoverweging De rechtbank overweegt dat verdachte op 30 juli 2013 is aangehouden in een auto die twee dagen daarvoor, door middel van diefstal van de autosleutel, is gestolen bij de woning aan 't Woerel 3 te Bunnik en in die auto worden ook verschillende andere goederen aangetroffen die op dezelfde datum uit bovengenoemde woning zijn weggenomen. Daar komt bij dat verdachte ook geen verklaring heeft afgelegd hoe hij – te goeder trouw – aan deze goederen is gekomen. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde helingen heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt dat ook het verweer van de raadsvrouw dat er sprake zou zijn van onvoldoende bewijs. Feit 4 primair Bewijsmiddelen Aangever [aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat er op 30 juli 2013 tussen 14.30 uur en 21.30 uur is ingebroken in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats]. Daarbij zijn een autosleutel (van een Audi A6), een telefoon (een Samsung Galaxy), een Spiegelreflexcamera (Konika Minolta), drie horloges (waaronder een horloge met inscriptie 24-6-2004 of iets dergelijks), sieraden (waaronder een armband met inscriptie 'Alice' en een ring), een geldbedrag (in buitenlandse valuta) en een koperen asbak weggenomen. Op diezelfde dag is in de fouillering bij verdachte de autosleutel van aangever aangetroffen. Verder wordt er in de inbeslaggenomen Volkswagen Polo een rugzak aangetroffen. In deze rugzak worden een fotocamera van het merk Konica Minolta, een mobiele telefoon van het merk Samsung, twee horloges, een geldbedrag in buitenlandse valuta en een koperen asbakje aangetroffen. Deze goederen zijn door aangever herkend als zijn eigendommen. Gebleken is de Iphone met nummer *730 van verdachte is. Deze telefoon is aangestraald op 30 juli 2013 om 20.58 uur op de [adres] nabij perceel [nummer] te [woonplaats]. Bewijsoverweging De rechtbank komt, gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen, tot het oordeel dat verdachte de onder 4 primair ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte diegene is geweest die de inbraak heeft gepleegd. De rechtbank baseert dat oordeel op de omstandigheden dat er op 30 juli 2013 is ingebroken in een woning in [woonplaats], dat nog diezelfde dag de gestolen goederen bij verdachte worden aangetroffen en dat de telefoon van verdachte een mast heeft aangestraald ten tijde van de inbraak in [woonplaats], in dezelfde straat. Op basis hiervan, en voorts gegeven het feit dat verdachte voor de twee laatste omstandigheden geen verklaring heeft gegeven, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de woninginbraak heeft gepleegd. Het verweer van de raadsvrouw dat er sprake zou zijn van onvoldoende bewijs, verwerpt de rechtbank dan ook. Feit 5 subsidiair Bewijsmiddelen Op 30 juli 2013 wordt in de fouillering van verdachte een tankpas aangetroffen met daarop een kenteken. Uit onderzoek blijkt [aangever 3] de gebruiker van dit voertuig te zijn. Bij navraag blijkt [aangever 3] inderdaad de tankpas te missen. Hij doet vervolgens aangifte van diefstal van de tankpas. Bewijsoverweging De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de tankpas. Deze is bij verdachte aangetroffen en hij heeft hiervoor geen verklaring gegeven, terwijl dat onder deze omstandigheden wel van hem mocht worden verwacht. Feit 6 primair Bewijsmiddelen Op 30 juli 2013 worden in de fouillering van verdachte twee facturen van de firma 2 sell used products 4 sale aangetroffen. Eén factuur is van de vestiging Zwolle. Uit de factuur van de vestiging Zwolle blijkt dat verdachte op 26 juli 2013 een laptop merk Compaq verkocht heeft. Uit onderzoek blijkt dat aangetroffen laptop eigendom was van [aangever 9] en I. [aangever 8]. Op 26 juli 2013 heeft aangeefster I. [aangever 8] mede namens [aangever 9] aangifte gedaan van een inbraak in hun woning aan de [adres] te [woonplaats], gemeente Tynaarlo, tussen 25 juli 2013 om [nummer].30 uur en 26 juli 2013 om 08.30 uur. Bij deze woninginbraak is onder andere een Compaq Presario laptop, een tablet PC (Nexus) en twee portemonnees met inhoud weggenomen. Bewijsoverweging De rechtbank is van oordeel dat de onder 6 primair ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe dat er op 30 juli 2013 is ingebroken in een woning te [woonplaats] en nog diezelfde dag heeft verdachte een van de weggenomen goederen verkocht. Daar komt nog bij dat de telefoon van verdachte een mast heeft aangestraald op de tijd van de inbraak in de buurt van de woning zonder dat verdachte daarvoor een verklaring voor heeft gegeven. Het verweer van de raadsvrouw dat er sprake zou zijn van onvoldoende bewijs, verwerpt de rechtbank dan ook. Feit 7 Bewijsmiddelen Op 30 juli 2013 worden in de fouillering van verdachte twee facturen van de firma 2 sell used products 4 sale aangetroffen. Uit de factuur van de vestiging Zwolle blijkt dat verdachte op 26 juli 2013 een TomTom navigatiesysteem verkocht heeft voor 20 euro. Uit de factuur van de vestiging Breda blijkt dat verdachte op 18 juli 2013 een laptop Sony Vaio verkocht heeft voor 70 euro. Uit onderzoek blijkt dat de aangetroffen laptop is gestolen van [aangever 4] bij een inbraak in zijn woning op 16 juli 2013.[aangever 4] heeft op diezelfde dag aangifte gedaan van deze woninginbraak. Uit onderzoek blijkt verder dat de aangetroffen TomTom is gestolen van [aangever 5]. Zij was deze kwijt sinds [nummer] juli 2013. [aangever 5] heeft vervolgens op 16 augustus 2013 aangifte gedaan van diefstal van de TomTom. Bewijsoverweging Met betrekking tot het onder 7 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden veroordeeld voor de tenlastegelegde (schuld)heling. Bovenstaande bewijsmiddelen, met name dat verdachte de aangetroffen goederen voor lage bedragen binnen een kort tijdsbestek na de diefstallen heeft verkocht, bieden voldoende steun voor het oordeel van de rechtbank dat verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van de goederen redelijkerwijs behoorde te weten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat 1. hij op 30 juli 2013 te Eemnes en/of Baarn, althans in het arrondissement Midden-Nederland in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk - [verbalisant 1] (hoofdagent van Korps Landelijke Politiediensten) en - [verbalisant 2] (brigadier van Korps Landelijke Politiediensten) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Rijksweg A1 met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur en met gedoofde verlichting en over de vluchtstrook en terwijl hij, verdachte, op de vlucht was voor en achtervolgd werd door een of meer politieambtenaren in een of meer opvallende surveillancevoertuigen van de politie naar rechts heeft gestuurd in de richting van het naast hem, verdachte, rijdend opvallend surveillancevoertuig waarin die [verbalisant 1] en die [verbalisant 2] zich bevonden en daarbij tegen de linkerflank en het linkerachterportier van voornoemd opvallend surveillancevoertuig is aangereden zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; 2. Subsidiair hij op 30 juli 2013 te Eemnes en/of Baarn, een autosleutels van Volkswagen Polo [kenteken] en een horloge (merk Champion Sapphire) en een horloge (merk Axcent) en een geheugenkaart (Lexar 8g) en afstandsbediening (merk Nikon) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; 3. Subsidiair hij op of omstreeks 30 juli 2013 te Eemnes en/of Baarn, een personenauto Volkswagen Polo ([kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 4. Primair hij op 30 juli 2013 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een autosleutel (van Audi A6) en telefoon (Samsung) en een camera (Konica Minolta) en een of meer horloges (waaronder een horloge met inscriptie '17-06-2004') en sieraden (waaronder een armband met inscriptie 'Alice' en een zilveren ring met Zeeuwse kop) en een geldbedrag (in buitenlandse valuta) en een koperen asbak, toebehorende aan [aangever 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door inklimming via de schuifpui van voornoemde woning; 5. Subsidiair hij op 30 juli 2013 te Eemnes en/of Baarn, een tankpas heeft verworven, voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die tankpas redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 6. Primair hij op 26 juli 2013 te [woonplaats], gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een woning (gelegen aan [adres]) een laptop (Compaq presario) en een tablet PC (Nexus) en een of meer portemonnees met inhoud, toebehorende aan [aangever 9] en [aangever 8]; 7. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli tot en met 26 juli 2013 te Breda en te Zwolle, een laptop (Sony Vaio) en een navigatiesysteem (merk Tom Tom) (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde laptop en navigatiesysteem redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op: Feit 1: Poging doodslag, meermalen gepleegd; Feit 3 subsidiair en feit 5 subsidiair: Telkens schuldheling; Feit 4 primair: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming; Feit 6 primair: Diefstal; Feit 2 subsidiair en feit 7 Telkens schuldheling, meermalen gepleegd. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de eis van de officier van justitie veel te hoog is en de straf derhalve gematigd dient te worden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Verdachte is, om aan de politie te ontkomen, met gedoofde lichten en hoge snelheid over de (vluchtstrook van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.