RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661613-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 oktober 2014 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1984], gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen pinpassen heeft gestolen van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 7]; Feit 2: samen met anderen, met behulp van gestolen pinpassen, geldbedragen heeft gepind en kleding heeft gekocht. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd feit 1 en 2 bewezen te verklaren, ten aanzien van de aangevers [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4]. Bij deze feiten is sprake van diefstal in vereniging. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de diefstallen, ten laste gelegd onder feit 1 en 2, die betrekking hebben op de aangevers [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 7]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte iets te maken heeft met de diefstal van de pinpas van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]). Het signalement dat door de getuigen wordt gegeven, past niet op het signalement van verdachte. Bovendien wordt door getuige [getuige 1] verklaard dat de man Nederlands sprak, terwijl verdachte geen woord Nederlands spreekt. De verklaring van verdachte dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) contact heeft gehad met deze man, wordt bevestigd door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] die verklaren dat er mogelijk drie personen waren. Niemand wijst verdachte aan als de dader en er is onvoldoende bewijs dat verdachte bij dit feit als medepleger betrokken zou zijn. Verdachte moet daarom van deze diefstal worden vrijgesproken. Wat betreft de diefstal van de pinpas van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]) heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] deze pinpas had en dat hij van de diefstal op de hoogte is, maar niets heeft kunnen doen om deze diefstal te beletten. Ook bij deze diefstal strookt het door de aangever gegeven signalement niet met het uiterlijk van verdachte. Door medeverdachte [medeverdachte 2] wordt verklaard, dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] de pinpas en een geldbedrag van € 1.250,- bij zich had. [medeverdachte 2] dicht verdachte bij dit feit geen enkele rol toe. Uit het dossier blijkt dus niet dat verdachte bij de diefstal van de pinpas en het geld betrokken is, zodat hij ook hiervan moet worden vrijgesproken. Ook van de feiten waarbij de aangevers [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 7] zijn betrokken, moet verdachte worden vrijgesproken. Uit zowel de signalementen als het beeldmateriaal blijkt dat het niet verdachte kan zijn die de diefstallen heeft gepleegd. De diefstallen waarvan aangifte is gedaan door [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zijn door verdachte bekend en kunnen dus bewezen worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak ten aanzien van [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 7] Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van de pinpassen van [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 7] (feit 1). Ook kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte met deze gestolen pinpassen geldbedragen heeft gepind en/of kleding heeft gekocht (feit 2). 4.3.2 Het bewijs ten aanzien van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde diefstallen met betrekking tot de aangevers [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen. 4.3.2.1 Het bewijs ten aanzien van [benadeelde 1] Op 21 juni 2014 is door [benadeelde 1] aangifte gedaan van diefstal. [benadeelde 1] bevond zich op 21 juni 2014 omstreeks 16.15 uur bij een parkeerautomaat in Utrecht. [benadeelde 1] probeerde te pinnen, maar zag vervolgens dat zijn pasje niet meer uit de gleuf kwam. Hij hoorde dat hij werd aangesproken door een man in een zwart pak, die hem vertelde dat zijn pasje ook was opgegeten. De man zei tegen [benadeelde 1] dat hij zijn pincode in moest voeren, op ‘OK’ moest drukken en daarna op ‘STOP’ moest drukken. [benadeelde 1] keek ondertussen naar het scherm van de parkeerautomaat en hoorde toen iemand roepen: “Meneer, meneer die man gaat er met uw pas vandoor”. [benadeelde 1] heeft vervolgens naar de man geroepen dat hij terug moest komen. Een bekende van [benadeelde 1] is vervolgens achter de man aangerend. Getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) heeft verklaard dat hij op 21 juni 2014 omstreeks 16.15 uur in Utrecht was en zag dat een man met een kruk bij de betaalautomaat van de parkeerplaatsen stond. Achter de man stond een man in een donker pak die zich verdacht gedroeg. [getuige 3] had het idee dat deze man over de schouder van de andere man meekeek. [getuige 3] hoorde dat de man met de kruk riep en [getuige 3] zag dat de man in het pak het op een rennen zette. [getuige 3] zag dat de man een mobiele telefoon aan zijn oor hield. [getuige 3] is achter de man aangerend. [getuige 3] zag dat de man naar de Vleutenseweg rende en dat er over de busbaan op de Vleutenseweg een zwarte Mercedes A-klasse aan kwam rijden. [getuige 3] zag vervolgens dat de man in de Mercedes stapte en dat de Mercedes met hoge snelheid wegreed. Verdachte heeft op 22 juni 2014 verklaard dat hij de dag ervoor naar een parkeerautomaat is gelopen en dat daar een probleem ontstond, omdat de kaart in de parkeerautomaat bleef zitten. Er werd wat geroepen en verdachte heeft vervolgens de benen genomen. Verdachte is vervolgens bij [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) ingestapt. Verdachte heeft verder verklaard dat hij tijdens de achtervolging uit de auto is gestapt en is weggerend. Door verbalisant [verbalisant] is gerelateerd dat hij op 21 juni 2014 een zwarte Mercedes met kenteken [kenteken] achtervolgde. Bij de bestuurder van de Mercedes werd een rijbewijs aangetroffen met daarop de volgende gegevens: [medeverdachte 2], geboren op [1980] te [land]. Bewijsoverwegingen ten aanzien van [benadeelde 1] Door de raadsman is betoogd dat verdachte op basis van de signalementen en de verklaringen die zijn afgelegd niet de dader kan zijn geweest. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. [benadeelde 1] heeft verklaard over één man in een zwart pak, door wie hij is aangesproken. Nadat [benadeelde 1] van een getuige hoorde dat de man er met zijn pas vandoor ging, heeft hij naar de man geroepen. Getuige [getuige 3] hoorde de man bij de betaalautomaat iets roepen en zag dat een man in een donker pak, die zich daarvoor bij de betaalautomaat verdacht had gedragen, het op een rennen zette. Vervolgens is de man door getuige [getuige 3] achtervolgd, totdat de man instapte in een zwarte Mercedes. Door verdachte is verklaard, dat hij contact heeft gehad met een persoon bij de parkeerautomaat en dat hij bij [medeverdachte 2] is ingestapt. Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die de pas van [benadeelde 1] heeft gestolen. Gelet op de afgelegde verklaringen, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten dat [medeverdachte 1] of een derde de pas van [benadeelde 1] zou hebben afgenomen. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte de hierna te noemen diefstallen ten aanzien van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft bekend en dat deze diefstallen qua modus operandi sterke overeenkomsten vertonen met de diefstal van de pinpas van [benadeelde 1]. 4.3.2.2 Het bewijs ten aanzien van [benadeelde 2] Op 24 juni 2014 wordt door [benadeelde 2] aangifte gedaan van diefstal. [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij zich op 21 juni 2014 omstreeks 15.30 uur in Utrecht bevond. Hij werd aangesproken door een man die hem zei dat hij wilde parkeren, maar dat dit niet lukte. [benadeelde 2] zag dat de man een creditcard bij zich had. De man gaf aan dat de kaart niet in de parkeerautomaat kon. heeft vervolgens zijn betaalpas gepakt en deze in de parkeerautomaat gestopt. Hij zag dat zijn betaalpas niet terug kwam uit de parkeerautomaat. De man liep weg en kwam niet meer terug. [benadeelde 2] probeerde zijn betaalpas terug te krijgen, maar dat lukte niet. Hij kreeg toen door dat de man zijn betaalpas gestolen moest hebben. Op 22 juni heeft [benadeelde 2] contact opgenomen met de bank en hoorde hij dat er een bedrag van € 1.250,- was opgenomen. Bij de doorzoeking van de Mercedes, kenteken [kenteken], wordt een ING bankpas op naam van [benadeelde 2] aangetroffen. Bij verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) is een geldbedrag van € 1.475,00 aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat de ING bankpas, die in de auto is aangetroffen, ’s middags door [medeverdachte 1] in de auto is gelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat de bankpas van diefstal afkomstig is. Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in het bezit was van een oranje pinpas. Het geld dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen, heeft [medeverdachte 2] gekregen van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] gaf dat geld aan hem een half uur voor ze werden achtervolgd en het ongeluk plaatsvond. Bewijsoverwegingen ten aanzien van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de pinpas van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gestolen en met de pinpas van [benadeelde 2] geld heeft gepind. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte als medepleger bij beide diefstallen is betrokken geweest. De rechtbank leidt dit af uit het volgende. Op 21 juni 2014 omstreeks 15.30 uur wordt de pinpas van aangever [benadeelde 2] gestolen. [benadeelde 2] is benaderd door een man die hem vroeg voor hem een betaling te verrichten bij de parkeerautomaat. De pinpas van [benadeelde 2] is aangetroffen in de Mercedes waarin verdachte en [medeverdachte 2] hebben verklaard te hebben gezeten. Beiden verklaren dat [medeverdachte 1] deze pinpas bij zich had. [medeverdachte 2] verklaart bovendien dat [medeverdachte 1] hem, een half uur voor de achtervolging plaatsvond, een geldbedrag van € 1.475,- heeft gegeven. Binnen een uur na de diefstal van de pinpas van [benadeelde 2], wordt ook aangever [benadeelde 1] van zijn pinpas bestolen. De modus operandi van beide diefstallen komt sterk overeen. Ook [benadeelde 1] wordt aangesproken door een man op het moment dat hij bij een parkeerautomaat pint. Nadat de man zich met de pintransactie heeft bemoeit, blijkt de pinpas van [benadeelde 1] gestolen te zijn. Nadat verdachte bij het plaats delict is weggerendHd , wordt hij opgepikt door de Mercedes, die door [medeverdachte 2] wordt bestuurd. [medeverdachte 2] rijdt met hoge snelheid weg en laat, tijdens de achtervolging, maar buiten het zicht van de achtervolgende politieauto, verdachte uit de auto stappen. Dat [medeverdachte 2] (als chauffeur) niet op de hoogte zou zijn geweest van de diefstallen die zich buiten de auto afspeelden, wordt alleen al weersproken door het feit dat verdachte direct na de diefstal van de pinpas en het gepinde geldbedrag van [benadeelde 2], dit geldbedrag van [medeverdachte 1] overhandigd krijgt. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat zo’n groot geldbedrag in bewaring wordt gegeven bij iemand die geen enkele wetenschap heeft van de diefstallen. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de pinpas van [benadeelde 2] en het pinnen van geld door de verdachten [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] in vereniging en met een vooropgezet plan zijn gepleegd. Dat de verdachten bij deze diefstal verschillende rollen hebben gehad en niet alle drie bij de feitelijke uitvoering betrokken zijn geweest, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de diefstal van de pinpas van [benadeelde 1], zij het dat er geen bewijs is voor het medeplegen van dat feit door [medeverdachte 1]. 4.3.2.3 Het bewijs ten aanzien van [benadeelde 3] Op 31 maart 2014 is door [benadeelde 3] aangifte gedaan van diefstal van zijn pinpas. Op 29 maart 2014 omstreeks 10.40 uur wilde [benadeelde 3] pinnen in Soest. Dicht achter [benadeelde 3] stond een man die vroeg of hij kon helpen. Nadat de man verschillende gebaren en bewegingen had gemaakt, liep hij weg. [benadeelde 3] kwam er toen achter dat zijn pinpas gestolen was. Van een getuige die achter de man aan liep, hoorde [benadeelde 3] dat de man samen met een ander persoon wegliep. In aanvulling op zijn aangifte heeft [benadeelde 3] op 7 april 2014 verklaard, dat met zijn pinpas door onbekenden twee keer geld is opgenomen. Op 29 maart 2014 zijn de volgende bedragen opgenomen: € 1.150,- en € 1.750,-. Door een verbalisant worden de camerabeelden bekeken van de Rabobank in Soest, op 29 maart 2014 te 10.32 uur en verder. Door de verbalisant wordt het volgende gerelateerd. Het slachtoffer staat voor de pinautomaat. Op de achtergrond is een donkerkleurige Mercedes zichtbaar met een witte kentekenplaat. Verdachte 1 bemoeit zich met de handelingen van het slachtoffer. Verdachte 1 loopt weg in de richting van de Mercedes. Later verschijnt verdachte 1 bij de bank, gevolgd door een 2e verdachte. Beide verdachten staan voor de pinautomaat. De automaat geeft aan dat er € 1.750,- is opgenomen. Verdachte heeft op 3 juli 2014 verklaard dat hij in Soest een pinpas heeft gestolen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij van die rekening geld heeft gepind. Verdachte was daar samen met [medeverdachte 1]. 4.3.2.4 Het bewijs ten aanzien van [benadeelde 4] heeft in zijn aangifte verklaard, dat hij op 29 maart 2014 omstreeks 11.30 uur ging pinnen in Bussum. [benadeelde 4] deed zijn pinpas in de sleuf en toetste zijn pincode in. Toen hij zijn pas eruit wilde halen, zag hij dat deze niet meer zichtbaar was. Een vrouw die achter [benadeelde 4] stond, vertelde hem dat ze bij de automaat twee verdachte personen had gezien. hoorde van een medewerker van de bank, dat er om 11.34 uur € 1.000,- en om 11.36 uur € 250,- met zijn pinpas was gepind. Verdachte heeft op 3 juli 2014 over de diefstal in Bussum verklaard, dat hij het pasje uit de automaat heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij dit pasje heeft gestolen en ook een geldbedrag heeft gepind. Verdachte was bij de diefstal van de pinpas samen met [medeverdachte 1]. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. op tijdstippen, in de periode van 29 maart 2014 tot en met 21 juni 2014 te Utrecht en Soest en Bussum, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pinpassen, toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4]; 2. op tijdstippen in de periode van 29 maart 2014 tot en met 21 juni 2014 te Utrecht en Soest en Bussum telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit pinautomaten heeft weggenomen geldbedragen (meermalen van 1250 euro en 2900 euro) toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4], waarbij verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.