vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/340029 / HA ZA 13-184 Vonnis van 5 maart 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRORAIL B.V., gevestigd te Utrecht, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TAXIBEDRIJF CIBATAX B.V., gevestigd te Eindhoven, 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., tevens h.o.d.n. Avéro Achmea, gevestigd te Apeldoorn, gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem. Partijen zullen hierna Prorail en Cibatax c.s. (afzonderlijk Cibatax en Achmea) genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 26 juni 2013 het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2013 ter gelegenheid waarvan Prorail een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen en Cibatax c.s. haar verweer in conventie heeft uitgebreid met een nieuw primair standpunt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Prorail is een organisatie die zorgdraagt voor de instandhouding van de railinfrastructuur in Nederland. 2.2. Op 5 januari 2010 heeft op de spoorwegovergang “Posthoorn” aan de Kapelweg te Boxtel een aanrijding plaatsgevonden tussen een trein van NS Reizigers en een taxibus die in eigendom toebehoort aan Cibatax. Deze aanrijding heeft geleid tot schade aan de door Prorail beheerde railinfrastructuur. 2.3. Achmea is de WAM-verzekeraar van de onder 2.2 bedoelde taxibus. 3Het geschil in conventie 3.1. Prorail vordert samengevat - (hoofdelijke) veroordeling van Cibatax c.s. tot betaling van een bedrag van € 96.501,53, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. Cibatax c.s. voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. Cibatax c.s. vordert samengevat - veroordeling van Prorail tot betaling van een bedrag van € 19.700,10, vermeerderd met rente en kosten. 3.5. Prorail voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of op de vordering van Prorail artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) van toepassing is, en zo ja, of Cibatax c.s. onder de omstandigheden van het onderhavige geval een beroep toekomt op overmacht als bedoeld in deze bepaling. Toepasselijkheid artikel 185 Wegenverkeerswet 4.2. Op grond van artikel 185 WVW is de eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden en die betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken, verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is. 4.3. Ter gelegenheid van de comparitie heeft Cibatax c.s. haar verweer uitgebreid met een nieuwe primaire stelling, die inhoudt dat artikel 185 WVW in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat de zaken die beschadigd zijn, niet toebehoren aan een bij de aanrijding betrokken partij. 4.4. De rechtbank constateert dat artikel 185 WVW voor toepasselijkheid van deze bepaling de eis stelt dat er sprake is van een “verkeersongeval”. Dit duidt erop dat er sprake moet zijn van een aanrijding tussen een schadebrengend motorrijtuig en een persoon of zaak die niet door dat motorrijtuig wordt vervoerd, maar wel deelneemt aan het verkeer. Dit kan de gedachte doen postvatten dat indien - zoals in het onderhavige geval - een motorrijtuig in botsing komt met een trein, en dit vervolgens leidt tot schade aan zaken van een derde die niet rechtstreeks bij het verkeersongeval zelf betrokken zijn, zoals de door Prorail beheerde infrastructuur, deze relatie ontbreekt en de aansprakelijkheid niet op artikel 185 WVW kan worden gegrond. Deze gedachte wordt versterkt door het feit dat ook het begrip “overmacht” een rechtstreekse relatie veronderstelt tussen de handeling van de eigenaar of houder van het motorrijtuig enerzijds en de omstandigheden waaronder het verkeersongeval plaatsvond (de invloed van de plaats van het ongeval en van de bij het verkeersongeval betrokken personen of zaken op het ontstaan van het verkeersongeval) anderzijds. 4.5. Anderzijds moet de rechtbank constateren dat artikel 185 WVW zeer ruim is geformuleerd, in die zin dat personen of zaken die niet door het schadebrengend motorrijtuig worden vervoerd, onder de schadevergoedingsplicht van de eigenaar of houder van dat motorrijtuig worden geschaard. 4.6. Bovendien kan in het onderhavige geval de analogie worden gemaakt met de situatie dat een motorrijtuig ten gevolge van een verkeersongeval schade toebrengt aan wegmeubilair. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 185 WVW moet worden afgeleid dat de wetgever er vanuit gaat dat schade aan wegmeubilair wel onder het toepassingsgebied van deze bepaling valt, en dat dergelijke schade alleen van het toepassingsgebied is uitgesloten als deze niet het gevolg is van een verkeersongeval, maar van een stilstaand motorvoertuig dat een gebrek vertoont. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (Tweede Kamer 2004-2005, 29955, nr. 3) is immers overwogen dat de tot dan toe bestaande beperking van de aansprakelijkheid tot de waarde van het motorrijtuig niet meer adequaat was, mede omdat “de kosten van herstelwerkzaamheden aan de weg en aan wegmeubilair […] veel lager [waren] dan vandaag de dag met vangrails, geluidsschermen, verkeersinstallaties, viaducten en bruggen en dergelijke.” Voorts wordt in de MvT aangegeven dat “Naar huidige inzichten […] degene die het profijt heeft van het gebruik van het motorrijtuig ook de volledige verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het gebruik [dient] te dragen” en dat “Niet valt in te zien waarom de eigenaar of houder van een motorrijtuig niet de gehele door hem veroorzaakte schade zal dragen indien aan alle daaraan gestelde eisen is voldaan.” 4.7. Ook in de jurisprudentie zijn aanwijzingen te vinden dat ook schade aan zaken en personen die niet rechtstreeks met het verkeersongeval te maken hebben, onder het toepassingsbereik van artikel 185 WVW valt. De rechtbank wijst op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 april 1972 (NJ 1972, 473), waarin door het hof werd overwogen dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 185 WVW “steun geeft aan […] beperking tot voorwerpen op de weg”. Schade aan een bovenleiding van een trambaan werd vervolgens onder het toepassingsbereik van deze bepaling gebracht. Voorts heeft het Gerechtshof Den Haag op 30 september 2008 (LJN:BJ6816), in een geval waarin sprake was van een aanrijding tussen een trein en een trekker met oplegger, die ertoe leidde dat er schade ontstond aan de railinfrastructuur (waarvan Prorail vervolgens vergoeding vorderde), het betoog dat artikel 185 WVW niet van toepassing was, gepasseerd. 4.8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onvoldoende aanleiding heeft om af te wijken van de ruime formulering van de wetstekst van artikel 185 WVW door daarin een beperking te lezen tot schade aan personen of zaken die rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken waren. Dit betekent dat ook de (gevolg-)schade die de aanrijding tussen het onderhavige motorrijtuig en de trein van NS reizigers heeft gehad voor de door Prorail beheerde infrastructuur, valt onder het toepassingsbereik van artikel 185 WVW. Beroep op overmacht 4.9. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat de schade aan de infrastructuur het gevolg is van een verkeersongeval met een aan Cibatax in eigendom toebehorend (en door Achmea verzekerd) motorrijtuig. Het bepaalde in artikel 185 WVW brengt in dat geval mee dat Cibatax c.s. aansprakelijk is voor deze schade, tenzij aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Volgens vaste jurisprudentie is van overmacht slechts sprake indien de bestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt (o.a. Hoge Raad 22 mei 1992, LJN:ZC0616). Stelplicht en bewijslast terzake rust op degene die zich op overmacht beroept (Hoge Raad 17 november 2000, LJN:AA8737). 4.10. Cibatax c.s. heeft in dit kader aangevoerd dat het ontstaan van het ongeval geheel te wijten is aan omstandigheden waarop de bestuurder van het motorrijtuig geen enkele invloed had, namelijk de slechte omstandigheden van het wegdek ter plaatse (glooiïng van de toegangsweg naar de spoorwegovergang, afgesleten klinkers op de spoorwegovergang en het bestaan van een nivoverschil tussen de onverharde weg en een houten biels) in combinatie met de weersomstandigheden (gladheid door sneeuw), voor welke gevaren niet middels bebordingen was gewaarschuwd en waartegen ook geen andere maatregelen waren genomen (beter onderhoud en bestrijding van de gladheid). 4.11. De rechtbank begrijpt dat Prorail het standpunt inneemt dat het verkeersongeval het gevolg was van een optelsom van de volgende omstandigheden: de bestuurder van het motorrijtuig reed verkeerd en moest aan de overzijde van de spoorwegovergang keren, het motorrijtuig reed met een te geringe snelheid om de spoorwegovergang (terug) over te kunnen steken, het motorrijtuig was niet voorzien van winterbanden, de spoorwegovergang was besneeuwd en de bestuurder koos ervoor om niet achteruit te rijden op het moment dat hij merkte dat het voertuig slipte. 4.12. De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat de weersomstandigheden, bestaande uit gladheid door sneeuw, een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het onderhavige verkeersongeval. Ook het in deze procedure overgelegde onderzoeksrapport van een technisch rechercheur van de politie, alsmede het rapport van een door Cibatax c.s. ingeschakelde deskundige gaan ervan uit dat gladheid van het wegdek door sneeuw medeoorzaak was van het ontstaan van de aanrijding. De rechtbank zal daarvan dan ook in het navolgende uitgaan. 4.13. Het hiervoor overwogene brengt mee dat voor het slagen van het beroep van Cibatax c.s. op overmacht tenminste vereist is dat haar terzake van (de gevolgen van) deze ‘medeoorzaak’ geen rechtens relevant verwijt te maken valt. De rechtbank zal dat hierna beoordelen. 4.14. In zijn algemeenheid geldt dat het oversteken van een spoorwegovergang gevaren met zich brengt en dat de bestuurder van een overstekend motorrijtuig derhalve voorzichtig van een dergelijke overgang gebruik moet maken. Dit geldt temeer indien de weersomstandigheden ongunstig zijn. Uit de door de technisch rechercheur van de politie gemaakte foto’s blijkt dat er ten tijde van het verkeersongeval op de spoorwegovergang en de toegangsweg naar die spoorwegovergang sneeuw lag, zodat de bestuurder erop bedacht moest zijn dat het ter plaatse glad zou kunnen zijn. Niet gesteld of gebleken is dat de bestuurder van het motorrijtuig gelet op deze omstandigheden voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat hij de spoorwegovergang zou kunnen passeren. Zeker bij een professioneel vervoerder als Cibatax mag verwacht worden dat zij haar voertuigen zodanig uitrust dat deze op in Nederland voorkomende weersomstandigheden voorbereid zijn. Ter comparitie heeft Cibatax c.s. erkend dat het motorrijtuig op het moment van de aanrijding niet voorzien was van winterbanden, maar aangevoerd dat zij daartoe niet gehouden is, omdat winterbanden in Nederland niet verplicht zijn en zij er dus vanuit kan gaan dat Nederlandse wegen ook bij sneeuw veilig met zomerbanden kunnen worden bereden. Daarmee miskent Cibatax c.s. dat van wegbeheerders niet gevergd kan worden dat zij ervoor zorgen dat te allen tijde elke openbare weg sneeuwvrij is en geen gladheid vertoont. De wegbeheerder kan bij slechte weersomstandigheden niet overal tegelijk zijn en mag prioriteiten stellen. Dit betekent dat een bestuurder van een motorrijtuig er rekening mee moet houden dat hij in een situatie terecht kan komen waarin een wegdek door sneeuw is bedekt en/of gladheid vertoont. Voor een dergelijk geval moet het motorrijtuig, zeker als het gaat om een motorrijtuig van een professionele vervoerder, zijn voorzien van beschikbare hulpmiddelen die een veilig gebruik van het betreffende stuk wegdek mogelijk maken. De omstandigheid dat de wetgever het niet noodzakelijk acht om dergelijke hulpmiddelen verplicht voor te schrijven, betekent niet dat een bestuurder niet gehouden kan worden om dergelijke hulpmiddelen in te zetten. 4.15. Het standpunt van Cibatax c.s. dat zij betwist dat sprake is van een causaal verband tussen de aanrijding en het niet voorzien zijn van de taxibus van winterbanden, kan haar niet baten. Het is immers Cibatax c.s. op wie de stelplicht en de bewijslast rust dat haar terzake van het verkeersongeval geen enkel rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt. Cibatax c.s. heeft nagelaten om een voldoende specifiek bewijsaanbod te doen ten aanzien van het door haar gestelde ontbreken van causaal verband. Dit betekent dat niet geconcludeerd kan worden dat vaststaat dat Cibatax c.s. terzake van het verkeersongeval geen enkel rechtens relevante verwijt te maken is. 4.16. Gelet hierop kan in het midden blijven of er andere omstandigheden zijn, zoals een te lage snelheid bij het benaderen van de spoorwegovergang dan wel het nalaten van andere mogelijkheden om een aanrijding te voorkomen (door met de taxibus naar achteren te rijden), die eveneens de conclusie rechtvaardigen dat aan Cibatax een verwijt kan worden gemaakt terzake van het ontstaan van het verkeersongeval. 4.17. Het voorgaande betekent dat het beroep van Cibatax c.s. op overmacht faalt en dat Cibatax c.s. in beginsel aansprakelijk is voor de door Prorail ten gevolge van het verkeersongeval geleden schade. Eigen schuld 4.18. Als verweer tegen de omvang van de gevorderde schadevergoeding heeft Cibatax c.s. onder meer naar voren gebracht dat Prorail eigen schuld ter zake van het ontstaan van de aanrijding kan worden verweten, aangezien het verkeersongeval mede is veroorzaakt door: gebreken in het wegdek van de spoorwegovergang (afgesleten klinkers, glooiïng van de toegangsweg naar de spoorwegovergang en het bestaan van een nivoverschil tussen de onverharde weg en een houten biels), het ontbreken van waarschuwingen voor deze gebreken, het nalaten van maatregelen om de gladheid op de spoorwegovergang te bestrijden, het ontbreken van waarschuwingen voor gladheid op de spoorwegovergang en het ontbreken van waarschuwingen voor een doodlopende weg. 4.19. De stelplicht en bewijslast van eigen schuld van de benadeelde rust in beginsel op de partij die zich op eigen schuld beroept (Hoge Raad 11 juni 2010, LJN:BM1733), derhalve op Cibatax c.s. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.