RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/659938-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 januari 2015 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1978] te [geboorteplaats] (Libanon), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 primair: [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit seksueel binnendringen; Feit 1 subsidiair: [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en of dulden van ontuchtige handelingen; Feit 1 meer subsidiair: ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1]; Feit 2: ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2]. 3Voorvragen Geldigheid van de dagvaarding In de tenlastelegging onder feit 2 is een innerlijke tegenstrijdigheid opgenomen, namelijk dat [slachtoffer 2], geboren op [1996], minderjarig is in de ten laste gelegde periode van 31 maart 2014 tot en met 30 juni 2014. Uit de geboortedatum blijkt echter dat [slachtoffer 2] in die periode meerderjarig was. Dit maakt de tenlastelegging onbegrijpelijk ten aanzien van dit feit en daarom zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaren. De dagvaarding is voor het overige geldig. Overige voorvragen Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en bewezenverklaring gevorderd van feit 1 meer subsidiair. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen kan worden voor zover verdachte dat heeft bekend. De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [slachtoffer 1] over de frequentie en het binnendringen niet betrouwbaar is en niet wordt ondersteund door ander betrouwbaar bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en zal verdachte daarvan vrijspreken, nu zij niet de overtuiging heeft dat er sprake is geweest van enige juridisch te kwalificeren vorm van dwang. Het uitsluitend bestaan van een afhankelijkheidsrelatie tussen de dader en het slachtoffer is in ieder geval onvoldoende om tot een vorm van dwang te kunnen concluderen. Het bewijs ten aanzien van feit 1 meer subsidiair Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen. 1. De aangifte, gedaan door [A] namens [slachtoffer 1] d.d. 30 juni 2014; 2. De verklaringen van [slachtoffer 1] d.d. 9 juli 2014; 3. De verklaringen van [slachtoffer 1] d.d. 23 juli 2014; 4. De verklaring van verdachte d.d. 7 november 2014. Overwegingen ten aanzien van feit 1 meer subsidiair De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring uit van hetgeen door verdachte is bekend en spreekt partieel vrij van de overig in de tenlastelegging opgenomen handelingen, omdat zij voor deze handelingen geen (overtuigend) steunbewijs heeft aangetroffen in het dossier. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. Meer subsidiair op meer tijdstippen in de periode van 15 juli 2013 tot en met 28 mei 2014 te Benschop en Maarssen meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] geboren op [1997], bestaande die ontucht hieruit dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, - zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken en - die [slachtoffer 1] heeft afgetrokken en - die [slachtoffer 1] heeft gepijpt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als Feit 1 meer subsidiair: ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Uit het de verdachte betreffende pro justitia rapport van 9 december 2014, opgemaakt door drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog, komt naar voren dat verdachte functioneert op een zwakbegaafd niveau en dat hij een afhankelijke en naïeve indruk maakt. Er is sprake van weinig probleembesef en zelfinzicht. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis en er zijn ook geen aanwijzingen voor ziekelijke stoornissen. Verdachte is naïef geweest en heeft nagelaten de gevolgen van zijn handelen te overzien. Hij is daar vanwege zijn zwakbegaafdheid ook niet goed toe in staat, aldus de psycholoog. Het advies van de psycholoog is om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt de conclusies van drs. Lander over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal verdachte dan ook als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen en dit meewegen bij de strafoplegging. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke werkstraf. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige [slachtoffer 1]. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat er vier incidenten hebben plaatsgevonden waarbij ontuchtige handelingen zijn gepleegd. Verdachte heeft niet stil gestaan bij de gevolgen voor [slachtoffer 1] en heeft alleen aan zijn eigen behoeften gedacht. Dergelijke feiten kunnen voor minderjarigen zeer ernstige gevolgen hebben die zij nog lange tijd met zich dragen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte gelet op: een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 december 2014 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen; een hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 4 december 2014; een hem betreffend pro justitia rapport d.d. 9 december 2014. Uit het reclasseringsrapport en het pro justitia rapport komt naar voren dat verdachte de gevolgen van zijn handelen niet heeft overzien. Verdachte is niet op zoek geweest naar seksueel contact met minderjarigen, maar wel naar homoseksueel contact. Zowel de reclassering als de klinisch psycholoog in het pro justitia rapport adviseren aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat verdachte reclasseringscontact en behandeling nodig heeft om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal aan verdachte daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten ten aanzien van een kwetsbaar slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal de duur van dit deel bepalen op de duur die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dit betekent dat verdachte niet nogmaals detentie zal moeten ondergaan. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zal de rechtbank de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren. Tevens zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij minder ontuchtige handelingen bewezen acht dan de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden en zal zij deze aan verdachte opleggen. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.154,07 (zegge: éénduizendhonderdvierenvijftig euro en zeven eurocent), te weten € 1.000,-- aan immateriële schade en € 154,07 aan materiële schade (reiskosten en parkeerkosten exclusief de reiskosten naar de huisarts). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 1.000,-- vanaf 15 december 2013 (midden ten laste gelegde periode) tot en met de dag der algehele voldoening en over het bedrag van € 154,07 vanaf 16 januari 2015 (de dag van de zitting) tot en met de dag der algehele voldoening. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd. Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22b, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 2. Verklaart het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Feit 1 meer subsidiair: ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, te weten 102 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.