← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2015:2127

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 14/2457 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2015 in de zaak tussen ICIN Netherlands Heart Institute, te Utrecht, en [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6], eisers (gemachtigde: mr. drs. H. Doornhof), en het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Koenen). Procesverloop Bij brief van 23 oktober 2013 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat hij heeft besloten om met ingang van 1 januari 2015 de lumpsum bijdrage aan het ICIN Netherlands Heart Institute te beëindigen. Bij besluit van 28 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november

  1. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Bij brief van 10 december 2014 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het besluit van 23 oktober 2013 bij besluit van 9 december 2014 is ingetrokken naar aanleiding van de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 27 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4902). Bij brief van 13 januari 2015 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat ook het bestreden besluit is ingetrokken. Eisers zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar hebben de rechtbank bij brief van 17 februari 2015 bericht daartoe geen aanleiding te zien. Overwegingen
  2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
  3. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen belang bij een beroep tegen het besluit tot intrekking van het bestreden besluit. Met dit besluit, in combinatie met de intrekking van het besluit van 23 oktober 2013, is immers volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van eisers. Andere belangen, zoals bijvoorbeeld geleden schade, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank stelt dan ook vast dat geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen het besluit tot intrekking van het bestreden besluit.
  4. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers, vanwege het besluit tot intrekking van het bestreden besluit, ook niet langer een belang hebben bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding. In het besluit van 9 december 2014 heeft verweerder immers besloten tot volledige vergoeding van de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep hebben moeten maken. Eisers hebben daartegen geen bezwaren geuit. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. K.J. Veenstra en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart
  6. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.