← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2015:2342

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/655179-13 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren [1940] te [geboorteplaats] wonende te [postcode] [woonplaats], [adres] raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is aangehouden op de terechtzitting van 23 juli 2014 en is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 februari 2015, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 31 juli 2013 bij [slachtoffer], die toen de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten dat hij deze minderjarige een of meer tongzoenen heeft gegeven. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het informatieve gesprek gevoerd met [A], zijnde de moeder van [slachtoffer] en de verklaring van [B]. Voorts kan, aldus de officier van justitie, op basis van voornoemde verklaringen en de verklaring van verdachte vastgesteld worden dat verdachte de man is die [slachtoffer] op 31 juli 2013 op straat tegen kwam. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van het dossier niet tot een bewezenverklaring kan komen, derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet wordt voldaan aan het bewijsminimum nu de verklaringen van [A] en [B] verklaringen “van horen zeggen” zijn en afkomstig zijn van één enkele bron. Voorts vinden beide verklaringen geen steun in het dossier. Subsidiair kan op basis van de in het dossier aanwezige stukken niet de overtuiging worden verkregen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In het dossier bevindt zich een verslag van een informatief gesprek met de moeder van [slachtoffer] en een verklaring van de moeder van een vriendje van [slachtoffer]. Beiden hebben verklaard naar aanleiding van hetgeen zij van de destijds 8-jarige [slachtoffer] hadden gehoord. De ouders van [slachtoffer] hebben aangegeven dat zij geen aangifte wilden doen en hebben geen toestemming gegeven voor een studioverhoor van [slachtoffer]. Verdachte heeft het hem tenlastegelegde, ook heden ter terechtzitting, consequent ontkent. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige stukken onvoldoende kan worden vastgesteld wat er daadwerkelijk is gebeurd en of verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken. 5De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 765,20, waarvan € 750,00 ter zake immateriële schade en € 15,20 ter zake materiele schade, met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de maatregel tot schadevergoeding. Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. 6De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit; Benadeelde partij - verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 februari 2015. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 31 juli 2013 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer], geboren [2005], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig meermalen, althans éénmaal, geven van (een) (tong)zoen(en) aan die [slachtoffer]; art 247 Wetboek van Strafrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.