RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/659048-15 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1995] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 april 2015 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: samen met een ander op 18 januari 2015 geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld tegen die [slachtoffer] heeft gepleegd, door die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het lichaam en hoofd te slaan en te trappen. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer] is geschopt tegen zijn lichaam, armen, benen en hoofd. De geweldshandeling zoals tenlastegelegd onder het laatste gedachtestreepje kan niet voor rekening van verdachte komen. Deze geweldshandeling is door de medeverdachte verricht, nadat hij door verdachte was weggetrokken bij [slachtoffer]. Door het wegtrekken en afstand nemen eindigde op dat moment het opzet en medeplegen van verdachte. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer], dan wel het op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De overige gepleegde geweldshandelingen zijn, gelet op de geldende jurisprudentie, onvoldoende om zwaar lichamelijk letsel op te leveren. De kans dat iemand overlijdt ten gevolge van deze geweldshandelingen is verre van aanmerkelijk te noemen. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de onder primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] op 18 januari 2015 in Hilversum op straat meermalen geschopt is. [slachtoffer] kan zich van 18 januari 2015 niet veel herinneren. Hij was uit geweest in Hilversum en herinnert zich slechts dat hij, terwijl hij op de grond lag, een schop tegen zijn hoofd heeft gekregen van een jongen. De mishandeling van [slachtoffer] werd vastgelegd met verschillende camera’s van het Gemeentelijk cameratoezicht Hilversum. Verbalisanten [A] en [B] hebben de camerabeelden bekeken en zagen op de beelden van camera 7 dat [medeverdachte] en zijn medeverdachte [verdachte] in de Leeuwenstraat te Hilversum naar een man toeliepen. [medeverdachte] liep voor de man langs en ging voor hem staan, waardoor de man niet verder kon. [verdachte] stond links van de man. [medeverdachte] gaf de man een duw in de richting van [verdachte] en gaf tegelijkertijd met zijn rechterarm een klap op de rug van de man. [verdachte] pakte de man vast ter hoogte van zijn schouder en schopte hem tegen zijn benen. Terwijl [verdachte] de man nog vast had nam [medeverdachte] een soort aanloop en met een zwaai gaf hij een klap in de richting van het hoofd van de man en schoot deze daarna voorbij. Hierop werd de man door [verdachte] tegen zijn benen geschopt. [medeverdachte] en de man kwamen ten val. [verdachte] trok de man van [medeverdachte] af en sleepte hem een stukje weg. Terwijl de man op handen en knieën zat gaf [verdachte] de man een schop tegen zijn hoofd. [medeverdachte] en [verdachte] schopten daarna allebei een aantal keren achter elkaar tegen en op het hoofd van de man. De man bleef tijdens het schoppen roerloos liggen. Terwijl de man op de grond lag gaf [medeverdachte] de man een vuistslag in het gezicht. De man lag vervolgens half op zijn zij. [verdachte] hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Dit herhaalde hij nog een keer met zijn hak. [medeverdachte] schopte met kracht nog een keer tegen de romp van de man, die nog roerloos op de grond lag. [verdachte] versleepte de man een stukje. [medeverdachte] bukte en gaf een tik op het hoofd van de man. Vervolgens schopte [medeverdachte] tegen het gezicht van de man, waardoor het hoofd van de man naar achteren ging. [verdachte] gaf de man twee “voetvegen” tegen het hoofd. [verdachte] trok [medeverdachte] bij de man vandaan. [medeverdachte] trok zich los en [verdachte] probeerde hem mee te trekken maar [medeverdachte] bleef staan. [verdachte] liep langzaam weg. De man probeerde op te staan en stond met handen en voeten op de grond. [medeverdachte] liep naar de man, spreidde zijn armen en hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Deze viel meteen op de grond en bleef roerloos liggen. Bij [slachtoffer] werd onder andere het navolgende letsel vastgesteld: een zwelling links boven op het hoofd, een geheel rood verkleurde linker oorschelp, een blauwe verkleuringen onder het linkeroog, op de linker bovenarm en op het linker onderbeen. [getuige 1] stond in de Leeuwenstraat en zag dat er een man op straat lag en dat deze man in elkaar werd geslagen en vooral tegen zijn hoofd werd geschopt door twee jongens. [getuige 2] zag dat er een man op de grond lag en dat deze man meerdere schoppen tegen zijn hoofd kreeg van twee Marokkaanse jongens. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 januari 2015 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] in Hilversum was. Zij hadden daar met een man gevochten. Hij had de man hard geschopt. (bewijs)overwegingen Partiele vrijspraak geweldshandeling laatste gedachtestreepje De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat het medeplegen door verdachte van de geweldshandeling, het trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] terwijl deze op probeerde te staan, zoals deze ten laste is gelegd onder het laatste gedachtestreepje, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De medeverdachte [medeverdachte] was door verdachte weggetrokken bij [slachtoffer]. [medeverdachte] is, terwijl [slachtoffer] op probeerde te staan en op handen en knieën zat, teruggelopen naar [slachtoffer] en heeft hem tegen zijn hoofd naar de grond getrapt. Verdachte had op dat moment afstand genomen van [slachtoffer] en van het daarna door [medeverdachte] toegepaste geweld. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging Schoppen tegen het hoofd Uit de verklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd is geschopt. Voorts is er bij [slachtoffer] onder andere letsel aan zijn hoofd vastgesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten en deze hard geschopt had. De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten [A] en [B] bij het uitkijken van de camerabeelden, zoals deze zijn neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen. Voorwaardelijk opzet De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Er is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [slachtoffer] tegen de grond gewerkt. Daarop volgde een ware explosie van geweld waarbij [slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en of zich niet tegen het geweld kon verdedigen, of daar niet toe in staat was, door beide verdachten meerdere malen met geschoeide voeten met kracht op diverse plaatsen op/tegen zijn hoofd werd geschopt. Voorts werd [slachtoffer], terwijl zijn hoofd op de harde ondergrond lag, van boven af op zijn hoofd gestampt. Niet blijkt van enige terughoudendheid van verdachte of zijn mededader bij het schoppen, trappen, ‘hakken’ of stompen van die [slachtoffer], noch in de plaats waar zij [slachtoffer] raakten of probeerden te raken, noch in de kracht van hun inzet. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is. Verdachte moet geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen dan ook, met name gelet op de kracht en frequentie van de trappen tegen nota bene het hoofd van [slachtoffer], naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van de dood van [slachtoffer], dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Op basis van het bovenstaande wordt het verweer van de verdediging, dat geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer], verworpen. Medeplegen De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met zijn medeverdachte achter [slachtoffer] aangelopen. Zij hebben hem samen tegen de grond gewerkt, waarna de hiervoor omschreven geweldshandelingen door beide verdachten werden gepleegd. Verdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van het door hem en zijn medeverdachte op [slachtoffer] uitgeoefende geweld en heeft van het begin tot het eind actief deelgenomen aan voornoemde geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte ten aanzien van de poging tot doodslag. De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte ten minste met voorwaardelijk opzet geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door hem meerdere malen met kracht tegen het hoofd te schoppen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Primair op18 januari 2015 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer] - vastgehouden en/of vervolgens tegen het lichaam geschopt/getrapt en - meermalen tegen het hoofd gestompt/geslagen en - tegen de benen geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en - ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) meermalen met veel kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam, geschopt/getrapt en/of gestompt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. medeplegen poging tot doodslag 5.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: - een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Zonder dat daartoe enige aanleiding was heeft verdachte [slachtoffer] terwijl deze op de grond lag meerdere malen met kracht tegen diens hoofd geschopt. Door dit forse geweld in het uitgaanslevens heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, maar ook op zijn vertrouwen in mensen om hem heen en in de maatschappij. [slachtoffer] ondervindt tot op heden nog steeds de lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van dit feit en is daarvoor onder medische behandeling. Voorts veroorzaken dergelijke feiten, zeker als het feit plaatsvindt op de openbare weg en er mensen getuigen van zijn, gevoelens van onveiligheid en onrust bij deze getuigen in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 2 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.