RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummer: 16/659050-15 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1996] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 april 2015 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: samen met een ander op 18 januari 2015 geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld tegen die [slachtoffer] heeft gepleegd, door die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het lichaam en hoofd te slaan en te trappen. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich bedreigd voelde door de man. Zowel aan het begin van de vechtpartij, toen de man hem verbaal bedreigde en hij zijn handen uit zijn zakken wilde halen, als later, toen de man probeerde op te staan nadat hij was gevallen. Hij was bang en wilde zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer had. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aan de hand van de beelden niet vast te stellen is dat er tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] is getrapt. Enkel is te zien dat er in de richting van het bovenlijf wordt getrapt. Waar aangever wordt geraakt is, nu hij met zijn romp en hoofd van de camera af ligt, niet te zien. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het primair ten laste gelegde feit. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan eveneens niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte dient eveneens van dat feit vrijgesproken te worden. De raadsman heeft gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] op 18 januari 2015 in Hilversum op straat meermalen geschopt is. [slachtoffer] kan zich van 18 januari 2015 niet veel herinneren. Hij was uit geweest in Hilversum en herinnert zich van het tenlastegelegde slechts dat hij, terwijl hij op de grond lag, een schop tegen zijn hoofd heeft gekregen van een jongen. De mishandeling van [slachtoffer] werd vastgelegd met verschillende camera’s van het Gemeentelijk cameratoezicht Hilversum. Verbalisanten [A] en [B] hebben de camerabeelden bekeken en zagen op de beelden van camera 7 dat [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] in de Leeuwenstraat te Hilversum naar een man toeliepen. [verdachte] liep voor de man langs en ging voor hem staan, waardoor de man niet verder kon. [medeverdachte] stond links van de man. [verdachte] gaf de man een duw in de richting van [medeverdachte] en gaf tegelijkertijd met zijn rechterarm een klap op de rug van de man. [medeverdachte] pakte de man vast ter hoogte van zijn schouder en schopte hem tegen zijn benen. Terwijl [medeverdachte] de man nog vast had nam [verdachte] een soort aanloop en met een zwaai gaf hij een klap in de richting van het hoofd van de man en schoot deze daarna voorbij. Hierop werd de man door [medeverdachte] tegen zijn benen geschopt. [verdachte] en de man kwamen ten val. [medeverdachte] trok de man van [verdachte] af en sleepte hem een stukje weg. Terwijl de man op handen en knieën zat gaf [medeverdachte] de man een schop tegen zijn hoofd. [verdachte] en [medeverdachte] schopten daarna allebei een aantal keren achter elkaar tegen en op het hoofd van de man. De man bleef tijdens het schoppen roerloos liggen. Terwijl de man op de grond lag gaf [verdachte] de man een vuistslag in het gezicht. De man lag vervolgens half op zijn zij. [medeverdachte] hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Dit herhaalde hij nog een keer met zijn hak. [verdachte] schopte met kracht nog een keer tegen de romp van de man, die nog roerloos op de grond lag. [medeverdachte] versleepte de man een stukje. [verdachte] bukte en gaf een tik op het hoofd van de man. Vervolgens schopte [verdachte] tegen het gezicht van de man, waardoor het hoofd van de man naar achteren ging. [medeverdachte] gaf de man twee “voetvegen” tegen het hoofd. [medeverdachte] trok [verdachte] bij de man vandaan. [verdachte] trok zich los en [medeverdachte] probeerde hem mee te trekken maar [verdachte] bleef staan. [medeverdachte] liep langzaam weg. De man probeerde op te staan en stond met handen en voeten op de grond. [verdachte] liep naar de man, spreidde zijn armen en hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Deze viel meteen op de grond en bleef roerloos liggen. Bij [slachtoffer] werd onder andere het navolgende letsel vastgesteld: een zwelling links boven op het hoofd, een geheel rood verkleurde linker oorschelp, een blauwe verkleuring onder het linkeroog, op de linker bovenarm en op het linker onderbeen. [getuige 1] stond in de Leeuwenstraat en zag dat er een man op straat lag en dat deze man in elkaar werd geslagen en vooral tegen zijn hoofd werd geschopt door twee jongens. [getuige 2] zag dat er een man op de grond lag en dat deze man meerdere schoppen tegen zijn hoofd kreeg van twee Marokkaanse jongens. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 januari 2015 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] in Hilversum was. Zij hadden daar met een man gevochten. Hij had de man geschopt. Hij was de jongen die op de beelden te zien was in een jas met een bontkraag. (bewijs)overwegingen Verklaring verdachte De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij zich bedreigd voelde door [slachtoffer], niet aannemelijk. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt waaruit volgt dat [slachtoffer] op enig moment een bedreiging voor verdachte vormde. Nadat [slachtoffer] hen rustig lopend passeerde is verdachte met zijn medeverdachte achter [slachtoffer] aangelopen. [slachtoffer] probeerde vervolgens schuin weg te lopen bij verdachten, die hem bleven volgen en hem uiteindelijk verhinderden verder te lopen. Al die tijd heeft [slachtoffer], zoals verdachte ook zelf heeft verklaard, met gebogen hoofd naar beneden gekeken en zijn handen in zijn zakken gehouden. Uit het verslag van de beelden valt slechts af te leiden dat, nadat verdachte vóór [slachtoffer] stil is gaan staan en hem samen met medeverdachte de doorgang belette, verdachte degenen is die als eerste een duw en een klap geeft. Vervolgens werd [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag en zich niet verdedigde, door verdachte en medeverdachte meermalen tegen zijn hoofd en lichaam getrapt. Nadat verdachte door zijn medeverdachte was weggetrokken, probeerde [slachtoffer] op te staan en zat op handen en knieën op straat. Verdachte is vervolgens teruggelopen naar [slachtoffer] en heeft hem tegen de grond getrapt. Op geen enkel moment is een dreiging door [slachtoffer] naar verdachte of medeverdachte op de beelden waar te nemen. Voor zover verdachte al een (verbale) dreiging ervoer had hij gedurende de gehele tijd op elk moment de gelegenheid afstand te nemen en weg te lopen. Hij heeft er voor gekozen dit niet te doen. Schoppen tegen het hoofd De raadsman heeft gesteld dat op basis van de ter terechtzitting getoonde beelden niet vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] tegen zijn hoofd geschopt is. Uit de verklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd is geschopt. Voorts is er bij [slachtoffer] onder andere letsel aan zijn hoofd vastgesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten en deze geschopt heeft. De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten [A] en [B] bij het uitkijken van de camerabeelden, zoals deze zijn neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. Voorwaardelijk opzet De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Er is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [slachtoffer] tegen de grond gewerkt. Daarop volgde een ware explosie van geweld waarbij [slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en zich niet tegen het geweld kon verdedigen of daar niet toe in staat was, door beide verdachten meerdere malen met geschoeide voeten met kracht op diverse plaatsen op/tegen zijn hoofd werd geschopt. Voorts werd [slachtoffer], terwijl zijn hoofd op de harde ondergrond lag, van boven af op zijn hoofd gestampt. Niet blijkt van enige terughoudendheid van verdachte of zijn mededader bij het schoppen, trappen, ‘hakken’ of stompen van die [slachtoffer], noch in de plaats waar zij [slachtoffer] raakten of probeerden te raken, noch in de kracht van hun inzet. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is. Verdachte moet geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen dan ook, met name gelet op de kracht en frequentie van de trappen tegen nota bene het hoofd van [slachtoffer], naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van de dood van [slachtoffer], dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. De raadsman heeft voorts gesteld dat het opgetreden letsel aan het hoofd van [slachtoffer] niet past bij het veronderstelde gewelddadig handelen, aangezien er weinig letsel te zien was. De rechtbank merkt op dat het feit dat het zichtbare letsel beperkt leek te zijn gebleven niet afdoet aan het risico dat door verdachte en medeverdachte is genomen, indien met kracht meermalen tegen het hoofd van een ander mens wordt geschopt. Dodelijk (hersen)letsel kan ook het gevolg zijn, indien er weinig tot geen uitwendig waarneembaar letsel is. Op basis van het bovenstaande wordt het verweer van de verdediging, dat geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer], verworpen. Medeplegen De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met zijn medeverdachte achter [slachtoffer] aangelopen. Zij hebben hem samen tegen de grond gewerkt, waarna de hiervoor omschreven geweldshandelingen door beide verdachten werden gepleegd. Verdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van het door hem en zijn medeverdachte op [slachtoffer] uitgeoefende geweld en heeft van het begin tot het eind actief deelgenomen aan de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte ten aanzien van de poging tot doodslag. De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte ten minste met voorwaardelijk opzet geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door hem meerdere malen met kracht tegen het hoofd te schoppen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Primair op18 januari 2015 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer] - vastgehouden en/of vervolgens tegen het lichaam geschopt/getrapt en - meermalen tegen het hoofd gestompt/geslagen en - tegen de benen geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en - ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) meermalen met veel kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam, geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en - terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan met veel kracht tegen het hoofd geschopt/getrapt waardoor deze wederom op de grond viel, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. medeplegen poging tot doodslag 5.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: - een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen, welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Zonder dat daartoe enige aanleiding was heeft verdachte [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag, meerdere malen met kracht tegen diens hoofd geschopt. Verdachte is, nadat hij door zijn medeverdachte was weggetrokken, teruggelopen naar [slachtoffer] en heeft, terwijl deze overeind probeerde te komen en nog op handen en knieën en met het hoofd naar beneden zat, -als een soort van genadetrap-, [slachtoffer] op zijn hoofd naar de grond getrapt. Door dit forse geweld in het uitgaansleven heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, maar ook op diens vertrouwen in mensen om hem heen en in de maatschappij. [slachtoffer] ondervindt tot op heden nog steeds de lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van dit feit en is daarvoor onder medische behandeling. Voorts veroorzaken dergelijke feiten, zeker als het feit plaatsvindt op de openbare weg en er mensen getuigen van zijn, gevoelens van onveiligheid en onrust bij deze getuigen in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 3 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.