← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2015:3283

vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/388737 / KG ZA 15-193 Vonnis in kort geding van 17 april 2015 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd te Den Haag, eiseres, advocaten: mr. W.I. Wisman, te Den Haag, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag. Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 7; de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. Na wijziging van eis vordert De Staat om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om: I. aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende de door hen in de periode van 31 januari 1994 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij de KB Luxbank te Luxemburg; II. verklaring en opgaaf te doen van de onder I bedoelde buitenlandse rekening(

  1. en)van [gedaagde] door middel van het invullen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(
  2. en)over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing; III. een mondelinge toelichting te geven op de onder I en II omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn; IV. binnen zeven dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aan het onder I en II omschreven bevel en binnen de door de inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder III omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00, althans ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft. Dit alles met compensatie van de proceskosten. 2.2. [gedaagde] refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling 3.1. Ter terechtzitting heeft de raadsman van [gedaagde] te kennen gegeven dat [gedaagde] de door de Staat verlangde stukken zal verstrekken, daarop een toelichting zal geven en dat hij voorts medewerking zal verlenen aan de inspecteur van de Belastingdienst. 3.2. De Staat heeft ingestemd met de door [gedaagde] verzochte verlenging van de termijn waarbinnen hij stukken zal verstrekken, toelichting zal geven en zijn medewerking voor het overige zal verlenen. Partijen zijn het erover eens geworden dat deze termijn zal worden gesteld op een maand na betekening van dit vonnis. 3.3. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, maar de maximaal te verbeuren dwangsom zal daarbij worden beperkt als volgt. 3.4. Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. 4De beslissing De voorzieningenrechter 4.1. gebiedt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende de door hem in de periode van 31 januari 1994 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij de KB Luxbank te Luxemburg, 4.2. gebiedt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de Belastingdienst verklaring en opgaaf te doen van de onder 4.1. bedoelde buitenlandse rekening(
  3. en)van [gedaagde] door middel van het invullen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(
  4. en)over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing, 4.3. gebiedt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de Belastingdienst desverlangd een mondelinge toelichting te geven op de onder 4.1. en 4.2. omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn, 4.4. veroordeelt [gedaagde] om aan de Staat een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan een van de onder 4.1., 4.2. en 4.3. uitgesproken hoofdveroordelingen, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt, 4.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015 door mr. C.A. Peterzon. type: CTH/4065 coll: MvE/4385

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.