RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661407-13 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 mei 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren [1964] te [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres], [postcode] te [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen hennepplanten en/of hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of aanwezig gehad. Feit 2: samen met een ander een geldbedrag van € 42.500,- heeft witgewassen. Feit 3: samen met een ander een vuurwapen (gaspistool) en munitie voorhanden heeft gehad. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde. Op basis van de inhoud van het dossier kan niet vastgesteld worden ten aanzien van welke (hoeveelheid) hennep, aangetroffen op verschillende locaties, verdachte wetenschap zou hebben gehad. Verdachte kan niet gekwalificeerd worden als medepleger, de enkele aanwezigheid van verdachte op het terrein waar de hennep is aangetroffen, is hiervoor onvoldoende. De verklaring van verdachte over het aangetroffen geldbedrag is niet als hoogst onwaarschijnlijk te kwalificeren en er kan dan ook niet bewezen worden dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Indien de rechtbank wel tot deze conclusie zou komen, is het geld van eigen misdrijf afkomstig en kan het ten laste gelegde niet gekwalificeerd worden als witwassen, nu de medeverdachte dit enkel voorhanden heeft gehad. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank betreffende het onder feit 3 ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 Op 17 april 2013 ruiken verbalisanten op de [straat] te [woonplaats] een sterke hennepgeur. Na onderzoek blijkt deze geur te komen vanaf het perceel [adres]. Verbalisant [verbalisant 1] spreekt ter plaatste de hem ambtshalve bekende [verdachte]. [verdachte] vertelt dat hij de honden op moet sluiten voordat de verbalisanten het terrein op kunnen komen. Het duurde ongeveer 15 minuten voordat de verbalisant [verdachte] weer zag. Vervolgens zag hij meerdere personen van achter een schuur op het terrein wegrennen. De hennepgeur was afkomstig uit de schuur waar de personen vandaan kwamen rennen. In de schuur werd gedroogd hennepafval in zakken en hennepresten verspreid op de snijtafel en grond aangetroffen. Ook hingen er meerdere rijen hennep aan een waslijn te drogen. Het perceel is doorzocht en hierbij is onder andere in beslag genomen: in de woning, centrale hal begane grond: een zwarte zak henneptoppen, in de woning, centrale hal begane grond: een doorzichtige zak henneptoppen, - in de woning, kastenkamer 1e verdieping: losse hennep, in de schuur/stalruimte, ruimte B, opslagruimte: een zilveren bak met henneptoppen, in de schuur/stalruimte, ruimte B, opslagruimte: een kartonnen doos met henneptoppen, - in de schuur/kantoorruimte, ruimte A, ingang/gereedschapsopslag: een hoeveelheid hennep, te weten 230 hennepplanten. Van de aangetroffen hennep zijn monsters genomen. Deze zijn getest en vastgesteld is dat de in beslag genomen planten hennepplanten zijn van het geslacht Cannabis, vermeld op lijst II onderdeel B van de Opiumwet. De aangetroffen henneptoppen zijn aangeboden aan BOOS ter weging. Het totale gewicht van de gedroogde henneptoppen bedroeg 3,76 kilo. In de schuur werd onder andere aangetroffen een elektrische centrifuge bedoeld om henneptoppen te scheiden van de stelen. Onder de centrifuge was een zak bevestigd waarin op hennep lijkende resten zaten. Op deze machine werd een dactyloscopisch spoor aangetroffen en veiliggesteld, die is geïdentificeerd op medeverdachte [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart op 17 april 2013 vanaf 11.00 uur aan een tafel hennep te hebben geknipt op de [adres] te [woonplaats]. Op een gegeven moment stond de politie voor de deur en toen is hij naar de woning gegaan. Het knippen gebeurde in de schuur. Er waren meerdere knippers aanwezig. Alles stond klaar. Hij kon zo beginnen met knippen. Het terrein is van zijn schoonvader, [verdachte]. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart op 17 april 2013 samen met zijn schoonouders en zwager in de schuur henneptoppen te hebben geknipt. Er liepen nog een man of 5 a 7 extra rond, buiten hen vier en [verdachte] om. De naam [verdachte] heeft hij daar opgevangen tijdens een gesprek. Rond 16.15 uur hoorde hij honden aan slaan. [verdachte] stond op en liep naar buiten. [medeverdachte 2] hoorde hem zeggen dat er politie aan het hek stond. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij in de schuur aan een tafel zat en dat op de tafel hennep lag welke geknipt moest worden. Anderen vulden de tafel bij als de toppen geknipt waren en de tafel leeg raakte. [medeverdachte 2] verklaarde dat het goed georganiseerd was. [verdachte] had bij hen aan de tafel gezeten. Bij het betreden van het perceel hoorde verbalisant [verbalisant 1] verdachte zeggen dat er hennep geknipt werd in de schuur. Tijdens de voorgeleiding verklaarde verdachte de bewoner te zijn van de [adres] te [woonplaats]. Hij wist dat er hennep in zijn woning lag, dat er hennep in de blokhut naast zijn woning te drogen hing en dat er hennep werd getopt in de paardenstal op zijn terrein. Verdachte bevestigt ter zitting [naam] te worden genoemd. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat hennep is aangetroffen op het perceel van verdachte, op verschillende plekken, zowel in de schuur als in de woning. Toen de politie ter plaatse kwam naar aanleiding van een sterke henneplucht, waar te nemen vanaf de openbare weg, was het verdachte die ze te woord stond en die de knippers heeft gewaarschuwd. Verdachte was op 17 april 2013 niet alleen aanwezig in de woning en in de schuur, hij heeft volgens getuige [medeverdachte 2] ook aan de kniptafel gezeten. Verdachte heeft op twee verschillende momenten verklaard bekend te zijn met de aanwezigheid van de hennep en de bewerking hiervan in zijn schuur. De schoonzoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1], bevestigt dat er -mede door hem- in de schuur hennep werd geknipt. Ook hij was op 17 april 2013 zowel in de woning als in de schuur aanwezig. Ten aanzien van de hoeveelheid aangetroffen henneptoppen, zoals ten laste gelegd onder B, overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de lijsten van inbeslaggenomen goederen, pagina 804 en 810, zijn de henneptoppen aangetroffen in de zwarte zak, de doorzichtige zak, de zilveren bak en de kartonnen doos aangeboden aan BOOS. Dit geldt niet voor de hennep, aangetroffen in de kastenkamer. Door BOOS is vervolgens vastgesteld dat alle aangeboden henneptoppen samen een gewicht hadden van 3,76 kilo. De rechtbank constateert dan ook dat ten minste 3,76 kilo hennep is aangetroffen. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat sprake was van een goed georganiseerde situatie op het terrein van verdachte, betreffende het bewerken/verwerken van de aangetroffen hennep, zijnde de geknipte henneptoppen en de te drogen hangende hennepplanten. Verdachte heeft hiertoe in nauwe en bewuste samenwerking met anderen uitvoeringshandelingen verricht. De rechtbank acht het ten laste gelegde, te weten -kort gezegd- medeplegen van bewerken/verwerken van hennep, wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring ten aanzien van feit 2 Bij de insluiting van medeverdachte [medeverdachte 3], op 17 april 2013, haalt zij twee enveloppen uit haar BH. In deze enveloppen zitten vier pakketjes met eurobiljetten, bestaande uit: 69 biljetten van 500 euro, 5 biljetten van 200 euro, 30 biljetten van 100 euro, en 80 biljetten van 50 euro. [medeverdachte 3] heeft over dit geldbedrag verklaard dat dit handelsgeld betreft van hun bedrijf, [V.O.F. van verdachte]. Zij doet de administratie van het bedrijf en haar man, verdachte [verdachte], houdt zich bezig met de handel. Het kasboek van het bedrijf was op 17 april 2013 bijgewerkt tot 28 maart 2013. Zij heeft het aangetroffen geldbedrag op 17 april 2013 uit hun woning aan de [adres] te [woonplaats] meegenomen. [medeverdachte 3] heeft ten aanzien van de gang van zaken betreffende de verkoop van voertuigen bevestigd dat deze eerst worden betaald, dan direct overgeschreven bij de RDW en dan meegegeven. Met name de datum van verkoop zoals bekend bij de RDW moet kloppen met de betalingsdatum. Ook bevestigt zij dat de gegevens tot 28 maart 2013, opgenomen in het kasboek van hun autobedrijf kloppen met de gegevens die hierover bekend zijn bij de RDW. Ook verdachte verklaart dat dit aangetroffen geldbedrag handelsgeld betreft. Hij verkoopt auto’s en zijn vrouw, medeverdachte [medeverdachte 3], houdt de administratie bij. Voor het betalen van dealers heeft hij contant handelsgeld in huis. Bij verdachte is bij zijn insluiting op 17 april 2013 een geldbedrag van in totaal € 915,- aangetroffen en in beslag genomen. Hiervan heeft verdachte ter zitting verklaard dat dit ook handelsgeld betreft. Bij de Belastingdienst is voor [V.O.F. van verdachte] over het eerste kwartaal van 2013 een omzet opgegeven van € 11.485,-. De [V.O.F. van verdachte]. heeft in 2011 geen winst gemaakt en over 2012 zijn geen winstgegevens bekend bij de Belastingdienst. Het banksaldo van verdachte en de medeverdachte was op 31 december 2012 respectievelijk € 1.019,- en € 1.857,-. Blijkens het kasboek van het autobedrijf, bijgewerkt tot 28 maart 2013, bedroeg het kassaldo van het bedrijf op die datum € 1.537,-. Het in de woning van verdachten in beslag genomen voorraadboek en kasboek komen goed overeen met de opgevraagde handelsmutaties uit de RDW die verkregen zijn van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (hierna: LIV). Om na te kunnen gaan welke mutaties in de handelsvoorraad van [V.O.F. van verdachte] invloed kunnen hebben gehad op de hoeveelheid contant kasgeld in de periode van 28 maart 2013 tot 17 april 2013 is informatie bij het LIV opgevraagd. Hieruit blijkt dat acht kentekens invloed hebben gehad. Gezamenlijk hebben deze acht voertuigen een positieve invloed gehad op het kassaldo van € 2.150,-. Bewijsoverwegingen Aan de hand van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 3] een geldbedrag van € 43.415,- (€ 42.500,- en € 915,-) voorhanden heeft gehad. Uit gegevens van de Belastingdienst en de RDW en uit de administratie van hun bedrijf blijkt dat de verdachten niet over een dergelijk geldbedrag konden beschikken. Gelet op deze feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Beide verdachten ontkennen dat dit geldbedrag van eigen misdrijf afkomstig is, zowel tijdens verhoren bij de politie als tijdens het onderzoek ter zitting. Dat dit geldbedrag toch afkomstig zou zijn van een door verdachten begaan misdrijf, is onvoldoende aannemelijk op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Er is dan ook geen rechtstreeks verband te leggen met een door verdachten begaan bepaald misdrijf. Verdachte en de medeverdachte hebben gesteld dat het geldbedrag een legale herkomst heeft, namelijk dat dit handelsgeld van hun autobedrijf betreft. Hiertoe hebben verdachten administratie en facturen overgelegd. Naar aanleiding van deze verklaring en de onderbouwing is onderzoek verricht. Hieruit is echter gebleken dat het kassaldo van [V.O.F. van verdachte] op 17 april 2013 hooguit € 3.687,- kon bedragen. Door verdachten zijn nog drie facturen aangeleverd die het restant van het geldbedrag zouden verklaren. Bij de beoordeling van deze facturen, stelt de rechtbank -overeenkomstig de officier van justitie- het volgende vast. Factuur Rolls Royce: Blijkens de verkoopfactuur is het voertuig op 16 april 2013 verkocht, één dag voor het ten laste gelegde. Volgens gegevens van de RDW wordt dit voertuig echter pas op 8 mei 2013 overgeschreven van de naam van [V.O.F. van verdachte]. Deze datum ligt ná het ten laste gelegde. Geconstateerd is dat het kasboek -bijgewerkt tot 28 maart 2013- en de RDW gegevens hierover goed overeenkomen. Dit wordt ook bevestigd door de medeverdachte. Uit onderzoek blijkt dan ook dat de data van RDW-overschrijving en betaling bij een verkoop door [V.O.F. van verdachte] normaal gesproken niet zo ver uit elkaar liggen. Koopcontract BMW: Blijkens het koopcontract is de BMW op 14 april 2013 geruild voor een Mercedes en € 5.000,-. Volgens de koper was die Mercedes € 11.000,- waard. De BMW is niet overgeschreven bij de RDW. Blijkens het kasboek is deze BMW ingekocht voor € 26.750,-. De medeverdachte verklaart dat de verkoop is teruggedraaid en dat het geld dan terug gegeven zou zijn. Inkoopverklaring Mercedes: Beide verdachten verklaren dat zij € 19.000,- van het aangetroffen geldbedrag in bewaring hadden voor iemand anders. Ondanks hierover eerder bevraagd te zijn, verklaren zij dit beiden pas in december 2013. Geconfronteerd met deze inkoopverklaring verklaarde de medeverdachte dat [A] die auto waarschijnlijk voor hen had verkocht en verdachte wilde over de inkoopverklaring niet verklaren. Uit genoemde bewijsmiddelen blijkt dat bij het aangetroffen geldbedrag geen los pakketje geld van € 19.000,- is aangetroffen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte en de medeverdachte op deze drie punten niet voldoende concreet en verifieerbaar, en ook ongeloofwaardig. Nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat (een groot deel van) het aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft, kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. De rechtbank stelt vast dat ook het geldbedrag aangetroffen bij verdachte handelsgeld betreft, zijnde een bedrag van € 915,-. Van de in totaal aangetroffen € 43.415,- kan enkel € 3.687,- verklaard worden als zijnde handelsgeld. Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat een deel van het geldbedrag, te weten € 39.728,- (€ 43.415 - € 3.687), -middellijk of onmiddellijk- uit enig misdrijf afkomstig was en dat beide verdachten hiervan op de hoogte waren. De rechtbank acht het ten laste gelegde, te weten -kort gezegd- medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 39.728,-, wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft dit feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering -voor zover zij dit feit bewezen acht- volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte; - de bevindingen met betrekking tot het aantreffen van het wapen en de munitie; - de bevindingen met betrekking tot het categoriseren van het wapen en de munitie. De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Feit 1: A. op 17 april 2013 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt (in een pand gelegen aan de [adres] in de ingang / gereedschapsopslag van dat pand, in het politie proces-verbaal genummerd ruimte A, ofwel de schuur/kantoorruimte) een hoeveelheid van 230 te drogen hangende hennepplanten, zijnde een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. en B. op 17 april 2013 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt (in een pand gelegen aan de [adres] in de opslagruimte ofwel de schuur/stalruimte van dat pand zoals in het politie proces-verbaal genummerd ruimte B en in de (beneden)hal van de woning en in de kastenkamer op de eerste verdieping van de woning) een hoeveelheid van ongeveer 3,76 kilogram hennep, zijnde een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Feit 2: op 17 april 2013, te Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag van 39.728 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Feit 3: op 17 april 2013 te Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen in de vorm van een gaspistool (merk BBM, kaliber 8
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.