RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummers: 16/997015-11 en 22/004108-07 (tul) [P] Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaken tegen: [verdachte] , geboren op [1961] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De inhoudelijke behandeling van deze strafzaak heeft plaatsgevonden op 22 april 2015, 23 april 2015, 24 april 2015 en 28 april
- De rechtbank heeft daarbij kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. M.C.A. Plantenga en mr. E.C. Visser, alsmede van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. drs. N. Wouters en mr. drs. J. Wouters, advocaten te Middelburg, naar voren hebben gebracht. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. De zaken tegen verdachte zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers: 16/997018-11 en 20/003376-09); [medeverdachte 2] (parketnummer: 16/997017-12) en [medeverdachte 3] (parketnummer: 16/997018-12). 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: ten aanzien van feit 1: in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 13 van de Flora- en faunawet door al dan niet opzettelijk en samen met anderen beschermde diersoorten te bezitten, te vervoeren, ze binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen en ermee te handelen. ten aanzien van feit 2: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 81 van de Flora- en faunawet door zich niet te houden aan de regels over het voeren van een administratie met betrekking tot het onder zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden hebben en afleveren van dieren. ten aanzien van feit 3, primair: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen dieren in Nederland te brengen, terwijl die dieren vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in de gebieden zijn gebracht waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. ten aanzien van feit 3, subsidiair: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen vogels in Nederland te brengen, terwijl die vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag, dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland zijn gebracht, welke vogels bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag. ten aanzien van feit 3, meer subsidiair: zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere vogels. ten aanzien van feit 4: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen als houder van dieren, terwijl hij wist/kon vermoeden dat door zijn handelen/nalaten een besmetting met/verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt, dat handelen niet achterwege heeft gelaten, dan wel niet alle maatregelen heeft genomen om zo’n besmetting of verspreiding te voorkomen. ten aanzien van feit 5: zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door geslachtsbepalings-documenten, leveranciersverklaringen van oorsprong en facturen vals op te maken of te vervalsen. ten aanzien van feit 6: zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruikmaken van valse of vervalste Europees Gemeenschappelijke Veterinaire Documenten van binnenkomst. ten aanzien van feit 7: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. ten aanzien van feit 8: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen A: zonder redelijk doel/met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij dieren pijn/letsel heeft/hebben veroorzaakt en/of de gezondheid/het welzijn van die dieren heeft benadeeld; B: als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden. ten aanzien van feit 9: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 augustus 2013 al dan niet samen met anderen A: zonder redelijk doel/met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij dieren pijn/letsel heeft/hebben veroorzaakt en/of de gezondheid/het welzijn van die dieren heeft benadeeld; B: als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden. 3Voorvragen 3.1 Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie De verdediging bepleit dat het openbaar ministerie wegens meerdere ernstige vormverzuimen in het vooronderzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Subsidiair zou dit volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair tot strafvermindering. 3.1.1 Juridisch kader Artikel 359a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) luidt als volgt:
- De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat: a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd; b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit; c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
- Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek die niet zijn hersteld of alsnog kunnen worden hersteld. Indien binnen deze grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechtbank beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid genoemde beoordelingsfactoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als in artikel 359a Sv voorzien slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is slechts plaats indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 (Zwolsman) en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376). Derhalve dient sprake te zijn van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces. 3.1.2 Oordeel rechtbank Onherstelbaar vormverzuim? In het onderstaande zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv bij de door de verdediging gepresenteerde punten, alvorens toe wordt gekomen aan de vraag wat voor rechtsgevolg er aan een eventueel verzuim zou moeten worden gegeven. Start van het onderzoek De verdediging heeft aangevoerd dat tot op de dag van vandaag onduidelijk is wat de startdatum van het opsporingsonderzoek tegen verdachte is geweest. De rechtbank stelt het volgende vast over de start van dat opsporingsonderzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 00.AMB.03 en gedateerd 8 juli 2011 blijkt het volgende. Er is door de Hongaarse CITES-autoriteit een melding aan de CITES-autoriteit in Nederland gedaan dat er op 17 januari 2011 op de Hongaars-Roemeense grens een zending vogels is gecontroleerd, waarbij de op grond van het CITES-verdrag beschermde vogels uit die zending in beslag zijn genomen. Op de bij de zending behorende documenten is vermeld dat deze door CITES beschermde vogels zijn ingevoerd met als doel ‘Z’ (dierentuinen) en als bestemming een dierentuin in Sofia, Bulgarije. De Servische chauffeur verklaarde aan de Hongaars-Roemeense grens dat de dieren in december 2010 vanuit Tanzania naar Nederland (Amsterdam) waren gekomen en dat ze naar de dierentuin in Sofia waren getransporteerd. Een dag voor deze controle is de chauffeur vanuit Bulgarije via Servië en Roemenië naar Hongarije gereden om de vogels vervolgens weer terug naar Nederland, naar [verdachte] te [woonplaats], te brengen. Op de bijbehorende factuur en gezondheidscertificaten staat de naam [verdachte] vermeld. De tien corvus albicollis (witnekraven) en de tien corvus albus (schildraven) van deze zending zijn niet beschermd op grond van het CITES-verdrag en daarom zijn ze vrijgegeven. Op 9 juni 2011 heeft een verbalisant bij een bezoek aan [A] in [woonplaats] drie witnekraven in een volière gezien. De mede-eigenaar van het bedrijf, [B], heeft verklaard dat hij deze witnekraven heeft gekocht bij [C]. Bij de overdracht van de witnekraven op 2 februari 2011 zijn een overdrachtsverklaring en drie verklaringen van endoscopische geslachtsbepaling van deze witnekraven meegegeven. Uit de verklaringen van endoscopische geslachtsbepaling bleek dat [verdachte] te [woonplaats] eigenaar van de witnekraven was op het moment dat de geslachtsbepaling plaatsvond. Omstreeks 13 januari 2011 is een koppel Filipijnse dwergvalken te koop aangeboden aan [B]. De handelaar die hem deze dwergvalken aanbood zou uit Woerden komen. Omstreeks 13 januari 2011 werden door twee handelaren Brahmaanse Wouwen aangeboden aan een thans onbekende persoon. De rechtbank stelt verder vast dat in het proces-verbaal 00.AMB.147 uitleg is gegeven over de start van het opsporingsonderzoek en de verschillende startdata die in het dossier naar voren komen. Hieruit valt geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv af te leiden. De rechtbank verwijst voor de start van het onderzoek verder naar het proces-verbaal 00.AMB.
- Uit de hiervoor vermelde gang van zaken over de start van het onderzoek leidt de rechtbank af dat het openbaar ministerie de informatie over vogels, die bekend was bij verschillende opsporingsambtenaren, pas heeft gebruikt nadat de melding van de Hongaarse CITES-autoriteiten over de grenscontrole van 17 januari 2011 was ontvangen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier om te veronderstellen dat voorafgaand aan die melding al een opsporingsonderzoek tegen verdachte was gestart. Er is wat dit punt betreft geen sprake van een vormverzuim. Onduidelijkheden relatie verbalisant [verbalisant 1] met [B] en [D] De verdediging heeft aangevoerd dat er onduidelijkheden zijn omtrent de relatie tussen verbalisant [verbalisant 1] en de heren [B] en [D]. De rechtbank stelt vast dat in de processen verbaal van bevindingen 03.AMB.05 en 03.AMB.06 is geverbaliseerd hoe de gesprekken tussen verbalisant [verbalisant 1], [B] en [D] zijn verlopen. Hieruit blijkt ook de naam van de in 03.AMB.03 genoemde ‘thans nog onbekende persoon’. Dat verbalisant [verbalisant 1] de heer [B] niet zou kennen, valt hieruit niet af te leiden. Evenmin valt af te leiden uit dat proces-verbaal dat verbalisant [verbalisant 1] een dubieuze rol heeft gespeeld, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Start inzet BOB-middelen Volgens de verdediging wordt in het proces-verbaal 00.AMB.147 24 mei 2011 genoemd als datum waarop voor de eerste keer BOB-middelen zijn aangevraagd en toegepast, terwijl dit ook op 6 en 19 mei 2011 reeds is gebeurd. De rechtbank overweegt dat de verdediging over de genoemde BOB-stukken beschikt, zodat ook hier geen sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim. Tapbevelen De verdediging heeft aangevoerd dat tapbevelen zijn afgegeven, zonder dat daarvoor een concrete en met feiten onderbouwde verdenking bestond. De rechtbank stelt vast dat bij de eerste aanvraag voor een tapbevel de gegevens uit het proces-verbaal 00.AMB.03 zijn vermeld, zoals hiervoor weergegeven. Uit die gegevens heeft het openbaar ministerie een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte kunnen afleiden. In haar betoog is de verdediging voorbij gegaan aan het feit dat bij de overdrachtsverklaring van de witnekraven is gesteld dat zij in Europa in gevangenschap zijn geboren, terwijl uit de door de Hongaarse autoriteiten in beslag genomen documenten blijkt dat de vogels afkomstig zijn uit Tanzania en hieruit een vermoeden van valsheid in geschrift valt af te leiden. Uit de opeenvolgende tapbevelen blijkt dat de periodes waarvoor deze zijn afgegeven telkens op elkaar aansluiten en dat er dus niet is getapt zonder dat er een bevel aan ten grondslag lag. Uit 00.BOB.51A blijkt dat de officier van justitie heeft verzocht om een tapbevel tot en met 4 november 2011 en anders dan de verdediging stelt, heeft de rechter-commissaris dat toegestaan. Er is geen sprake van een vormverzuim. Ontlastende stukken De verdediging heeft aangevoerd dat stukken die ontlastend voor verdachte zijn, door het openbaar ministerie niet zijn overgelegd. Dit naar aanleiding van het proces-verbaal 00.AMB.145, waarin is vermeld dat er geen proces-verbaal van zaken is opgemaakt wanneer daar geen traject uit voort is gekomen. De rechtbank ziet hierin geen vormverzuim. Verdachte heeft alle stukken in kunnen zien op het politiebureau en kunnen vragen om voeging van die stukken in het dossier. Van deze mogelijkheid heeft verdachte geen dan wel slechts beperkt gebruik gemaakt. Rechtshulpverzoeken De verdediging beklaagt zich erover niet betrokken te zijn bij rechtshulpverzoeken. De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtsregel is die dit voorschrijft. Daarbij heeft de verdediging ruimschoots de mogelijkheid gehad te verzoeken getuigen te horen. Er is geen sprake van een vormverzuim. Onjuiste voorinformatie aan getuigen De verdediging stelt dat de getuigen onjuiste informatie van verbalisanten hebben gekregen. Daardoor zouden zij voorgeprogrammeerd zijn en aldus hebben verklaard. De rechtbank acht deze stelling van de verdediging onvoldoende onderbouwd en acht geen vormverzuim aanwezig. Onverwijld op de hoogte stellen van beschuldigingen en tijdgebrek De verdediging heeft aangevoerd dat zij niet onverwijld op de hoogte is gesteld van de beschuldigingen, omdat de definitieve dagvaarding pas enkele weken voor de regiezitting op 12 november 2014 aan de verdediging is verstrekt. Daarnaast heeft het bijna drie jaar geduurd voordat de verdediging over de dossierstukken kon beschikken. Dankzij deze minimale bestuderingsmogelijkheden van het dossier is een inequality of arms ontstaan. Het openbaar ministerie was immers al drie jaar met de zaak bezig geweest. De rechtbank acht het tijdstip waarop de definitieve dagvaarding aan de verdediging is verstrekt niet zodanig laat dat er sprake is van een vormverzuim. Evenmin acht de rechtbank de voorbereidingstijd die beschikbaar was voor de verdediging te weinig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de definitieve dagvaarding dateert van 24 oktober 2014 en dat er zowel op 12 november 2014 als op 4 maart 2015 een regiezitting in de zaak van verdachte heeft plaatsgevonden. De inhoudelijke behandeling is begonnen op 22 april 2015, bijna een halfjaar nadat verdachte de beschikking over de definitieve dagvaarding had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte - ondanks het omvangrijke dossier - niet in zijn belangen is geschaad en er geen sprake is van een vormverzuim. Geluidsfragmenten De verdediging heeft aangevoerd dat uit de geluidsfragmenten zoals die op zitting zijn afgespeeld blijkt dat de objectiviteit van het opsporingsonderzoek en de opsporingsambtenaren ver te zoeken is. Uit het door de verdediging aangehaalde geluidsfragment blijkt volgens de rechtbank dat de betreffende verbalisanten spreken over het niet aantreffen van schildpadden en over de auto van verdachte. Uit het voorgaande leidt de rechtbank niet af dat er zodanig is gerechercheerd dat er sprake is van een vormverzuim. Betreden zonder huiszoekingsbevel De verdediging heeft aangevoerd dat door het observatieteam op 19 augustus 2011 bevoegdheden zijn overschreden door binnen te treden in de loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. De rechtbank is van oordeel dat het observatieteam op 19 augustus 2011 inderdaad zijn bevoegdheden heeft overschreden door in de loods van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] binnen te treden. Er was geen machtiging verleend om dit pand van verdachte binnen te treden. Tegen het lid van het observatieteam is gezegd dat hij buiten moest wachten. Nadat hij toch naar binnen was gelopen en hem nogmaals was gezegd dat hij buiten moest wachten is hij weer naar buiten gegaan. Het binnentreden zonder machtiging en zonder toestemming van verdachte is een onherstelbaar vormverzuim, dat de rechtbank ernstig acht. De rechtbank acht dit vormverzuim echter, mede gelet op de omstandigheden waaronder het verzuim heeft plaatsgevonden, niet zodanig ernstig dat dit moet leiden tot de niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. De rechtbank is van oordeel dat eventuele bewijsmiddelen die uit dit onrechtmatige binnentreden zijn verkregen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Krat bier De verdediging heeft aangevoerd dat het observatieteam zijn bevoegdheden ook op 24 augustus 2011 heeft overschreden door een krat bier aan een minderjarige werknemer van verdachte aan te bieden. De rechtbank is van oordeel dat het door de verbalisanten overhandigen van een krat bier aan een zeventienjarige medewerker van verdachte op 24 augustus 2011 een ernstig laakbaar feit is. Onduidelijk is wat hiermee is beoogd. Anders dan de verdediging gaat de rechtbank er niet vanuit dat dit op initiatief van de officier van justitie is gebeurd, maar dat doet aan de ernst van het feit niet af. Niet gebleken is dat dit laakbare handelen enig gevolg heeft gehad in de zin van concrete onderzoeksresultaten die ontlastend dan wel belastend voor verdachte zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank laat het daarom bij een constatering van dit vormverzuim. Te koop aanbieden van een telefoon De verdediging heeft aangevoerd dat verbalisanten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden door het aanbieden van mobiele telefoons aan verdachte (pseudokoop). De rechtbank acht dit aanbieden van telefoons aan verdachte voor een lage prijs laakbaar en ziet dit als een onherstelbaar vormverzuim. Verdachte is echter niet op het aanbod van de verbalisanten ingegaan, zodat de rechtbank het hier laat bij de constatering dat sprake is van een vormverzuim. Strijd met gelijkheidsbeginsel Verdachte beroept zich op een strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de zaken van andere verdachten zijn geseponeerd. De rechtbank acht geen strijd met het gelijkheidsbeginsel aanwezig. Gesteld noch gebleken is dat tegen één van die andere verdachten een verdenking bestaat met eenzelfde omvang bij de handel in vogels en andere dieren als de verdenking zoals die tegen verdachte. Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie? Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. 3.2 Overige voorvragen De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hiertoe hebben de officieren van justitie verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de verdediging verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, maar daarbij uitsluitend ingaan op die standpunten die zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Algemene opmerkingen bewijs De hierna opgenomen bewijsmiddelen zullen per ten laste gelegd feit en vervolgens per ten laste gelegd zaaksdossier worden weergegeven. Gelet op de overlap van een aantal bewijsmiddelen voor verschillende feiten wordt nu en dan verwezen naar bewijsmiddelen die onder een ander feit zijn opgenomen. De weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze gelet op de inhoud kennelijk betrekking hebben. 4.3.2 Algemene bewijsmiddelen Verdachte heeft verklaard dat hij wereldwijd in diverse diersoorten handelt, waaronder vogels. Hij heeft een eenmanszaak genaamd [bedrijf 1]. Verdachte gebruikt ook de naam van het bedrijf [bedrijf 2] voor zijn dierenhandel. Hij heeft veel contact met [medeverdachte 1] over de handel in dieren. Verdachte maakt gebruik van verschillende panden voor zijn dierenhandel. Dat zijn de panden aan de [adres] te [woonplaats] met de nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]. Op het adres [adres] nummer [nummer] is een quarantaineruimte gevestigd. 4.3.3 FEIT 1 4.3.3.1 Juridisch kader feit 1 CITES-verdrag Ter bescherming van in het wild levende diersoorten tegen – onder meer – overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel is op 18 juli 1984 in Nederland het internationaalrechtelijke CITES-verdrag in werking getreden. CITES staat voor de ‘Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora’. Basisverordening 338/97 In de EU is het CITES-verdrag geïmplementeerd in de EU basisverordening 338/97 (hierna: de Basisverordening) en bijbehorende Uitvoeringsverordening. Doel van de Basisverordening is in het wild levende diersoorten te beschermen en in stand te houden door controle op het desbetreffende handelsverkeer. De Basisverordening is op 1 juni 1997 in werking getreden en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. De Basisverordening bevat vier bijlagen (A, B, C en D), waarin per type diersoort is omschreven aan welke voorschriften de handel in die soorten moet voldoen. Flora- en faunawet Daarnaast zijn in de Nederlandse Flora- en faunawet (verder: Ffw) en de daarop gebaseerde regelgeving verscheidene regels opgenomen ter bescherming van in het wild levende diersoorten. Het eerste lid van artikel 13 Ffw bevat een algemeen verbod op het te koop vragen, kopen of verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad hebben, verkopen of ten verkoop aanbieden, vervoeren, ten vervoer aanbieden, afleveren, gebruiken voor commercieel gewin, huren of verhuren, ruilen of in ruil aanbieden, uitwisselen of tentoonstellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben van dieren behorende tot een beschermde inheemse of uitheemse diersoort. Via de artikelen 4 en 5 Ffw en de onderliggende Regelingen en Besluiten is bepaald wanneer een bepaalde diersoort valt onder de categorie ‘beschermde inheemse diersoort’ respectievelijk ‘beschermde uitheemse diersoort’. Strafbaarstelling artikel 13 Ffw Overtreding van artikel 13 FFW is strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (verder: Wed). Volgens artikel 2 Wed betreft dit een misdrijf indien dit opzettelijk is gedaan en een overtreding wanneer van dat opzet geen sprake is. Uitzonderingen/vrijstellingen/ontheffingen Ffw De al dan niet van toepassing zijnde uitzonderingen, vrijstellingen en ontheffingen op/van het eerste lid van artikel 13 Ffw zullen hieronder per diersoort worden besproken. 4.3.3.2 Vrijspraken feit 1 Zaaksdossier 04 – Wildvang Bulgarije Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie verwijt verdachte onder het ten laste gelegde deel zaakdossier wildvang Bulgarije dat hij samen met anderen opzettelijk heeft gehandeld in diverse beschermde vogels die uit het wild afkomstig zijn en dat hij samen met anderen die beschermde vogels heeft bezeten, vervoerd en binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Deze handelingen zijn strafbaar gesteld in artikel 13 Ffw. Standpunt verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte voldoet aan alle vereisten om onder een vrijstelling van de verboden handelingen uit artikel 13 Ffw te vallen. Oordeel rechtbank Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten naar voren gekomen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte niet heeft voldaan aan de vereisten om onder een vrijstelling op het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw te vallen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte een beroep op een vrijstelling toekomt. Het gevolg daarvan is dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verboden handelingen uit artikel 13 lid 1 Ffw. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het deel van de tenlastelegging onder 1 dat ziet op het zaaksdossier wildvang Bulgarije. Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute De verdediging en de officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde met betrekking tot de Brahmaanse wouwen uit het zaaksdossier dierentuinroute. De rechtbank spreekt verdachte - wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrij van dit deel van de tenlastelegging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige handeling met betrekking tot deze Brahmaanse wouwen heeft verricht. 4.3.3.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 1 Zaaksdossier 05 – Oneigenlijk bezit Bewijs amoerpanters De amoerpanter, wetenschappelijke naam: panthera pardus orientalis, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae. Verdachte heeft verklaard dat [E] hem op 1 september 2011 voor € 6.000,- drie amoerpanters heeft aangeboden, welke amoerpanters afkomstig zijn van het [park] in Duitsland. Zijn chauffeur, [F], heeft deze drie amoerpanters op 20 april 2012 bij het [park] opgehaald en betaald. Verdachte had [F] een geldbedrag van € 5.000,- voor deze amoerpanters meegegeven. [F] heeft de amoerpanters afgeleverd bij [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] en ze zijn vervolgens per vliegtuig naar Dubai verzonden. Verdachte heeft het transport van de amoerpanters geregeld. Onder verdachte is een factuur aangetroffen, die afkomstig is van ‘[E] B.V.’ en is gericht aan ‘[bedrijf 2] [adres], [postcode] te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 9 mei 2012 en betreft de levering van ‘3 amur leoparden’ voor het bedrag van € 6000,- exclusief € 1.140,- BTW. Derhalve € 7.140,- in totaal. [F] heeft verklaard dat hij op 20 april 2012 in opdracht van [verdachte] drie amoerpanters heeft opgehaald in het [park] te [vestigingsplaats] in Duitsland. Hij heeft ongeveer € 5.000,- betaald voor deze drie amoerpanters aan het park. Hij had dit geld van [verdachte] gekregen. [E] heeft verklaard dat [verdachte] hem nog € 2.140,- contant heeft betaald voor de amoerpanters. Gelet op een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 22 april 2012 zijn de luchtvrachtkosten van € 2.016,- en de kosten voor een export document van € 75,- voor ‘live animals’, derhalve € 2.091,- in totaal, voor rekening gekomen van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’ Op 27 april 2012 is vanaf een rekening van ‘[bedrijf 1], [adres], [postcode] [woonplaats]’ een bedrag van € 2.091,- overgemaakt op een rekening van ‘[bedrijf 11]’. In de periode van 1 september 2011 tot en met 17 mei 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [E], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]; - [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. In een gesprek op 01 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]): “[E]: Ik heb nog die mensen van die Amoerleopards aan de telefoon gehad, die 3 gecastreerde mannen. Heb jij daar nog klanten voor? [verdachte]: Ja, in principe wel, Fris me eens op, hoe zat het ook al weer? [E]: Drie mannen samen 6000 euro, gecastreerde mannen. [verdachte]: Ik spreek zo de man in Arabie, ze willen wel papier opmaken eventueel, he? [E]: Ja, ze willen wel de papieren opmaken (…).” In een gesprek op 02 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]). “[medeverdachte 1]: Dag .. [verdachte] kenne gij nie gaan vragen of ie nie toevallig een fotoke van die drie kan krijgen, ik heb wel een klant die serieus geïnteresseerd is voor een goeie .. [verdachte]: Amoers? [medeverdachte 1]: Ja voor die Amoers, ik heb 32.000 euro gevraagd ... hij wil een fotoke zien [verdachte]: Okay, ik zal even vragen of dat gaat eventueel .. Jaaa?” In een gesprek op 06 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]). “[verdachte]: Jaaa? [E]: jaaa ... die eh .. gegevens van die Amoerleoparden ... (…) [E]: Kun je dat overfaxen, dat ik dat klaar kan maken, die exportcites? [verdachte]: Jaha dat kan maar dan moet je ze even overfaxen naar me. [E]: He? [verdachte]: Wat hebben ze, chipnummers en datum van geboorte. [E]: Ja .. moet je dat hebben? [verdachte]: Jahaa anders ... dan kan ik mijn invoervergunning aanvragen. [E]: Okay, dan ga ik dat morgenvroeg regelen ehhm (…) : (…) Ehh die Amoerleoparden ehh .. gaan naar een dierentuin? [verdachte]: Ja, maar wel in Arabië. [E]: Ja, nee maar dat maakt niet uit. [verdachte]: Mm [E]: Zet anders dat adres er maar even op dan vraag ik hem aan op een van die kopieën en dan krijg je die ook wel, dan is het ook klaar. (…) [verdachte]: Ja, ik moet alleen eh als ik eh de, de ... leeftijd van de geboorte heb en de chipnummers dan zal ik vast een eh een eh cites aanvragen, dan hebben hun al een cites aanvraag of een originele importcites voordat ze aanvragen dat, zo hoort het ook eigenlijk. [E]: Okay, super.” In een gesprek op 14 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]). “[medeverdachte 1]: Ehh, ja voor de rest zou ik het eigenlijk ook allemaal niet weten, die Lemur, Amoeren, Lemuren, Amoeren ............. amour amour. [verdachte]: Ehh .. vrijdag .. bij jou. [medeverdachte 1]: Vrijdag bij mijn okay. [verdachte]: Donderdagmiddag laden en dan ehh ........... donderdagnacht op Schiphol en dan eh in de nacht gaan ze weg dan eh .. vrijdag bij jou.” In een gesprek op 19 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]). “[verdachte]: Ehm, wat ik zeggen wou was maar ehh ... als je, als ehh we geld mee moeten nemen dan moet ik dat voor morgenochtend voor eh half 8 wel weten want anders eh. [E]: Ah neem maar eh 5000 euro mee eh doe dat maar, ik heb voor 5000 Euro heb ik ze ervoor gekocht. [verdachte] : Oh okay, nou dan za'k dat wel meegeven (…).” In een gesprek op 17 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]): “[verdachte]: [verdachte]. [E]: Ja [E] nog eventjes, uh mijn vrouw had uh had die rekening klaar gemaakt van die amoers. [verdachte]: Hmm. [E]: Had ze erop geschreven uh 6000 (zesduizend) euro, 5000 (vijfzuidend) uh betaald aan Seregeti uh ex BTW blablabla, ja? [verdachte]: Ja is goed. [E]: Okee. Yo. [verdachte]: Yo.” Op de CITES-uitvoervergunningen gedateerd 2 oktober 2012 en 10 oktober 2012 is opgenomen dat in totaal drie amur leopards/panthera pardus door exporteur [park] in Duitsland aan importeur [bedrijf 7] in Dubai worden verzonden. Bewijsoverwegingen amoerpanters Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de amoerpanters aangeboden heeft gekregen door [E]. Daarna heeft hij ze door zijn chauffeur [F] laten ophalen, betalen en afleveren bij [bedrijf 11] om ze vervolgens naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de amoerpanters zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft daarnaast in verschillende tapgesprekken met [medeverdachte 1] gesproken over het vinden van klanten voor de amoerpanters in Dubai en het bijbehorende verkoopbedrag. Zodra [medeverdachte 1] een koper had gevonden zijn de exportpapieren opgemaakt, en wel op een zodanige manier dat wordt gesuggereerd dat de dieren rechtstreeks door het [park] in Duitsland naar het [bedrijf 6] in Dubai zijn verzonden. Overtreding 13 Ffw Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de amoerpanters heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [E] en [medeverdachte 1]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Amoerpanters zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte slechts het transport van de drie amoerpanters heeft verzorgd. Hij is nooit houder of eigenaar van de amoerpanters geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (verder: Regeling vrijstelling). Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening. In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw. Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de drie amoerpanters door/namens verdachte, maar ook van andere, in een nauwe en bewuste samenwerking verrichte, verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling. Omdat amoerpanters behoren tot de familie van katachtigen kunnen ze bovendien niet vallen onder de vrijstelling van het verbod ze onder zich te houden, aldus artikel 14 lid 4 van de Regeling vrijstelling in samenhang met het eerste lid van artikel 13 Ffw. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie amoerpanters samen en in vereniging opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Bewijs ringstaartmaki’s De ringstaartmaki, wetenschappelijke naam: lemur catta, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en valt volgens die Basisverordening onder de primaten, wetenschappelijke naam: primates. Verdachte heeft verklaard dat [E] op 17 januari 2012 om 18.41 uur vijf ringstaartmaki’s bij hem heeft gebracht. Deze ringstaartmaki’s kwamen uit het dierenpark [dierentuin 2] in Duitsland. Om 19.42 uur heeft verdachte deze ringstaartmaki’s naar het bedrijf [bedrijf 9] in [vestigingsplaats] gebracht. Verdachte heeft daarover contact gehad met [G] van [bedrijf 9]. De ringstaartmaki’s zijn vervolgens per vliegtuig naar Dubai verzonden. Verdachte heeft het transport van de ringstaartmaki’s naar Dubai geregeld. [E] heeft verklaard dat hij vijf lemur catta’s afkomstig uit dierenpark [dierentuin 2] voor € 500,- heeft doorverkocht aan [verdachte]. In de administratie van [bedrijf 9] is een e-mailbericht van 10 januari 2012 aangetroffen van ‘[verdachte] [[e-mail]@gmail.com]’ gericht aan [G] van [bedrijf 9]. In de e-mail biedt [verdachte] 5 lemur catta’s aan voor [bedrijf 6] in Dubai, welke lemur catta’s afkomstig zijn van [dierentuin 2] in Duitsland. In de e-mail vraagt verdachte aan [G] een boeking te maken en informatie door te sturen die verdachte nodig heeft om een gezondheids cert (de rechtbank begrijpt: gezondheidscertificaat) te maken in Germany. Volgens een factuur van [bedrijf 9] gedateerd 18 januari 2012 zijn de airfreightcharges (de rechtbank begrijpt: luchtvrachtkosten) en de kosten voor exporthandling (de rechtbank begrijpt: exportdocumenten), voor ‘5 Pcs live animals’, voor rekening gekomen van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’ In de periode van 8 november 2011 tot en met 17 januari 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [E], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]; - [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]. In een gesprek op 8 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]): “[E]: (…) bij mij in de auto ligt al die lijst van die Lemur catta's, hij heeft er 5 zitten en ik meen dat het er 3 waren maar er zitten er
- En een andere dierentuin heeft er twee maar hij wil één nieuwe dekman beer hebben. (…) [E]: En dan heb ik nog op een plaats 5 Lemur catta's zitten, dat is 2,3 maar dat hoor ik vandaag ook wat voor citessen er achter liggen. (…) [verdachte]: Als ik die chipnummers en de datums heb wanneer die geboren is dan vraag ik een invoervergunning in Dubhai aan en dan krijgt hij, dat hebben we met die tijgers ook gedaan, dan krijgt hij gelijk uhh..dan krijgt hij rapper die dingest. (…)” In een gesprek op 10 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “[verdachte]: Dan heb ik een ander geval. Die 5 Lemur catta, dat is 2,
- (…) Kost 35 meier met z'n vijven. [medeverdachte 1]: Ja, dat moet wel kenne. [verdachte]: Als jij zegt: ja, dan ga ik jou de chipnummers en de hele rattaplan doorgeven en dan vraag jij een invoervergunning aan? [medeverdachte 1]: Ja. Heb je niet toevallig een EEG-certificaatje? [verdachte]: Ja, die heb ik wel, maar ik denk, als ik die in ga scannen, dat het nog moeilijker wordt. Maar ze staan op een nederlands certificaat en een duitse dierentuin gaat ze exporteren. [medeverdachte 1]: Oke, is goed. Geef me maar de dingen door. [verdachte]: Ze staan op de kasteeltuin in Arcen en ze zitten in [dierentuin 2]. [medeverdachte 1]: Oké. (…)” In een gesprek op 17 januari 2012, omstreeks 19.54 uur, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “[medeverdachte 1]: Jaa, meneer [verdachte]. [verdachte]: Ehhh .... de Lemur is 1.2 wat bij elkaar kan. [medeverdachte 1]: Jaa. [verdachte]: En die zijn gemerkt met een B op de kist. [medeverdachte 1]: Okay. [verdachte]: En dan heb je 1 paar dat bij elkaar ken, dat is gemerkt met een A. [medeverdachte 1]: Ja. (…) [verdachte]: Zeker niet ... ehhmm... tsjaaa wat moet ik er dan verder nog van vertellen? .... nee dat is eh, ze staan op Schiphol dus ehhh .... hij brengt ze morgenochtend effe ... aan de .. aan de man enne en is het goed. (…)” Bewijsoverwegingen ringstaartmaki’s Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat [E] vijf ringstaartmaki’s bij verdachte heeft gebracht. Deze ringstaartmaki’s hebben op het bedrijf van verdachte gestaan, waarna hij ze bij [bedrijf 9] heeft afgeleverd om ze naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de ringstaartmaki’s zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft daarnaast in verschillende tapgesprekken met [E] en [medeverdachte 1] gesproken over het opmaken van invoervergunningen voor de ringstaartmaki’s in Dubai. Met [medeverdachte 1] heeft verdachte gesproken over het verkoopbedrag van de ringstaartmaki’s. Overtreding 13 Ffw Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de vijf ringstaartmaki’s heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [E] en [medeverdachte 1]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Ringstaartmaki’s zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte slechts het transport van de vijf ringstaartmaki’s heeft verzorgd. Hij is nooit houder of eigenaar van de ringstaartmaki’s geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling. Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening. In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw. Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de vijf ringstaartmaki’s door/namens verdachte, maar ook van de andere, in nauwe en bewuste samenwerking verrichte, verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling. Omdat ringstaartmaki’s primaten zijn, kunnen ze ook niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de vijf ringstaartmaki’s samen en in vereniging opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Bewijs woestijnlinxen/caracals De Aziatische populatie van de caracal/woestijnlynx, wetenschappelijke naam: caracal caracal, is opgenomen in Bijlage A van de Basisverordening. De andere populaties zijn opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening. Verder blijkt uit artikel 5 Ffw in samenhang met Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (verder: Regeling aanwijzing) dat de caracal caracal in Nederland een beschermde uitheemse diersoort is en behoort tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae. Verdachte heeft verklaard dat [H] hem op 17 oktober 2011 een caracalwijfje heeft aangeboden. Hij heeft dit caracalwijfje van [H] gekocht en op 13 januari 2012 bij [H] in België opgehaald. Verdachte heeft ook een andere caracal gekocht. Deze was van [I] en is tijdelijk bij [J] ondergebracht. Verdachte heeft de beide caracals verkocht aan [K]. [K] heet eigenlijk [K] en komt uit Madrid. [K] heeft voor de caracals een aanbetaling van € 2.000,- naar verdachte overgemaakt. [K] heeft de twee caracals op 14 januari 2012 rond 14.00 uur bij verdachte opgehaald. Onder verdachte is een factuur gedateerd 15 januari 2012 aangetroffen betreffende de levering van onder andere twee caracals voor € 4.250,-. De factuur is van ‘[bedrijf 2], [adres] te [woonplaats]’ en gericht aan ‘[K] te Madrid’. In de periode van 17 oktober 2011 tot en met 14 januari 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer];- [K], die ook wel [K] wordt genoemd, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [I], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [J], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]. In een gesprek op 17 oktober 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]): “[H]: ik kan uhh ik had net ook nog contact met die dierentuin van die caracal. Die caracal kan ook meekomen, die jonge caracal als je der klaar voor bent. (…) [verdachte]: oke en..het was een wijfie he? [H]: jajaja, een schitterend dier! zo ga jij nog nooit een hebben gezien, een schitterend dier hoor! schitterend! [verdachte]: ik zal er zo even in duiken zo als ik thuis ben [H]: hoe zeg je? [verdachte]: ik gaat er zo effe mee kijken wat ik doen ken, dan zal ik die man effe contacteren.(…) [H]: is goed.” In een gesprek op 22 december 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [K] ([K]): “(…) [K]: He, [verdachte], denk je dat het mogelijk is, een koppel caracal lynx (don)? [verdachte]: Caracal? [K]: Ja. [verdachte]: Ja, is mogelijk, ja. [K]: Normale prijs voor het koppel? [verdachte]: Voor het koppel? [K]: Ja.. [verdachte]: Mmmm..ik geloof voor het koppel zal de prijs rond 4.000 zijn op het moment. [K]: Per koppel, 4.000 per koppel? [verdachte]: Ja. [K]: Oke, oke, ik ga naar mijn klant, ik geloof morgen zet de betaling in mijn rekening en ik ga jou sturen, oke? [verdachte]: Oke, geen probleem. (…) [verdachte]: ..laat het me weten, stuur me de copie en ik zal verzenden. [K]: Oke, heel goed, [verdachte], heel hartelijk bedankt.” In een gesprek op 29 december 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]): “[verdachte]: Ik zou de Caracal ook nog kunnen gebruiken, maar ik weet niet hoe je dat wil doen, als je zegt dat je 495 wil hebben dan wordt dat te duur voor mij..de Caracal zou ik ook nog willen. [I]: Die kan ik in ieder geval meebrengen...die kan ik desnoods bij.. [verdachte]: Wat? [I]: Ja, o.k... ik wilde zeggen dat ik die desnoods bij [J] (fon) afgeven, maar ik heb niets voor [J], hij wil nog een paar Lama’s hebben maar dat is nog niet zo ver. [verdachte]: Heb je die 15 januari? [I]: Ja, 4 januari kom ik daar naartoe. [verdachte]: Ja, moet ik even kijken hoe het met de Caracal loopt. [I]: Dan praten we erover. [verdachte]: Ja die wilde ik hebben, ik heb iemand die deze wil hebben. [I]: Ja. (…) [verdachte]: En de Caracal die wil ik ook hebben en ja, 770 euro provisie kan ik betalen, dat is geen probleem. [I]: Ja, ok.” In een gesprek op 30 december 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]): “[I]: Donderdagochtend komt de Caracal mee. [verdachte]: Donderdagmorgen? [I]: Ja. [verdachte]: Geen probleem, moeten we kijken waar ik dat vinden kan. [I]: Hoe we dat doen, dat moeten we nog bespreken. [verdachte]: Ja, ja. [I]: Zodra ik weet wat er tot dan nog aankomt, op het moment heb ik niets aan het rijden. (…) [verdachte]: Je hebt nog niets om te vervoeren?..heb je alleen de Caracal dan? [I]: Nee...ik heb..[J] wil de Erdmannchen (fon) hebben en dan kan ik die tegelijk brengen. [verdachte]: Ah, ja o.k. kan ik dat bij [J] ophalen. [I]: Misschien gaan we dat zo doen. [verdachte]: Geen probleem.” In een gesprek op 5 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]): “[I]: Je weet niet...ahh..dat is niet veel...ik rij zometeen naar [J] en neem de kat mee. [verdachte]: O.k., ja dan haal ik die daar op. [I]: Ja, maar wanneer kom je daar naartoe? [verdachte]: Weet ik nog niet precies, hoe laat ben jij daar? [I]: Ja vandaag..in de ochtend, in elk geval ben ik om 11 uur alweer klaar. [verdachte]: A..o.k., moet kijken wat ik kan regelen. [I]: Ja, ok het is ook onbelangrijk. [verdachte]: Komt goed. [I]: Hoe doen we dat financieel? [verdachte]: Ja, hoe doen we dat.. [I]: Ik heb nog een paar mark tegoed. [verdachte]: De kat is 770? [I]: Ja. [verdachte]: En je moet de Aramdilo (fon) nog betalen.. [I]: Ja. [verdachte]: Hoe regelen we dat met de Armadilo? [I]: Ja, dat betaal ik, ik reken het af..hoe doen we dat? ieder de helft?..ik bedoel, helft van die 100 euro. [verdachte]: Ja, het is goed. [I]: Jij neemt 50, ik neem
- [verdachte]: Ja goed. [I]: Dat betekent 600 op
- [verdachte]: Ja dan krijgt je nog
- [I]: En
- [verdachte]: Ja, dat is dan 220....als ik nog niet daar ben, betaalt [J] wel, dat is geen probleem. (…)” In een gesprek op 5 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [J] ([J]): “[verdachte]: Ja [verdachte], uhm wat ik zegge wou, ik ben er morgenochtend om acht uur om dat ding op te halen[J]: ja is goed.” In een gesprek op 6 januari 2012, 08.48 uur, gespreknummer [telefoonnummer], zegt verdachte tegen een derde persoon, NNman0924, dat hij net bij [J] wegrijdt. Uit de gespreksgegevens blijkt dat hij daarbij de zendmastlocatie op de Kuipersdijk te Apeldoorn aanstraalt. Deze locatie is in de onmiddellijke omgeving van het woonadres van [J], de [adres] te [woonplaats].Verder is uit onderzoek naar de bakengegevens van het voertuig van verdachte gebleken dat dit voertuig op 6 januari 2012 naar de [adres] in [woonplaats] is gereden. In een gesprek op 9 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [K] ([K]): “[verdachte]: Ja? [K]: Hi [verdachte]. [verdachte]: Hi.. [K]: [verdachte] is oke voor je als ik vandaag 2.000 euro doe.. [verdachte]: Ja, oke ik kan.. [K]: ..om het dier te reserveren? [verdachte]: ..ik kan de caracal blokken, dus het is oke.. [K]: Oke, oke, oke.. (…)[verdachte]: .. maar eh wanneer ben je.. wanneer ben je van plan om te komen? [K]: Ik weet het niet, ik denk eh.. ik denk eh..eh.. vrijdag in Holland.. [verdachte]: Vrijdag, oh, oke.. [K]: Ik denk vrij..vrijdag in Holland.. [verdachte]: Mm…(…)[K]: Oke, [verdachte], eh.. over 1 uur stuur het geld aan je en de rest betaal aan je in contanten , oke?: Oke, ja, oke..” Uit analyse van de mutatieoverzichten van een bankrekening ten name van [bedrijf 1], eenmanszaak van [verdachte], is gebleken dat op 10 januari 2012 een bedrag van € 2.000,- is overgemaakt door [K]. In een gesprek op 13 januari 2012, 14.59 uur, gespreknummer [telefoonnummer], belt verdachte met [H]. Verdachte is rond half 6 bij [H] met zijn kleine rode autootje. heeft die caracal in een kist van 60 hoog en 60 lang. Dat past volgens [verdachte] wel. In een gesprek op 14 januari 2012, 14.07 uur, gespreknummer [telefoonnummer], belt verdachte met [K]. zegt dat hij bij [verdachte] zijn bedrijf is. [verdachte] zegt dat hij er over tien minuten is. Bewijsoverweging woestijnlinxen/caracals Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte op 29 december 2011 telefonisch een caracal aangeboden heeft gekregen van [I]. Op 5 januari 2012 zegt [I] tegen verdachte dat hij zo met de kat (de rechtbank begrijpt: de caracal) naar [J] rijdt. Verdachte antwoordt dat hij de kat bij [J] zal ophalen. Verdachte belt op 5 januari 2012 met [J] en zegt dat hij de volgende ochtend om acht uur dat ding (de rechtbank begrijpt: de caracal) op komt halen. Op 6 januari 2012 geeft verdachte in een telefoongesprek om 8.48 uur aan dat hij net bij [J] (de rechtbank begrijpt: [J]) wegrijdt. Uit de mastgegevens behorende bij dit gesprek, de bakengegevens van de auto van verdachte en de overige bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 6 januari 2012 omstreeks acht uur ’s ochtends bij [J] is geweest om de caracal op te halen die hem door [I] was aangeboden. Daarnaast heeft verdachte erkent dat hij op 13 januari 2012 een caracalwijfje bij [H] in België heeft gekocht en naar zijn bedrijf in Nederland heeft gebracht. Op 14 januari 2012 haalt [K] omstreeks 14.00 uur de twee caracals op bij het bedrijf van verdachte. [K] heeft daarvoor een aanbetaling naar verdachte overgemaakt en er is bij verdachte een factuur van 15 januari 2012 voor [K] aangetroffen, waar de beide caracals op staan. Het verweer van de verdediging dat verdachte beide caracals pas op 13 januari 2012 bij [H] heeft opgehaald acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op genoemde bewijsmiddelen en gegeven het feit dat [H] in het afgetapte telefoongesprek van 13 januari 2012 slechts spreekt over één caracal in een kist. Overtreding 13 Ffw Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beide caracals heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [H] en [I]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Caracals zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A respectievelijk B van de Basisverordening) en artikel 5 Ffw in samenhang met Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte de ten laste gelegde caracals slechts in het kader van doorvoer onder zich heeft gehad. De beide caracals hebben een ochtend op het terrein van verdachte moeten staan, omdat [K] vertraging had. Verdachte kan een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. Doorvoer volgens Basisverordening Indien en voorzover de verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van ‘doorvoer’ in de zin van de Basisverordening, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens artikel 1 sub v van de Basisverordening wordt onder ‘doorvoer’ verstaan: “het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Gemeenschap via het grondgebied van de Gemeenschap (...) zonder andere onderbrekingen van de reis dan die welke bij deze vorm van vervoer onvermijdelijk zijn.” In casu is geen sprake geweest van ‘doorvoer’ in de zin van de Basisverordening, aangezien het vervoer betrof tussen twee punten binnen het grondgebied van de Gemeenschap en niet buiten de Gemeenschap. Ook heeft verdachte de reis van de caracals onderbroken door ze op zijn terrein te laten staan. Dit kan niet worden opgevat als een ‘onvermijdelijke’ onderbreking van de reis. Het feit dat [K] vertraging zou hebben gehad waardoor de caracals langer op het terrein van verdachte hebben gestaan dan gepland, komt geheel voor rekening en risico van verdachte. Regeling vrijstelling Uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat Bijlage A soorten overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod die soorten ten behoeve van intracommunautair verkeer binnen het grondgebied van Nederland te brengen. In casu is niet uitsluitend sprake geweest van het (intracommunautair) vervoeren van de twee caracals door/namens verdachte, maar ook van de andere verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, waardoor geen beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling. Omdat caracals katachtigen zijn, kunnen ze ook niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee caracals opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 Ffw. Bewijs tigons/Lijgers Eerste tigon/lijger Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat waar in het procesdossier gesproken wordt over het transport van een lijger van 9 tot 14 maart 2012, dit in feite een tigon betreft. De tigon, wetenschappelijke naam: panthera tigris, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae. Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 november 2011 telefonisch een tigon/lijger van [H] kreeg aangeboden. Deze tigon/lijger heeft hij op 14 maart 2012 bij [H] in België opgehaald en naar [G] van [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] gebracht. De tigon/lijger is vervolgens naar Dubai verzonden. Hij heeft veel contact met [medeverdachte 1] in Dubai gehad over de tigon/lijger. Wanneer het transport naar Dubai zou zijn gerealiseerd, zou verdachte nog een provisie krijgen van het bedrag dat de tigon/lijger in Dubai zou opbrengen. Verdachte heeft verschillende mensen moeten betalen voor de tigon/lijger, waaronder [H]. Hij heeft ook de transportkosten van [bedrijf 11] voor de tigon/lijger betaald. [H] heeft verklaard dat [verdachte] hem € 10.000,- contant heeft betaald voor de lijger, die in feite een tigon was. [verdachte] heeft deze tigon/lijger bij [H] opgehaald. Volgens een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 15 maart 2012 komen de luchtvrachtkosten en de kosten voor een export document voor ‘live animals’ voor rekening van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’ Onder verdachte is een rekenstaat aangetroffen, met daarop geschreven: ‘Liger winst + inkoop 27.666,-.’ Tevens is een kladberekening aangetroffen, met daarop geschreven: ‘Liger inkoop 14.000 + 13.666,- = 27.666,-.’ Verdachte heeft verklaard dat dit een verrekening is tussen hem en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft verdachte € 27.666,- voor de tigon/lijger betaald. In de periode van 25 november 2011 tot en met 12 maart 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. In een gesprek op 25 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]): “[verdachte]: En dan stond er nog een ding op van 9500, maar ik wist niet wat dat was. [H]: Ja, een lijger, een kruising tussen tijger en leeuw [verdachte]: OOhh. (…) [verdachte]: Dan heb ik daar waarschijnlijk wel een klant voor, maar willen ze daar ook export papieren voor maken? [H]: Uh, weet ik niet. Ik weet dat [Aw] het ook weer van iemand anders heeft en dan weten we beiden dat je ooit in een vreemde wereld treedt, waar ik niet altijd even gelukkig mee ben. Uuhhh, ik ga het eventueel wel proberen, dussuh.. Met die dingen kom jij toch ook niet zo dadelijk weg zeker, hé? [verdachte]: Nee, nee. Vraag eens of ze er een exportpermit bij willen maken. [H]: Uh, is goed. Dan kun jij daar er mee leven... (…) [verdachte]: Ja, in principe denk ik wel dat ik er een klant voor heb. (…) [verdachte]: (…) ik ga straks eens een balletje opgooien bij de jongens en ik denk dat er wel wat is. Maar hier in Europa kan ik hem niet verkopen, laat ik het zo zeggen. [H]: Nee, nee, dat is goed.” In een gesprek op 25 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]): “[verdachte]: Ja, hy. Ik had hier en daar zo even gehengeld, maar zo als die lijger... Jij bent er wel mee in de slag? [H]: Ja. [verdachte]: Oké, want de klant heb ik in principe. [H]: Ja, ik heb gisteravond nog iets teruggezonden, dat het verkocht is, dus dat ik het gezegd heb, dussuh... Enne met de papiertjes en zo kom je er wel mee weg? [verdachte]: Met de papiertjes? [H]: Ja, offuh.. dus die kan gewoon geleverd worden of hoe kan dat gaan, met afgiftebewijs of wat moet er nog meer gewerkt worden? [verdachte]: Ja, nee, op het moment dat die te verkopen is, dan moet ik effe een kopietje hebben van iemand die eigenaar is. [H]: Ja, ja, dat gaat wel. [verdachte]: Dan kennen we hem aanvragen voor export. [H]: Ah, dat is goed. Maar jij kunt met de export weg ja? [verdachte]: Uuhh, ja met de export zal die in principe weg kunnen ja. [H]: Nee, dat is goed. (…)” In een gesprek op 30 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “ [medeverdachte 1]: (…) die jongens zeiden wel dat het een ton zal opbrengen, maar ik heb hem voor 40 rooitjes, aangeboden. [verdachte]: 40? [medeverdachte 1]: 40 duizend, euro, dat kunnen we gewoon met zijn tweeën delen. [verdachte]: Oke, 8 of 9,5 en dan komt er ook nog een beetje bij, en ik denk dat ik nog een rooitjes of 1500 uit moet delen om mensen tevreden te houden. [medeverdachte 1]: Ja dat ken toch of nie? [verdachte]: Ja, ja ik heb nog wel wat smerig. [medeverdachte 1]: Ja ik wil zeggen als je nou een rooitje de man er aan over zou houden, dan... maar euh, maar ik heb 200 duizend dirham heb ik gebruikt.” In een gesprek op 12 maart 2012, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “[medeverdachte 1]: Hij gaat toch wel komen die liger, want ik ga nu 62.000 euro aannemen. [verdachte]: Ja, aannemen, maar dat is natuurlijk een aanbetaling, he. Ik heb je ook al een paar foto's gestuurd, he. [medeverdachte 1]: Ja, je hebt me al een paar foto's gestuurd, ja. (…) [medeverdachte 1]: Het zit wel allemaal mooi verpakt, zeg. [verdachte]: Wat? [medeverdachte 1]: Dat geld. [verdachte]: Oh, vers van de pers. [medeverdachte 1]: Vers van de pers, ingesealed en wel. Het zit gewoon nog netjes in plastic verpakt, zo in bundeltjes. Het is vers.” In een gesprek op 12 maart 2012, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): [verdachte]: (…) Maar ehh beter nieuws hij staat ehh in de douanehal op ehh Schiphol en hij gaat over 2 uur naar de KLM aangeboden worden dus.. [medeverdachte 1]: Ja.. oke (…)” Tweede tigons/lijgers Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat waar in het procesdossier gesproken wordt over het transport van twee lijgers van 30 september 2012 tot en met 1 oktober 2012, dit in feite tigons betreft. De tigon, wetenschappelijke naam: panthera tigris, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae. Verdachte heeft verklaard dat hij op 19 april 2012 telefonisch twee lijgers van [H] kreeg aangeboden. Deze lijgers heeft [H] in Tsjechië opgehaald met een voertuig van verdachte. [H] heeft de lijgers in de nacht van 1 oktober 2012 bij verdachte afgeleverd. Een medewerker van verdachte, [L], heeft de twee lijgers vervolgens in de ochtend naar [G] van [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] gebracht. [H] heeft verklaard dat hij met de bus van [verdachte] twee lijgers heeft opgehaald in Tsjechië. Hij heeft deze lijgers naar het bedrijf van [verdachte] gebracht en ze daar samen met [verdachte] uitgeladen en in zijn schuur neergezet. [H] had € 16.000,- van [verdachte] gekregen om de lijgers te betalen. [L] heeft verklaard dat hij de lijgers in de ochtend van het bedrijf van [verdachte] naar [G] in [vestigingsplaats] heeft gebracht. Uit onderzoek naar de bakengegevens van het voertuig van verdachte is gebleken dat dit voertuig op 1 oktober 2012 omstreeks 01.25 uur is aangekomen op de [adres] in [woonplaats] en diezelfde dag om 08.50 uur weer verder is gereden naar [vestigingsplaats]. Volgens een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 2 oktober 2012 komen de luchtvrachtkosten en de kosten voor een export document voor ‘2 pcs liger’ voor rekening van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’ In de periode van 19 april 2012 tot en met 27 september 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]. In een gesprek op 19 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “[medeverdachte 1]:ik had [M] nog effe gesproken, ik had hem alvast ene beetje warm gemaakt. Ja eh, die twee dingen moeten gewoon te verkopen zijn, geen probleem. [verdachte]: hmm, hmm [medeverdachte 1]: ja eh, hij garandeert een ton. Voor de eerste een ton en als het een beetje meezit voor die tweede ook wel. [verdachte]: ja, maakt niet uit of het een man of een vrouw is? [medeverdachte 1]: nee. (…) ze moeten gewoon deze week een liger hebben. [verdachte]: hmm hmm [medeverdachte 1]: Dus ja die vent die wil er gewoon eentje hebben...,. of twee. [verdachte]: nou oke. Ja dan zullen we even kijken hoe die reageert. In principe is het zo: het lijkt goed.” In een gesprek op 10 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]): “[medeverdachte 1]: Ja, het Cites is klaar. [verdachte]: Hè? [medeverdachte 1]: het Cites is klaar. [verdachte]: Oh, van die Lijger? [medeverdachte 1]: Van die Lijgers, ja! [verdachte]: Oké, eh....., ken je mij die cites nog opsturen? [medeverdachte 1]: ja, hij gooit hem, vanavond gooit hij hem af. [verdachte]: Oh, oké. (…): Dan moeten we effe gaan kijken, want eh we leggen hevig in strijd, en die Tsjechen hebben ons weer rechtstreeks benaderd om hem te verkopen want eh...ze zitten allemaar bij elk maar met een schuld nog, ze zijn mekaar de mantel aan het uitvegen [medeverdachte 1]: Wat?, ze hebben bij mekaar nog allemaal schuld? [verdachte]: Ja, ze hebben bij mekaar allemaal schuld......... [medeverdachte 1]: ...en die Tsjech die wil hem gewoon rechtstreeks aan jou verkopen? [verdachte]: Die eh Tsjech die wil nu aan ons verkopen. [medeverdachte 1]: Ja, da's ook het beste... [verdachte]: ...maar goed....stuur hem vanavond maar effe op, dan gaan we wel effe kijken wanneer we wat kennen doen.. [medeverdachte 1]: Oké, is goed.” In een gesprek op 12 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]): “: Zal ik dan nog effe wat proberen te organiseren voor volgend weekend, zaterdag, zondag, dat we dan die tigons en die ... [verdachte]: Ja, ja, en dan zal ik die boeking maken dat we op maandag... maandag... dinsdagmorgen vroeg kennen versturen. [H]: Ja, en dan stuur ik die lui daar in Tsjechie gewoon domweg een mail: luister, zaterdag komen we ze halen en cashgeld erbij, afgelopen uit. Ik ga eerst proberen wat aan die prijs te peuteren. Hoe zuinig mag ik zijn? Want ja, zij staan ook onder druk, dat is klaar, he? [verdachte]: Ja, ja, kijk maar effetjes wat er aan te trekken valt. Als er wat aan te trekken valt, we moeten zelf ook komen om ze te halen. [H]: Ja, dat klopt. Ik denk dat [N] ginds 7000 moet betalen. Dat was me gevoel. [verdachte]: Maar kijk maar wat je aan die prijs kunt trekken, dat delen we wel op, dat maakt niet uit. E: Oké, ik doe mijn best.” In een gesprek op 27 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte [verdachte]) met [H] ([H]): “[H]: (…) hoe doen we dat geldelijke met die Lijger, wat moet ik daar van mijne kant nog organiseren? [verdachte]: Nou, goed ik geef je dat geld wel mee, om die dingen op te halen,dus... [H]: Ja?, want....hoe......, dus ik heb hier nu liggen, dan moet ik morgen naar de bank gaan, dus eh.... [verdachte]: Nee, ....maar ik heb dat wel, da's geen probleem (…)”. Bewijsoverwegingen tigons/lijgers Eerste tigon/lijger Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte een tigon/lijger aangeboden heeft gekregen door [H]. Daarna heeft hij deze lijger bij [H] in België opgehaald en hem bij [bedrijf 11] in Nederland afgeleverd om hem naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de tigon/lijger zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor het exportdocument zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft in verschillende tapgesprekken met [medeverdachte 1] gesproken over het verkopen van de tigon/lijger in Dubai en de bijbehorende opbrengst die ze met zijn tweeën zullen verdelen. [medeverdachte 1] heeft een aanbetaling voor de tigon/lijger aangenomen. Hij heeft vervolgens een geldbedrag aan verdachtevoor de tigon/lijger betaald. Dat geldbedrag bestond uit een verdeling van de winst tussen [medeverdachte 1] en verdachte voor de verkoop van de tigon/lijger. Daarnaast kreeg verdachte nog een provisie van het bedrag dat de tigon/lijger uiteindelijk in Dubai op zou brengen. Tweede tigons/lijgers Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte nog een keer twee tigons/lijgers aangeboden heeft gekregen door [H]. Daarna heeft verdachte deze tigons/lijgers door [H] in Tsjechië laten ophalen. [H] heeft de tigons/lijgers bij verdachte afgeleverd, waarna ze de volgende dag door een medewerker van verdachte naar [bedrijf 11] zijn gebracht om ze naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de tigons/lijgers zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft in verschillende tapgesprekken met [H] en [medeverdachte 1] gesproken over het kopen van de tigons/lijgers in Tsjechië door verdachte. Met [medeverdachte 1] heeft verdachte telefonisch gesproken over het verkopen van de tigons/lijgers in Dubai en de bijbehorende opbrengst. Overtreding 13 Ffw Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie lijgers/tigons zowel heeft vervoerd als heeft gekocht, verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin, binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling, winstverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en/of [H]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Lijgers/tigons zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte slechts tussenpersoon en transporteur van de tigons/lijgers is geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling. Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening. In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw. Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de lijgers/tigons door/namens verdachte, maar ook van de andere, samen en in vereniging verrichtte, verboden handelingen uit artikel 13 FFW, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling. Omdat lijgers/tigons katachtigen zijn, kunnen ze bovendien niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie lijgers/tigons opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 FFW. Bewijs aalscholvers De aalscholver, wetenschappelijke naam: phalacrocorax carbo, staat in Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw. Verdachte heeft verklaard dat [O] hem naar aalscholvers heeft gevraagd. Verdachte kreeg vervolgens van zijn medewerker [C] vier aalscholvers aangeboden. Hij heeft [C] € 35,- per aalscholver betaald en in zijn auto meegenomen. Hij heeft de aalscholvers aan [O] doorverkocht voor € 70,- per stuk en uiteindelijk € 140,- aan de verkoop van de vier aalscholvers overgehouden. [C] heeft verklaard dat [verdachte] hem vroeg of hij aan aalscholvers kon komen, omdat [verdachte] daar vraag naar had. [C] heeft daarop vier aalscholvers ontvangen die net in de veren zaten en daarom wel uit het nest gehaald moeten zijn. [C] heeft [verdachte] gebeld en gezegd dat [verdachte] vier jonge aalscholvers bij hem op kon halen. [C] heeft de aalscholvers zelf ringen omgeschoven. Dit mocht volgens [C] niet omdat het om wildvang aalscholvers ging. [verdachte] heeft de aalscholvers bij [C] opgehaald en hem er in totaal € 140,- voor betaald. In de periode van 1 mei 2012 tot en met 12 mei 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [C], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [P], die zichzelf [O] noemt, zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. In een gesprek op 1 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], vraagt [P] aan verdachte uit te kijken naar jonge aalscholvers. In een gesprek op 4 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], zegt [P] dat hij nog steeds om de aalscholvers verzoekt. In een gesprek op 8 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], vraagt [P] aan verdachte of hij al iets weet over de aalscholvers, omdat het anders te laat wordt. In een gesprek op 12 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], geeft [C] aan verdachte door dat er net vier jonge aalscholvers zijn gebracht. Ze zijn jong en zitten in de veren. Verdachte vraagt of ze al om eten roepen en [C] zegt dat dat nog niet zo is. Verdachte zegt dat hij in de buurt is en komt kijken. Bewijsoverwegingen aalscholvers Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte zijn medewerker [C] heeft verzocht naar aalscholvers uit te kijken, nadat was gebleken dat verdachte daar klanten voor had. [C] heeft vervolgens vier aalscholvers aan verdachte aangeboden. Verdachte heeft deze aalscholvers bij [C] opgehaald en meegenomen in zijn auto, [C] ervoor betaald en ze doorverkocht aan [P]. Verdachte heeft geld aan deze verkoop overgehouden. Overtreding 13 Ffw Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de vier aalscholvers heeft vervoerd, ze heeft gekocht, verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [C]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Aalscholvers zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte geen reden had aan de legale herkomst van de aalscholvers te twijfelen, omdat ze een vaste voetring van het juiste formaat hadden. Verdachte kan daarom een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (verder: Besluit vrijstelling). Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging. In artikel 5 van het Besluit vrijstelling staat dat de verboden van artikel 13 lid 1 Ffw niet gelden ten aanzien van gefokte vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, en is voldaan aan de overige in dat artikel genoemde vereisten. Uit voormelde bewijsmiddelen volgt dat de aalscholvers geen gefokte vogels waren en [C] ze ringen heeft omgeschoven. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte wel degelijk redenen had te twijfelen aan de gefokte herkomst van de aalscholvers. De rechtbank acht daarvoor met name redengevend dat het jonge vogels waren, die nog in de veren zaten en nog niet om eten riepen. Omdat verdachte, als houder van de aalscholvers, niet kan aantonen dat de aalscholvers zijn gefokt kan hij geen beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 5 van het Besluit vrijstelling. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de vier aalscholvers opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Bewijs rode eekhoorns De rode eekhoorn, wetenschappelijke naam: sciuris vulgaris, staat in Bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw. Op 12 november 2012 zijn bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] drie rode eekhoorns aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de drie rode eekhoorns in november 2012 enige dagen in zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] onder zich heeft gehad. Verdachte wist dat hij deze rode eekhoorns niet onder zich mocht hebben. Bewijsoverwegingen rode eekhoorns De verdediging bepleit dat de eekhoorns in zo’n slechte conditie waren, dat verdachte ze niet verder kon verhandelen en doet daarbij een beroep op overmacht. Overtreding 13 Ffw Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de drie rode eekhoorns omstreeks 12 november 2012 onder zich heeft gehouden. Rode eekhoorns zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handeling. Dat de eekhoorns al dan niet te ziek waren om verder te verhandelen, doet daar niet aan af. Verdachte heeft nooit over de rode eekhoorns mogen beschikken. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de rode eekhoorns. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie rode eekhoorns opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Bewijs dubbele geelkopamazone en tucuman amazone De dubbele geelkopamazone, wetenschappelijke naam: amazona oratrix, en de tucuman amazone, wetenschappelijke naam: amazona tucumana, zijn in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen. Op 12 november 2012 zijn bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] een amazona oratrix en een amazone tucumana aangetroffen. De amazona oratrix was wel voorzien van een open pootring, maar niet van een chip. De amazona tucumana was niet voorzien van een naadloos gesloten pootring en niet van een chip. Verdachte heeft verklaard dat hij de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone in november 2012 een of twee weken in zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] onder zich heeft gehad. Bewijsoverwegingen dubbele geelkopamazone en tucuman amazone Overtreding 13 Ffw Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone omstreeks 12 november 2012 onder zich heeft gehouden. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze amazones. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. De dubbele geelkopamazone en de tucuman amzone zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handeling. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat de dubbele geelkopamazone wel een microchip met nummer heeft, maar dat deze wellicht te oud is of kapot is gegaan. Omdat dit verdachte nog niet was opgevallen, moet hij worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de tucuman amazone bepleit de verdediging dat verdachte nooit dergelijke vogels zonder CITES-documenten koopt. Mogelijk zijn deze documenten kwijtgeraakt bij de doorzoeking. Omdat dit van de zijde van verdachte niet is te controleren, verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen met betrekking tot de ten laste gelegde amazones het volgende. Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage A soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod die soorten onder zich te hebben. Aangezien verdachte niet heeft aangetoond dat de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, die over een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder beschikken, kan hij geen succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Het komt voor rekening en risico van verdachte indien een Bijlage A vogel die hij onder zich heeft beschikt over een oude of kapotte microchip. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de dubbele geelkopamazone en de tucuman amzone opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Bewijs groene specht De groene specht, wetenschappelijke naam: picus viridis, staat in Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw. Op 12 november 2012 is bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] een groene specht aangetroffen. Naturalis heeft de specht onderzocht en vastgesteld dat het een groene specht, picus viridis, betrof. Bewijsoverwegingen groene specht De verdediging bepleit dat er geen groene specht bij verdachte is aangetroffen, maar een Japanse specht. De Japanse specht is niet beschermd, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de verdediging. Overtreding 13 Ffw Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte op 12 november 2012 een groene specht en geen Japanse specht onder zich heeft gehouden. De rechtbank acht daarvoor met name de onderzoeksresultaten van Naturalis redengevend. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de groene specht. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Een groene specht is een beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichte handeling. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de groene specht opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filippijnen-zending Algemene bewijsmiddelen Filippijnen-zending CITES-uitvoervergunning Op 16 september 2010 is een CITES-uitvoervergunning met nummer 14387 afgegeven voor het uitvoeren van vogels. Volgens deze CITES-uitvoervergunning is de exporteur [exporteur], Filippijnen. De importeur is [dierentuin 1] in [vestigingsplaats], Bulgarije. Op de CITES-uitvoervergunning staan de volgende vogels vermeld: - 2 philippine falconet (microhierax erytrogenys) met ringnummers 7712 en 6810; - 4 stuks palawan goshawk (accipiter trivirgatus palawanus) met de ringnummers HJ1821, HJ1860, HJ1871, HJ1830; - 2 stuks pied harrier (circus melanoleucus), met ringnummers 306 en 301; - 2 stuks luzon rufous hornbill (buceros hydrocorax) met de ringnummers: 0047 en 0086; - 10 stuks luzon tarictic hornbill (penelopides manillea) met de ringnummers: ABC 0246, ABC 0833, ABC 0815, HJ 1905, HJ 1956, HJ 1914, HJ 1949, HJ 1974, HJ 1982 en HJ
- Op de CITES-uitvoervergunning staat in vak 6 onder ‘special conditions’: ‘*For Breeding Purposes Only* (alleen voor kweek doeleinden).’ CITES-invoervergunningen Op 17 september 2010 zijn CITES-invoervergunningen afgegeven met de nummers 10BG0105I, 10BG0106I en 10BG0107I. De soorten, aantallen en ringnummers van de vogels die zijn genoemd op deze drie invoervergunningen komen precies overeen met de soorten, aantallen en ringnummers van de vogels die op de uitvoervergunning 14387 staan. Op de invoervergunningen wordt ook verwezen naar het nummer van de uitvoervergunning, te weten
- Alle CITES-invoervergunningen hebben als doelcode ‘Z’. CITES-invoervergunningen met code ‘Z’ geven aan dat de dieren bestemd zijn voor een dierentuin en dat deze bestemming niet kan veranderen. Verdachte heeft geen dierentuin. Verdachte heeft met betrekking tot de ten laste gelegde vogels uit de Filippijnenzending telkens verklaard dat hij niet kan weten waar deze vogels vandaan komen. Hij hoeft dit ook niet te weten, zo lang de papieren bij de aankoop maar in orde zijn. Als de dieren eenmaal in EU-gebied zijn, worden er per aankoop telkens nieuwe papieren opgemaakt. TRACES-documenten In het TRAde Control and Expert Systemis (verder: TRACES) is een certificaat, gedateerd 11 oktober 2010, aangetroffen met het nummer CVEDA.NL.2010.
- Op dit certificaat staat als verzender [exporteur] Filippinen en als geadresseerde [dierentuin 1], [vestigingsplaats] Bulgarije. Bij de buitengrensinspectiepost staat een A (Amsterdam) ingevuld. Verder staat erop vermeld dat het vervoermiddel na de grensinspectiepost een voertuig is met het kenteken [kenteken], de vervoerder het KLM dierenhotel en dat de lidstaten van doorvoer DE, AT HU en RO zijn. Het gaat om 67 dieren. Uit het bijbehorende gezondheidscertificaat (gevorderd bij de douane op Schiphol), gedateerd 11 oktober 2010, staan tien Luzon Tarictic Hornbill (neushoornvogels met de ringnummers ABC 0246, ABC 0833, ABC 0815, HJ 1905, HJ1956, HJ 1914, HJ 1949, HJ 1974, HJ 1982 en HJ1983), zes Filipijnse dwergvalken (met onder andere de ringnummers 6810 en 7712), twee Buceros hydrocorax (rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086), 4 bonte kiekendieven, twee circus melanoleucos (bonte kiekendieven, met ringnummers 301 en 306) en vier Accipiter trivigatus (kuifhaviken, met ringnummers HJ1921, HJ1860m HJ1871 en HJ1830) vermeld. Specifiek bewijs Filipijnse dwergvalken De Filipijnse dwergvalk, wetenschappelijke naam: microhierax erythrogenys, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening. Op 12 november 2012 zijn op het adres van verdachte, de [adres] te [woonplaats], twee Filipijnse dwergvalken aangetroffen. De Filipijnse dwergvalken waren voorzien van pootringen met de nummers 7712 en
- Verdachte heeft verklaard dat hij deze twee Filipijnse dwergvalken begin 2011 heeft gekocht. Ze kwamen uit Tsjechië. Hij heeft ze tot 12 november 2012 onder zich gehad in zijn pand aan de [adres] in [woonplaats]. Op 12 november 2012 stonden ze in de zolderkamer van dat pand. De Filipijnse dwergvalken met de nummers 7712 en 6810 zijn niet in de administratie van verdachte aangetroffen. Tijdens de doorzoeking bij [dierentuin 1] in Bulgarije is een TRACES-certificaat aangetroffen, waaruit blijkt dat op 20 oktober 2010 door [bedrijf 5] s.r.o in Tsjechië vijf Filipijnse dwergvalken zijn vervoerd naar Tsjechië via Roemenië, Hongarije en Slowakije. Bewijsoverweging Filipijnse dwergvalken Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte begin 2011 twee Filipijnse dwergvalken, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ze heeft gekocht, verworven en onder zich gehad. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de Filipijnse dwergvalken. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Filipijnse dwergvalken zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte de Filipijnse dwergvalken mocht kopen en onder zich houden, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw. In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben. Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben. Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de Filipijnse dwergvalken in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen. Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat de Filipijnse dwergvalken met de ringnummers 7712 en 6810 alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Hiermee staat vast verdachte niet aan de Basisverordening voldoet. Dat verdachte niet zou weten dat de vogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling. Verder is niet gebleken dat de onder verdachte aangetroffen Filipijnse dwergvalken in zijn administratie waren opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de genoemde vrijstellingsbepalingen. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee Filipijnse dwergvalken opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Specifiek bewijs panay/luzon neushoornvogels De panay neushoornvogel, wetenschappelijke naam: penelopides panini, en de luzon neushoornvogel, wetenschappelijke naam: penelopides manillae, zijn opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening. Verdachte heeft verklaard dat hij vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft gekocht, onder zich heeft gehouden en heeft doorverkocht. Deze neushoornvogels komen volgens verdachte oorspronkelijk uit de Filipijnen-zending. De luzon neushoornvogels, penelopides manillae, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen. Verkoop aan [Q] Verdachte heeft verklaard dat hij vier van de vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft doorverkocht aan [Q]. Onder [Q] zijn twee overdrachtsverklaringen aangetroffen, die zijn gedateerd 15 januari
- ‘Donator: [verdachte], [adres] [woonplaats]’ en ‘Recipient: [bedrijf 3], [adres] [woonplaats]-NL’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van ‘tarantic neushoornvogels, penelopides panini met de ringnummers HJ1914, HJ 19Z9, ABO0246 en HJ1971’. Onder verdachte is een factuur van € 14.280,- aangetroffen, die afkomstig is van ‘[bedrijf 2] B.V. te [woonplaats]’ en is gericht aan ‘[bedrijf 3] B.V. te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 27 januari 2011 en betreft onder meer de levering van ‘2-2 penelopides manillae CB. Dezelfde factuur is ook onder [Q] aangetroffen. Uit onderzoek naar de bankrekening op naam van ‘[bedrijf 1]’, eenmanszaak van verdachte, is gebleken dat op 11 februari 2011 een bedrag van € 14.280,- is overgemaakt door ‘[bedrijf 3] B.V.’ Verkoop aan [R] Verdachte heeft verklaard dat hij één van de vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft doorverkocht aan [R]. Onder [R] zijn twee ‘luzon tarictic hornbills, penelopides manillae’ aangetroffen. Eén van deze vogels was voorzien van een open ring met nummer HJ
- De andere vogel was voorzien van een gesloten ring met nummer ZA
- De ring met nummer ZA39 was erg ruim vergeleken met de poot van de vogel. [R] heeft verklaard dat hij twee luzon neushoornvogels, met ringnummers HJ 1983 en ZA39, van [verdachte] heeft gekocht op 30 november
- Hij heeft [verdachte] daarvoor contant betaald en een verkoopformulier ontvangen. Onder [R] is een verkoopformulier aangetroffen. Gelet op het verkoopformulier heeft ‘[bedrijf 2] te [woonplaats]’ ‘2 luzon hoornvogel / penelopides manillae’ verkocht op 30 november 2011 aan [S]. [S] is de vader van [R] en zij doen samen met de vogels. Verkoop aan [T] In de periode van 17 november 2011 tot en met 26 november 2011 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door: - verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]; - [T], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]. In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]): “(…) [T]:[verdachte] ten eerste uhhh had jij nog wat Hoornvogeltjes anbieding? [verdachte] : uhh..wat dingen [T]:Je heb een paar dingen he? [verdachte]:ja ik heb nog die die Manillae (fon) die Tarantics [T]:welke? [verdachte]:die Tarantics die Filippijnse die kleintjes (…) [T]:en wat uhh hoe zien ze er uit mooi? [verdachte]:ja ze zien er mooi uit ik heb nog 2 paren mooi [T]:en wat kosten die? [verdachte]:Tja wat kosten die nou? ik moet er eigenlijk nog een 6 paar beuren [T]:wat moet je beuren? [verdachte]:6 [T]:Zo! (…) [T]:En die Tarantics had je twee paartjes van.. ik zal wel even kijken hoor.. [verdachte]:Twee paren Tarantics.. ja maar dat is toch wel apart hoor.. [T]:En zien d'r mooi uit in de veren? [verdachte]:Puntgaaf. [T]:Oke, oke. bedankt. (…)” In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]): “[verdachte]: Ja [T]: Ja, [verdachte] die hoornvogels, jij had het over Tarantic maar is het Tarictic [verdachte]: Ja Tarictic ja [T]: Ja Tarictic maar welk is het want er zijn er verschillende van [verdachte]: de Penipelopes Mannilae (…) [T]: moment jij zegt het is niet Tarictic maar dan is het [verdachte]: Penipelopes [T]: Penipelopes [verdachte]: Mannilae [T]: wacht effe Penipelopes (…) [T]: de Penilopides Mannilae [verdachte]: Ja [T]: Ja oke, oke dan heb ik um, dan heb ik um, nee oke dan weet ik het [verdachte]: moet ik um morgen opsturen [T]: he [verdachte]: moet ik ze morgen opsturen [T]: nee ik zal effe kijken wat ik met die man kan doen maar maar die prijs ken je der niet wat aan doen [verdachte]: ah hou toch op kerel je weet dat die prijs goed is (…) [T]: maar als ik allebei paartjes zou nemen ken het ook voor 10 natuurlijk [verdachte]: hou is op kerel je leeft in een andere wereld (…) [T]: welnee man maar als ik wat verkopen wil ken ik niks vangen omdat ik wat kopen wil laten ze me iedere keer goud betalen, ik zak allemaal in het moeras [verdachte]: jaja [T]: nee ik zal wel effe kijken wat ik er mee kan doen P: kijk maar die prijs goed [T]: oke ik zal effe kijken wat ik ermee kan versieren, bedankt alvast [verdachte]: hoi” In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]): “(…)J: Ik heb pene.. Penelopides Manilae Luzon Taritik Hornbill (fon). [verdachte]: Juist en dat is m. (…) [verdachte]: Maar het is..het is..het is...ik weet niet eens wat voor klant je ervoor hebt maar je je ken er best mee voor de dag kommen hoor. Je je hoeft je niet te schamen daarvoor. [T]: Nee, maar dat dat dat moet ook. W: Nee maar het is knappe handel echt is uh.. [T]: Ja. [verdachte]: Het is niet zo dat ze zeggen oooh...is dat het. [T]: Nee maar weet je wat het punt is. Als ik het als ik het veel veel te zwaar aanbied dan is het weer een doodgeboren kindje snap ie? [verdachte]: Je hoef um niet zwaar aan te bieden maar probeer maar... [T]: Ja maar wat zou jij wat zou jij ervoor vragen dan uh particulier? [verdachte]: Ja weet ik veel..ik weet niet wat je ben(fon) [T]: Hetzelfde? [verdachte]: Als je...Ik vraag particulier iets minder dan van jou nee maar([verdachte] lacht) Ja weet ik veel al vraag je er zeven voor uh.. als je zegt ik ken twee paren drukken voor veertien heb je ook twee rooitjes. [T]: Ja. [verdachte]: Toch? [T]: Ja weet je ja.. [verdachte]: Weet je ik kan ze wel zorgen dat ze dat ze bij jou kommen inclusief de vracht dat daar hoef je niet bang voor te wezen. [T]: Ah ok ok dat vind ik dan weer lief van je. (…) [verdachte]: Ik ben harstikke lief. (…)” In een gesprek op 26 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]): “[verdachte]: Ja? [T]: Ja. Hey [verdachte] ken ik ze alle vier bij mekaar gooien. [verdachte]: Uh die twee vrouwen zaten bij elkaar en die twee mannen zaten apart maar dan moet je effe kijken of dat g..hoe dat gaat als je die bij elkaar zet. [T]: Je had je had ze apart zitten dan ken ik ze misschien beter paar, paar aan paar gaan gooien nu. [verdachte]: Ja. [T]: Zijn het jonge dingen? [verdachte]: He? [T]: Zijn het jonkies? [verdachte]: Wat heet jong uh. Ik denk toch wel een jaar of 3 zomaar. [T]: Ja ok ok dus dus het zou bijterig kunnen wezen al. [verdachte]: Ja ja je moet wel altijd oppassen natuurlijk dat ze mekaar goed verstaan. [T]: Wat uh wat zou jij doen bij mekaar gooien per paar? [verdachte]: Als je Als je zegt ik zal ik heb effe de tijd erbij om te kijken hoe ze (nvs) reageert maar ik zou ze niet bij elkaar flikkeren en weggaan. [T]: Nee nee nee ok ok. Maar ze zaten 2 mannen bij elkaar en 2 poppen bij mekaar. [verdachte]: Nee nee nee die 2 mannen zaten apart. [T]: 2 mannen zaten apart en 2 vrouwen zaten apart. [verdachte]: Die twee poppen zaten bij mekaar. [T]: Ok ok dan weet ik wat uh.. [verdachte]: Zijn ze levend aangekommen? [T]: Na ja [U] is naar mij onderweg maar hij belde net op en zei vraag eens aan [verdachte] of we ze bij mekaar kennen gooien of niet. [verdachte]: O ja ik had uh ik had die 2 mannen apart allebei en die 2 poppen had ik apart dus ik had 3 hokkies. [T]: Ok Ok komt goed. [verdachte]: Ok. (…)” Bewijsoverwegingen panay/luzon neushoornvogels Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vijf (vier plus één) panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, aan [Q] (vier) en [R] (één) heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vijf luzon neushoornvogels heeft verkocht, vier aan [T] en één aan [R]. Verdachte heeft deze vijf luzon neushoornvogels ook ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, ten verkoop aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad. Van deze vijf neushoornvogels kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat ze afkomstig zijn uit de Filipijnenzending van 17 september 2010, en dus niet dat ze door verdachte binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. De rechtbank ziet met betrekking tot alle neushoornvogels onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Panay neushoornvogels en luzon neushoornvogels zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte de luzon neushoornvogels mocht kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw. In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben. Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat voor vrijstelling van het bezitsverbod aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben. Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de neushoornvogels in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen. Dit volgt voor de aan de Filipijnenzending gekoppelde panay/luzon neushoornvogels reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat die neushoornvogels alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze neushoornvogels dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de vogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Hiermee voldoet verdachte niet aan de vereisten zoals die in de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling zijn gesteld. Daarnaast waren de onder [Q] en [R] aangetroffen neushoornvogels niet voorzien van naadloos gesloten pootringen. Verdachte had geen van de tien bewezenverklaarde neushoornvogels in zijn inkoopadministratie opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de genoemde vrijstellingsbepalingen. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Specifiek bewijs rosse neushoornvogels De rosse neushoornvogel, wetenschappelijke naam: buceros hydrocorax, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening. Op 12 november 2012 zijn onder [Q] twee rosse neushoornvogels aangetroffen. Deze rosse neushoornvogels waren voorzien van open pootringen met de nummers 0047 en
- Verdachte heeft verklaard dat hij de rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086 uit Tsjechië heeft gekocht. Hij heeft ze daarna overgedragen aan [Q]. Onder [Q] is een overdrachtsverklaring aangetroffen die is gedateerd 15 januari
- ‘Donator: [verdachte], [adres] [woonplaats]’ en ‘Recipient: [bedrijf 3], [adres] [woonplaats]-NL’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van twee ‘roodbruine neushoornvogels, buceros hydrocorax, met de ringnummers 0047 en 0086’. Onder verdachte is een factuur van € 14.280,- aangetroffen, die afkomstig is van ‘[bedrijf 2] B.V. te [woonplaats]’ en is gericht aan ‘[bedrijf 3] B.V. te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 27 januari 2011 en betreft onder meer de levering van ‘2-0 Buceros hydrocorax CB’. Dezelfde factuur is ook onder [Q] aangetroffen. Uit onderzoek naar de bankrekening op naam van ‘[bedrijf 1]’, eenmanszaak van verdachte, is gebleken dat op 11 februari 2011 een bedrag van € 14.280,- is overgemaakt door ‘[bedrijf 3] B.V.’ De rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen. Bewijsoverweging rosse neushoornvogels Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee rosse neushoornvogels, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, verkocht, ten verkoop aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de rosse neushoornvogels. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Rosse neushoornvogels zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen. Vrijstelling? De verdediging bepleit dat verdachte de rosse neushoornvogels mocht kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende. In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw. In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben. Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat voor een vrijstelling van het bezitsverbod aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben. Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de rosse neushoornvogels in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) zijn verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen. Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat de rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086 alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze rosse neushoornvogels dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de rosse neushoornvogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling. Daarnaast waren de rosse neushoornvogels niet voorzien van naadloos gesloten pootringen en had verdachte geen van de neushoornvogels in zijn administratie opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepalingen. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee rosse neushoornvogels opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw. Specifiek bewijs bonte kiekendieven De bonte kiekendief, wetenschappelijke naam: circus melanoleucos, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening. Verdachte heeft verklaard dat hij één bonte kiekendief met ringnummer 306 heeft gekocht uit Tsjechië. Deze bonte kiekendief heeft hij onder zich gehad. Op 12 november 2012 is onder verdachte een ring voorzien van het nummer 306 aangetroffen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij twee bonte kiekendieven met ringnummers AS 10 020 en AS 10 021 heeft geruild met [V] van [bedrijf 10] in [vestigingsplaats] tegen twee witte kerkuilen. [V] heeft verklaard dat hij een koppel witte kerkuilen heeft geruild tegen twee bonte kiekendieven met [verdachte]. Hij heeft de bonte kiekendieven na een aantal maanden overgedragen aan [W]. In de administratie van [V] zijn op 3 mei 2012 twee kiekendieven afkomstig van ‘[verdachte] NL’ ingeboekt. Op 21 februari 2013 zijn onder [W] twee bonte kiekendieven aangetroffen. Deze bonte kiekendieven waren voorzien van open pootringen met de nummers AS 10 020 en AS 10
- Onder [W] is een overdrachtsverklaring aangetroffen, die is gedateerd 5 september
- ‘Oude eigenaar: [bedrijf 10] te [vestigingsplaats]’ en ‘Nieuwe eigenaar: [W]’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van ‘2x bruine kiekendief, circus melanoleucos, met de ringnummers AS 10 020 en AS 10 021.’ De bonte kiekendieven, circus melanoleucos, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen. Bewijsoverweging bonte kiekendieven Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bonte kiekendief, met ringnummer 306, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU is gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven en onder zich gehad. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee bonte kiekendieven, met ringnummers AS 10 020 en AS 10 021, onder zich heeft gehad en ten ruil heeft aangeboden en heeft geruild met [V] tegen een koppel witte kerkuilen. Van deze twe