RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661893-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 juni 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1975] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2015. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn advocaat, mr. M.L. Plas, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: in de periode van 20 mei 2014 tot en met 29 september 2014 [slachtoffer] heeft gestalkt; Feit 2: in de periode van 10 juni 2014 tot en met 29 september 2014 [slachtoffer] meerdere keren heeft bedreigd; Feit 3: op 12 juni 2014 een fiets van [slachtoffer] heeft gestolen. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft allereerst betoogd dat de ten laste gelegde periode van feit 1 moet worden beperkt. Het aantal berichten dat naar [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is verstuurd neemt toe in mei 2014 en duurt tot ongeveer 22 juni 2014. Slechts in een periode van 3 tot 4 weken is sprake van een zekere stelselmatigheid. Niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte veelvuldig langs de woning van [slachtoffer] is gereden. Alleen door [slachtoffer] wordt daarover verklaard. Uit het dossier blijkt niet meer dan dat verdachte in die periode twee of drie keer bij de woning van [slachtoffer] is geweest. Dat kan niet stelselmatig worden genoemd. Ook dient rekening te worden gehouden met de rol van [slachtoffer] , die verdachte in de nacht van 8 op 9 juni 2014 zelf heeft uitgenodigd bij haar woning. De teksten die onder de eerste drie aandachtstreepjes van feit 2 staan vermeld, kunnen niet als een strafbare bedreiging worden gekwalificeerd. Bovendien moet rekening worden gehouden met de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan. Het derde feit kan wellicht als diefstal worden gekwalificeerd, maar voegt niets toe aan het strafdossier dat tegen verdachte ligt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Het bewijs De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen. Op 16 juni 2014 is door [slachtoffer] , wonende te [woonplaats 2] , aangifte gedaan van belaging. Zij verklaart dat zij een relatie heeft gehad met [verdachte] (hierna: verdachte). Sinds 28 april 2014 wordt [slachtoffer] lastig gevallen door verdachte. Verdachte stuurt haar elke dag wel een aantal e-mails. Ook op Facebook worden door verdachte berichten geplaatst. Hij maakt gebruik van de accounts “ [account A] ” en “ [account B] ”. Tot het moment dat [slachtoffer] verdachte blokkeerde, kreeg zij via het account “ [account B] ” zo’n 40 berichten per dag van verdachte. [slachtoffer] heeft verschillende e-mails, die zij van verdachte zou hebben ontvangen, doorgestuurd naar de politie. Door de politie is hiervan het volgende overzicht gemaakt: Woensdag 11 juni 2014: 5 e-mails Donderdag 12 juni 2014: 1 e-mails Vrijdag 13 juni 2014: 4 e-mails Maandag 16 juni 2014: 6 e-mails Dinsdag 17 juni 2014: 2 e-mails Vrijdag 20 juni 2014: 1 e-mails Zaterdag 21 juni 2014: 26 e-mails Zondag 22 juni 2014: 3 e-mails Maandag 23 juni 2014: 2 e-mails De e-mails zijn verzonden via het e-mailadres [e-mailadres slachtoffer] . [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte de inloggegevens van dit account heeft aangepast, zodat [slachtoffer] daar geen toegang meer toe heeft. Op het Facebookaccount “ [account A] ” zijn op 10 juni 2014 door verdachte 25 berichten gestuurd. Deze berichten bevatten onder meer de volgende teksten: - “ Ga je me echt nog meer pijn geven door me weer te negeren??? Als dat zo is staat jouw hart bovenaan mn lijstje…” - “ Blijkbaar heb je geen hart en geweten…dus neem ik jou ook alles af!!!alles!!!” - “ Nu ga je t beleven…geen dag rust meer.” - “ Ik maak je hele trieste leugenachtuge leven kapot!” Ook op het Facebookaccount “ [account B] ” zijn door verdachte berichten verstuurd. Op maandag 9 juni 2014 betreft dit 41 berichten en op dinsdag 10 juni 2014 3 berichten. Verdachte heeft verklaard dat hij het wachtwoord heeft van het Facebookaccount “ [account A] ”. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] dat wachtwoord niet. Verder heeft verdachte verklaard dat hij e-mails heeft verstuurd naar [slachtoffer] , met gebruikmaking van het e‑mailaccount van [slachtoffer] . Bewijsoverweging Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan in de periode van 9 juni 2014 tot en met 23 juni 2014. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten voor zover die buiten deze periode zijn ten laste gelegd. De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig langs de woning van [slachtoffer] is gereden en aldus wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] . De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. Feit 2 Het bewijs De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 juni 2014 [slachtoffer] heeft bedreigd. Omdat verdachte dit deel van het ten laste gelegde heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen: het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 23 juni 2014; het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 17 juli 2014; de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2015. Partiële vrijspraak De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de teksten die ten laste gelegd zijn onder de eerste drie aandachtstreepjes van feit 2. Verdachte heeft in deze berichten onder meer geschreven dat hij het leven van [slachtoffer] kapot wil maken en haar alles af wil nemen. Na het bericht van 29 september 2014 voegt verdachte daaraan toe: “Dan heb je morgen 2 aangiftes aan je broek”. Gelet op de inhoud van de berichten en de context waarin deze zijn geplaatst, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Verder heeft verdachte in het tweede bericht van 10 juni 2014 en in het bericht van 29 september 2014 het woord “sterf” gebruikt. De rechtbank leest hierin dat verdachte [slachtoffer] dood wenst. Een dergelijke wens kan echter niet als een strafbare bedreiging worden gekwalificeerd, nu daarmee niet wordt gezegd dat verdachte daar een aandeel in zal hebben. Feit 3 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft begaan en zal hem daarvan gedeeltelijk vrijspreken. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen: het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 13 juli 2014; het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 21 juli 2014; de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2015. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. in de periode van 9 juni 2014 tot en met 23 juni 2014 te [woonplaats 2] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, - in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid e-mailberichten verstuurd en - in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid Facebookberichten verstuurd; 2. op 21 juni 2014 in het arrondissement Midden-Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Kankerlijers, ik maak jullie allemaal dood. Ik maak jullie helemaal af. Al is het het laatste wat ik doe"; 3. omstreeks 12 juli 2014 in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (Batavus), toebehorende aan [slachtoffer] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als feit 1: belaging; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; feit 3: diefstal. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, (indien nodig) een ambulante behandeling voor drugs- en alcoholgebruik en een contact- en locatieverbod als omschreven in de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen voor de duur van 140 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich wat betreft de geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd. Uit het summiere reclasseringsrapport blijkt niet wat de meerwaarde is van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling. Ook een contactverbod is niet zinvol, omdat [slachtoffer] contact blijft zoeken met verdachte. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin, waarbij hij haar tevens heeft bedreigd en haar fiets heeft gestolen. Verdachte heeft door deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster voelde zich, doordat verdachte op een dwingende wijze contact met haar bleef zoeken, angstig en onveilig. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Ten nadele van de verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte het onjuiste van zijn handelen nog steeds niet lijkt in te zien. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies over verdachte van 18 maart 2015. De reclassering adviseert aan verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een leefstijltraining en een ambulante behandeling bij De Waag (of een soortgelijke instelling) op te leggen. De rechtbank overweegt dat in het reclasseringsrapport onvoldoende wordt onderbouwd welke behandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.