RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/705475-14 en 16/062166-13 (tul) (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 juli 2015. in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1988] , ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014, 17 februari 2015 en 2 juli 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: op 24 juli 2014 heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven te beroven; subsidiair: op 24 juli 2014 aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij - kort gezegd - op de camerabeelden waar verdachte op herkend wordt door drie verbalisanten, de verklaring van het slachtoffer zoals hij die heeft afgelegd in het UMC, waar het slachtoffer verdachte aanwijst als de schutter, en het tapgesprek van [A] , waarin [A] zegt dat hij van verdachte heeft gehoord dat hij heeft geschoten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij - kort gezegd - op het feit dat de verbalisanten die verdachte zeggen te hebben herkend op de camerabeelden voorkennis hadden, terwijl de camerabeelden van zodanig slechte kwaliteit zijn dat het NFI stelt dat een gezicht vergelijkend onderzoek niet mogelijk is. De verdediging betwist daarom de juistheid en betrouwbaarheid van de herkenningen. Daarnaast duiden de camerabeelden erop dat de als man 1 aangeduide persoon niet heeft geschoten en juist een ander de schutter moet zijn geweest. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is, omdat aangever wisselend heeft verklaard. Tot slot is aangevoerd dat het tapgesprek van [A] geen wettig bewijs oplevert, omdat [A] zijn informatie niet van verdachte heeft gehoord, maar van horen zeggen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Daartoe wordt het volgende overwogen. Er zijn sterke aanwijzingen om aan te nemen dat verdachte op 24 juli 2014 op het slachtoffer heeft geschoten. Dit berust met name op de verklaring die het slachtoffer in het UMC heeft afgelegd, waarbij hij verdachte als schutter aanwijst, en op het tapgesprek van [A] die zegt dat hij van verdachte heeft vernomen dat hij heeft geschoten. Ook de details die [A] in dit tapgesprek noemt, zoals het geven van een kopstoot door verdachte en het feit dat het slachtoffer daarna richting zijn auto is gelopen, komen overeen met de verklaring van het slachtoffer in het UMC. Er zijn echter ook contra-indicaties op basis waarvan twijfel bestaat of verdachte heeft geschoten op [slachtoffer] . Zo verklaart het slachtoffer in eerste instantie dat hij niet weet wie de schutter was. Daarna heeft het slachtoffer weliswaar in het UMC verdachte als schutter aangewezen, maar vervolgens wederom meermalen verklaard dat hij niet weet wie de schutter was. Daarbij komt dat er stukken in het dossier zijn waaruit blijkt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.