vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/360643 / HA ZA 14-56 Vonnis van 12 augustus 2015 in de zaak van 1LEENDERT CHRISTIAAN DE JONG
(2002), die eenvormige regels geven ter bevordering van de naleving van de goede trouw in de internationale handel. Deze Principles beogen onder meer een oplossing te bieden in gevallen waarin de toepasselijke regels deze niet bieden (art. 1:101), zoals in dit geval, nu uit de genoemde Richtlijn en het daarop gebaseerde Nederlandse recht niet volgt welke gevolgen aan een schending van de informatieplicht door de dienstverlener verbonden zijn, (anders dan in de hier niet toepasselijke derde afdeling van titel 5 van boek 6 BW). In zoverre is hier art. 2:104 van de genoemde Principles van belang, waarin het uitgangspunt is neergelegd dat de gebruiker van algemene voorwaarden daar tegenover een wederpartij, die de inhoud daarvan niet kent, alleen een beroep op kan doen als hij redelijke stappen heeft gezet om de algemene voorwaarden onder de aandacht van zijn wederpartij te brengen, waarbij een enkele verwijzing in een contract niet voldoende is, ook niet als dit door die wederpartij is ondertekend. Die regel kan hier niet anders tot gelding komen dan door daaraan betekenis toe te kennen in het kader van de vraag of de Nekovri-voorwaarden zijn overeengekomen. 4.8. De stelplicht en bewijslast in deze kwestie rust in beginsel op de curatoren, nu zij zich op de rechtsgevolgen van de beweerdelijke toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden beroepen. Voor zover zij hebben beoogd te stellen dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden ook reeds voor 2 januari 2010 aan Brantina kenbaar was, omdat die inhoud gebruikelijk was in de branche, is die (door Brantina weersproken) stelling niet voldoende onderbouwd en faalt zij daarom. Daarbij is van belang dat niet is gesteld dat en hoe Brantina, op grond van dat branchegebruik, ook anders dan door toedoen van [bedrijf] bekend was of behoorde te zijn met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. Het komt daarom aan op de vraag of Brantina voor 2 januari 2010 door toedoen van [bedrijf] bekend was of kon zijn met die inhoud en zo nee, of [bedrijf] het bij gelegenheid van de overeenkomst van die datum, alsnog tot die kenbaarheid heeft geleid. 4.9. Nu de bestuurder van Brantina de overeenkomst van 2 januari 2010 heeft getekend en daarin de onder 2.5 vermelde tekst stond, is (behoudens tegenbewijs) bewezen dat de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden (toen) is overeengekomen, dat die Nekovri-voorwaarden in gelijke vorm gedurende de drie daaraan voorafgaande jaren tussen partijen van kracht waren en dat zij bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 aan Brantina zijn overhandigd. Met die overhandiging heeft [bedrijf] aan haar voormelde inlichtingenplicht voldaan en zijn de Nekovri-voorwaarden toepasselijk geworden. De schriftelijke overeenkomst van 2 januari 2010 vormt immers een onderhandse akte waaraan de in artikel 157 Rv omschreven dwingende bewijskracht toekomt. Wat Brantina op dit punt heeft gesteld, maakt dat niet anders, omdat onweersproken vast staat dat de vermelding van hetgeen direct boven de handtekening van [B] staat, geen standaardvermelding betreft en omdat Brantina een professionele commerciële partij is. Gezien hetgeen onder 4.7 is overwogen is hier vooral de bewijskracht ten aanzien van de overhandiging van de Nekovri-voorwaarden van belang. Nu Brantina heeft aangeboden door getuigen te bewijzen dat de Nekovri-voorwaarden toen niet zijn overhandigd, zal zij worden toegelaten dat (tegen)bewijs bij te brengen. 4.10. Indien Brantina in dat tegenbewijs slaagt, komt het aan op de vraag of Brantina uit anderen hoofde dan door die overhandiging vóór 2 januari 2010 bekend was of redelijkerwijs kon zijn met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. Voor zover de curatoren hebben beoogd te stellen dat dat het geval is op grond van de vermelding van de Nekovri-voorwaarden op de toenmalige offertes en de voorzijde van de verzonden facturen (waarop ook een verwijzing naar het depot van die voorwaarden bij de rechtbank), is dat onvoldoende, omdat dat niet ziet op de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. De curatoren hebben echter ook gesteld dat de Nekovri-voorwaarden Brantina telkens bij gelegenheid van de eerdere overeenkomsten dan die van 2 januari 2010 zijn uitgereikt en dat Brantina voordien reeds originele facturen zijn verzonden, op de achterzijde waarvan de hier relevante artikelen stonden afgedrukt. Als dat juist is, was Brantina op die grond bekend met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden en rustte niet op 2 januari 2010 op [bedrijf] de plicht die inhoud herhaald aan Brantina kenbaar te maken. Dat geldt ook als dat bewijs alleen geleverd wordt ten aanzien van de verzonden originele facturen, nu de curatoren onweersproken hebben gesteld (en uit hun productie 14 blijkt) dat die originele facturen aan de achterzijde de gehele inhoud van de hier relevante artikelen van de Nekovri-voorwaarden (zoals onder 2.2, 2.3 en 2.4 omschreven) bevatten. Nu Brantina die eerdere overhandiging en toezending heeft weersproken, is het aan de curatoren hun stelling te bewijzen. Weliswaar is dat bewijs pas van belang indien Brantina in het haar op te dragen (tegen)bewijs slaagt, maar om proceseconomische redenen zal de curatoren reeds nu dat andere bewijs worden opgedragen. 4.11. Indien komt vast te staan dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden voldoende aan Brantina kenbaar is gemaakt, is dat - gezien de in zoverre onweersproken stellingen van de curatoren - in de Engelse taal gebeurd. Dat is in dat geval voldoende om tot toepasselijkheid te leiden, omdat [bedrijf] er op mocht vertrouwen dat Brantina, als internationale onderneming, die taal begreep en dat zij, als dat niet zo was, eigener beweging om toezending van de Nekovri-voorwaarden in een andere taal had verzocht. 4.12. Aan de hand van deze bewijskwesties zal te zijner tijd komen vast te staan of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn geworden. Los daarvan dient hoe dan ook beoordeeld te worden of de factuurbedragen waarvan de curatoren betaling vorderen, verschuldigd zijn door Brantina. Omtrent die facturen wordt hierna per stuk geoordeeld. 4.13. a factuur VF2009-06279, openstaand bedrag € 38.364,75 Deze nota betreft volgens de curatoren de wettelijke handelsrente die Brantina verschuldigd is over de openstaande facturen uit 2008 en 2009. Brantina stelt de nota nooit te hebben ontvangen en betwist deze verschuldigd te zijn, omdat de afbetalingsregeling die op 2 januari 2010 is overeengekomen, de hoofdsom van de openstaande facturen uit 2008 én de daarvoor verschuldigde rente omvat. Het in die overeenkomst genoemde bedrag is de totaalsom waarop hoofdsom en rente toen zijn vastgesteld, aldus Brantina. De curatoren stellen daarentegen dat toen alleen een afbetalingsregeling is getroffen ten aanzien van de hoofdsom. Geen van partijen heeft feiten en omstandigheden gesteld die in dit verband licht werpen op de totstandkoming van de overeenkomst van 2 januari 2010 (zoals: welke personen daarbij betrokken waren en wat daarbij besproken is), laat staan dat ten aanzien van dergelijke feiten en omstandigheden een bewijsaanbod is gedaan. Er moet hier daarom worden afgegaan op de tekst van die overeenkomst, zoals onder 2.5 weergegeven. Zowel in het geval hier op de curatoren de stelplicht en de bewijslast rust ten aanzien van hun standpunt dat de renteplicht buiten de overeenkomst van 2 januari 2010 is gelaten, alsook in het geval op Brantina die plicht en last rust ten aanzien van haar tegengestelde standpunt, is hier het gelijk aan Brantina. De tekst van de overeenkomst luidt immers voldoende duidelijk dat Brantina op 2 januari 2010 een openstaande schuld van € 400.000,00 aan [bedrijf] heeft en dat het haar is toegestaan die schuld in maandelijkse termijnen te betalen, tot zij is voldaan. Daar komt bij dat de curatoren (anders dan hier van hen mocht worden verwacht) niet hebben gesteld hoe het bedrag van € 400.000 in de overeenkomst van 2 januari 2010 is opgebouwd, terwijl Brantina daarentegen heeft gesteld dat begin 2010 aan hoofdsommen over 2008 en 2009 een lager totaalbedrag dan die € 400.000,00 verschuldigd was. Bij die stand van zaken moet er, behoudens feitelijke aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, van worden uitgegaan dat die € 400.000,00 de genoemde volledige schuld van Brantina omvatte (incluis de openstaande nota’s uit 2008 en 2009 en de daarmee samenhangende rente) en dat de aanvankelijke verplichting van Brantina om die nota’s en die rente te voldoen, is vervangen door die maandelijkse aflossingsplicht. Voor een renteplicht naast die maandelijkse termijnbetalingen is dan geen plaats. Een en ander leidt tot het oordeel dat de desbetreffende factuur daarom hoe dan ook niet verschuldigd is. 4.14. b factuur VF2O1O-06953 openstaand bedrag € 742,00 c factuur VF2O1O-06874 openstaand bedrag € 1.603,00 d factuur VF2O1O-07016 openstaand bedrag € 670,00 Deze facturen zijn door Brantina niet weersproken, zodat de verschuldigdheid ervan vast staat. 4.15. e factuur VF2010-07031 openstaand bedrag € 70,00 f factuur VF2O1O-07035 openstaand bedrag € 70,00 De juistheid van deze facturen is door Brantina gedurende dit geding alsnog erkend. 4.16. g factuur VF2O1O-07047 openstaand bedrag € 7.100,00 h factuur VF2O1O-07092 openstaand bedrag € 1.634,00 i factuur VF2O1O-07189 openstaand bedrag € 475,00 j factuur VF2O1O-07283 openstaand bedrag € 3.022,00 k factuur VF2O1O-07351 openstaand bedrag € 2.322,00 l factuur VF2O1O-07382 openstaand bedrag € 2.481,00 Deze facturen zijn door Brantina niet weersproken, zodat de verschuldigdheid ervan vast staat. 4.17. m factuur VF2O1O-07435 openstaand bedrag € 1.959,00 In deze factuur is vermeld dat deze een twintigtal (individueel omschreven) deelposten behelst, onder meer ziende op ‘stripping container’, ‘Adm/doc costs per pallet’, ‘Handling In/Out per pallet’ en ‘Phyto Inspection’. De overige deelposten betreffen opslagkosten van (het fruit
- op)de desbetreffende containers/pallets. De perioden waarop die deelposten betrekking hebben zijn in de factuur vermeld en betreffen de maanden juli en augustus 2010 en de periode 1 tot 23 september 2010. Brantina ontkent de factuur ooit ontvangen te hebben en stelt dat de factuur ook ziet op (af te wijzen) kosten van opslag na 28 september 2010, de dag waarop [bedrijf] zich op haar beweerdelijke pandrecht beriep. De curatoren verwijzen in dit verband naar de voornoemde perioden, eindigend op 23 september 2010. Als voldoende door de curatoren gesteld en door de vermeldingen in de factuur onderbouwd en als onvoldoende door Brantina weersproken, staat vast dat het door Brantina te dragen kosten betreft die zijn opgeroepen in de periode voorafgaand het moment waarop [bedrijf] haar beweerdelijke pandrecht uitwon. De factuur is daarom door Brantina verschuldigd. Als onvoldoende door de curatoren weersproken heeft Brantina echter gesteld dat zij deze factuur niet eerder dan in dit geding heeft ontvangen. Eerst nadien kan zij daarom met de voldoening ervan in verzuim zijn gekomen. Dat verzuim is, indien de Nekovri-voorwaardem toepasselijk zijn, ingetreden een maand na de factuurdatum die hier op de dag van het inleidende verzoekschrift moet worden gesteld, te weten 13 oktober 2013. Die verzuimdatum is aldus 13 november 2013. Indien de Nekovri-voorwaarden niet van toepassing zijn, is die verzuimdatum 12 mei 2014, namelijk de dag waarop Brantina voor antwoord in conventie concludeerde en het voor de curatoren duidelijk was dat zij deze factuur niet zou voldoen, zodat ingebrekestelling overbodig werd en verzuim reeds daardoor intrad. 4.18. n factuur VF2O1O-07438 openstaand bedrag € 20.000,00 Deze factuur betreft de kosten die [bedrijf] aan Brantina rekent in verband met de opslag van Brantina’s ompakmachine in het pand van [bedrijf] . De curatoren stellen dat [bedrijf] vergeefs aan Brantina heeft verzocht die machine terug te halen, waaraan zij geen gevolg heeft gegeven. (De boedel van) [bedrijf] komt daarom volgens de curatoren voor die opslag een vergoeding toe, waarvan de omvang in redelijkheid en billijkheid is te stellen op het factuurbedrag. Brantina stelt dat [bedrijf] de kostenloze opslag van de machine steeds heeft geaccordeerd, onder meer omdat zij daar zelf ook baat bij had. Wanneer de door de curatoren gevorderde som als huur is aan te merken, is naar stelling van Brantina niet de handelskamer van de rechtbank, maar de kantonrechter bevoegd hierover te oordelen. Anders dan Brantina oppert, betreft dit geen huurvordering, maar een vergoeding voor het in opslag houden door [bedrijf] van de ompakmachine van Brantina. Nu tussen partijen vast staat dat die opslag aanvankelijk kostenloos plaatsvond, bestaat er geen grond om Brantina voor de latere periode van die opslag (waarin Brantina zou hebben geweigerd de machine bij [bedrijf] op te halen) voor die opslag een vergoeding in rekening te brengen. Indien de curatoren gelijk hebben met hun stelling rond de weigering, zou dat mogelijk tot een verplichting van Brantina kunnen leiden om de daar voor [bedrijf] uit voortgevloeide schade van [bedrijf] te vergoeden, maar dat is niet hoe deze deelvordering is ingestoken. Dat betekent dat de desbetreffende factuur niet verschuldigd is. 4.19. o factuur VF2O1O-07494 openstaand bedrag € 560,00 p factuur VF2O1O-07625 openstaand bedrag € 6.357,00 r factuur VF2O1O-08308 openstaand bedrag € 5.750,00 s factuur VF2O1O-07924 openstaand bedrag € 20.990,00 t factuur VF2O1O-08001 openstaand bedrag € 7.588,00 u factuur VF2O1O-08058 openstaand bedrag € 23.185,00 v factuur VF2O1O-08131 openstaand bedrag € 2.950,00 w factuur VF2O1O-08193 openstaand bedrag € 1.350,00 Als door de curatoren gesteld en door Brantina niet weersproken staat vast dat deze factuurbedragen bestaan uit een opslagvergoeding tot aan 7 oktober 2010 en uit kosten van handling en documentatie, alsmede dat die laatstgenoemde kosten inhoudelijk weliswaar mede betrekking hebben op de periode na 28 september 2010, maar zijn opgeroepen doordat [bedrijf] reeds voor 28 september 2010 tot de opslag ervan is overgegaan. Op grond daarvan kunnen de curatoren slechts aanspraak maken op de bewaarkosten tot 28 september 2010, het moment waarop [bedrijf] haar beweerdelijke pandrecht inriep. Vanaf dat moment hield zij het desbetreffende fruit immers niet langer ten behoeve van Brantina, maar ten behoeve van zichzelf. Ook op grond van het voorgaande kunnen de curatoren wel aanspraak maken op vergoeding van de volledige handling- en documentatiekosten zoals in de facturen vervat, omdat die kosten hun oorzaak vinden in de periode vóór 28 september 2010. De bewaarkosten in de facturen die op de periode tot 28 september 2010 betrekking hebben en de volledige in de facturen opgenomen handling- en documentatiekosten belopen de volgende totalen: o factuur VF2O1O-07494 € 545,00 p factuur VF2O1O-07625 € 6.022,00 r factuur VF2O1O-08308 € 4.675,00 s factuur VF2O1O-07924 € 18.895,00 t factuur VF2O1O-08001 € 6.873,00 u factuur VF2O1O-08058 € 20.988,00 v factuur VF2O1O-08131 € 2.520,00 w factuur VF2O1O-08193 € 1.055,00. Brantina is daarom deze laatstgenoemde totalen verschuldigd, zij het dat over factuur o, op gelijke voet als ten aanzien van factuur m onder 4.17 is beslist, eerst rente verschuldigd is vanaf 13 oktober 2013 of 12 mei 2014, afhankelijk van de vraag of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn. 4.20. q factuur VF2O1O-07786 openstaand bedrag € 141,32 Gezien de stellingen van partijen hangt de verschuldigdheid van deze factuur af van de vraag of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn. Ook wat deze factuur betreft moet daarom de bewijslevering op dat punt worden afgewacht. 4.21. x factuur VF2O1O-08635 openstaand bedrag € 45.921,10 Deze factuur betreft douanekosten die Brantina, naar zij erkent, in beginsel verschuldigd is aan [bedrijf] te vergoeden. Zij heeft daarbij wel gesteld niet gehouden te zijn tot die vergoeding wanneer de kosten van na 28 september 2010 dateren. De curatoren hebben gesteld dat het gehele factuurbedrag kosten betreft van voor die datum, omdat er nadien geen fruit meer van Brantina is ingevoerd, hetgeen strookt met de kort nadien gelegen factuurdatum. Brantina heeft een en ander vervolgens niet voldoende weersproken, zodat dat vast staat. De factuur is daarom verschuldigd. 4.22. y factuur VF2O1O-09316 openstaand bedrag € 20.320,74 Naar de curatoren - in zoverre onweersproken - stellen is dit bedrag uit hoofde van artikel 45 lid 6 van de Nekovri-voorwaarden verschuldigd indien deze toepasselijk zijn. Ook hier komt het daarom op de bewijslevering op dat punt aan. Indien komt vast te staan dat de Nekovri-voorwaarden toepassing missen, is aan buitengerechtelijke incassokosten door Brantina een bedrag verschuldigd conform de regels van het rapport VoorWerk-II, naar rato van de uiteindelijk toewijsbare hoofdsom. 4.23. z factuur VF2012-00429 openstaand bedrag € 25.867,23 De curatoren stellen dat het ook hier om douanekosten gaat van voor 28 september 2010. Dat in verband daarmee pas in 2012 een factuur is opgemaakt, komt naar hun stelling doordat pas toen door de fiscus een naheffingsaanslag voor die kosten is opgelegd. Brantina voert hier een gelijk verweer als ten aanzien van de factuur die onder 4.21 is besproken. Nu deze factuur pas in 2012 is opgemaakt, kan niet reeds thans worden vastgesteld dat het om kosten gaat die samenhangen met fruit van Brantina dat in 2010 (voor 28 september van dat jaar) is ingevoerd en waarvan [bedrijf] de douanekosten heeft voldaan. Het is aan de curatoren om dit punt de juistheid van hun stelling te bewijzen. Zij zullen daartoe, overeenkomstig hun aanbod, worden toegelaten. 4.24. Of Brantina het recht toekomt om zich ten aanzien van de som die zij in conventie verschuldigd mocht blijken te zijn aan de curatoren, op verrekening te beroepen met haar tegenvordering, hangt onder meer af van de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden, waarin dat recht op verrekening immers is uitgesloten. Dit punt zal daarom eerst door de rechtbank verder worden beoordeeld na de uitkomst van die bewijskwestie. Hoe dan ook komt Brantina in elk geval niet het recht toe om in reconventie de gewenste veroordeling van de curatoren te vorderen, zoals onder a en b verwoord. Ook al luiden die deelvorderingen (na wijziging) niet langer aldus dat de curatoren moeten worden veroordeeld aan Brantina een bedrag te betalen, ook in de huidige vorm strekken die deelvorderingen er onmiskenbaar toe om het gewenste bedrag aan Brantina voldaan te zien uit de boedel van [bedrijf] . Ook daarvoor staat Brantina slechts de weg van de Faillissementswet open, waarlangs zij haar vordering bij de curatoren ter verificatie kan indienen en waarbij zij, als erkenning van de vordering uitblijft, in een renvooiprocedure kan proberen haar gelijk te halen. Zij is daarom in die deelvorderingen niet-ontvankelijk. 4.25. Of de reconventionele vordering tot teruggave van de ompakmachine (verwoord onder
- c)toewijsbaar is, hangt af van de vraag of [bedrijf] met betrekking tot die machine een retentierecht toekomt. Naar de rechtbank de stellingen van partijen verstaat, zijn zij het erover eens dat dat retentierecht bestaat indien de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn en (de boedel van) [bedrijf] enige (niet door verrekening tenietgegane) vordering op Brantina heeft, aangezien artikel 46 van de Nekovri-voorwaarden aan dat retentierecht niet de eis stelt van samenhang tussen de verplichting tot afgifte door [bedrijf] /de curatoren van de ompakmachine enerzijds en de betalingsverplichting van Brantina die tot toepassing van het retentierecht aanleiding geeft, anderzijds (welke eis van samenhang wel besloten ligt in artikel 3:290 BW). Voor zover de curatoren beogen te stellen dat [bedrijf] ook los van de Nekovri-voorwaarden, uit hoofde van dat artikel 3:290 BW, retentierecht toekomt, faalt die stelling. Van de samenhang zoals hiervoor omschreven is immers geen sprake nu factuur n (zie 4.18) niet door Brantina verschuldigd is, terwijl de curatoren niet voldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat ook ondanks die onverschuldigdheid hier sprake is van die samenhang. Of zij zich op een retentierecht van [bedrijf] kunnen beroepen, hangt daarom af van de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden en zal eerst na de desbetreffende bewijslevering verder kunnen worden beoordeeld. 4.26. Samenvattend is in dit geding de tussenstand aldus: elk van partijen wordt tot bewijs toegelaten in de kwestie van de Nekovri-voorwaarden factuur a is niet verschuldigd door Brantina de facturen b tot en met m zijn wel verschuldigd door Brantina factuur n is niet verschuldigd door Brantina de facturen o, p en r tot en met w zijn door Brantina verschuldigd tot de totaalbedragen die onderaan 4.20 zijn genoemd de verschuldigdheid door Brantina van de facturen q en y hangt af van de bewijskwestie rond de Nekovri-voorwaarden factuur x is wel verschuldigd door Brantina aan de curatoren zal bewijs worden opgedragen van de stelling dat factuur z ziet op douanekosten die in verband met ingevoerd fruit van Brantina zijn gemaakt in de periode tot 28 september 2010 Brantina is niet-ontvankelijk in haar reconventionele vordering onder a en b of de reconventionele vordering onder c toewijsbaar is, hangt af van de bewijskwestie rond de Nekovri-voorwaarden. 4.27. Om proceseconomische redenen zal hierna eerst aan partijen bedoeld bewijs worden opgedragen en zal na de waardering van die bewijslevering verder worden geoordeeld. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. draagt Brantina op te bewijzen dat de Nekovri-voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 tussen haar en [bedrijf] , niet aan haar zijn ter hand gesteld, 5.2. draagt de curatoren op te bewijzen dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden reeds op enig eerder moment dan bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 tussen Brantina en [bedrijf] , aan Brantina kenbaar is gemaakt, hetzij door eerdere terhandstelling van die voorwaarden, hetzij doordat de originele facturen van [bedrijf] voordien aan Brantina zijn toegezonden, 5.3. draagt de curatoren op te bewijzen dat de hiervoor onder z vermelde factuur (met nummer VF2012-00429 en het openstaande bedrag van € 25.867,23) douanekosten betreft die zijn gemaakt in verband met de invoer van fruit van Brantina vóór 28 september 2010, 5.4. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 september 2015 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs willen leveren, 5.5. bepaalt dat, indien Brantina en/of de curatoren (mede) bewijs wil(len) leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet(
- en)brengen, 5.6. bepaalt dat, indien Brantina en/of de curatoren bewijs wil(len) leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting: - de namen en woonplaatsen van de getuigen dienen/dient op te geven, - moet(
- en)opgeven op welke dagen alle partijen, hun advocaten en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dienen/dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden, 5.7. bepaalt dat: - voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend, - indien Brantina en/of de curatoren geen gebruik maken/maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is, - het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten, 5.8. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald, in conventie voorts en in reconventie 5.9. houdt iedere (verdere) beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015. type: RS/4234