RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 3362092 UC EXPL 14-13513 JK/1218 Vonnis van 26 augustus 2015 inzake de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, verder ook te noemen Dexia gedaagde partij in het verzet, oorspronkelijk eisende partij, gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , eisende partij in het verzet, oorspronkelijk gedaagde partij, gemachtigde: mr. G. van Dijk. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verstekvonnis van 23 juli 2014 met kenmerk 3139567 UC EXPL 14-9044, de verzetdagvaarding, met producties, - het schorsings-/aanhoudingsverzoek van [gedaagde] , - de reactie van Dexia op het schorsings-/aanhoudingsverzoek, - een aanvulling van [gedaagde] op het schorsings-/aanhoudingsverzoek, - de conclusie van antwoord in oppositie, met producties, - de rolbeslissing van 14 januari 2015, waarbij het verzoek van [gedaagde] tot schorsing/aanhouding van deze procedure is afgewezen; - de conclusie van repliek in oppositie, met producties, - de akte uitlating producties van Dexia, - de bij brief van 19 mei 2015 namens [gedaagde] toegezonden producties, - het pleidooi op 2 juni 2015, - de rolbeslissing van 24 juni 2015, - de akte na pleidooi van Dexia. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn één of meer effectenleaseovereenkomsten (hierna te noemen de overeenkomst(en)) gesloten die per saldo met een negatief saldo zijn geëindigd. 2.2. De zogenaamde “Duisenberg-regeling” voor deze effectenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade algemeen verbindend verklaard. [gedaagde] heeft door middel van een “opt-out”-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn. 2.3. In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde Hofmodel. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. 2.4. Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia aan [gedaagde] medegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan hem van een schadevergoeding berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde Hofmodel. Bij de berekening van de omvang van de schadevergoeding is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten voor [gedaagde] destijds geen onaanvaardbare zware financiële last vormde als bedoeld in de jurisprudentie, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan [gedaagde] van de door hem destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van de restschuld is vergoed. 2.5. Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia laten weten dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt. 2.6. Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [gedaagde] een brief gestuurd, waarbij [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [gedaagde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde “waiver” worden ondertekend en geretourneerd. [gedaagde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd. 2.7. Bij verstekvonnis van 23 juli 2014 is de vordering van Dexia, te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten met nummers 21405623 en 21600589 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, toegewezen. 3Het geschil 3.1. [gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem te ontheffen van de tegen hem bij vonnis van 23 juli 2014 uitgesproken veroordeling en Dexia in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans die af te wijzen of haar die te ontzeggen, Dexia te veroordelen tot terugbetaling van de door [gedaagde] uit hoofde van het verstekvonnis voldane proceskosten groot € 395,46, met veroordeling van Dexia in de proceskosten. 3.2. Dexia stelt ter onderbouwing van haar sub 2.7. aangehaalde vordering dat [gedaagde] na de “opt-out”-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 en 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Inmiddels is duidelijk geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten heeft voldaan, ook de verplichtingen die voortvloeien uit het schenden van haar zorgplicht ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten en dat [gedaagde] op basis van het Hofmodel geen recht heeft op enige schadevergoeding, aldus Dexia. Dexia heeft, zo stelt zij voorts, alle mogelijkheden buiten rechte aangewend en zij heeft belang bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [gedaagde] . 3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover nodig, wordt ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen. 4.2. [gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang. 4.3. Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie substantiële kosten verbonden zijn terwijl de jurisprudentie is uitgekristalliseerd. Weliswaar is door [gedaagde] bestreden dat met het in stand houden van de organisatie substantiële kosten zijn gemoeid maar ook als dat niet het geval zou zijn, moet worden aangenomen dat Dexia enig redelijk en in rechte te respecteren belang kan hebben om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – onder wie [gedaagde] – aanspraken jegens haar (menen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.