RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Lelystad Parketnummer: 16.659507.15 Vonnis van de politierechter van 5 oktober 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1960] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans verblijvende te P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw. 1HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 21 september 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp. De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht. 2DE TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 14 februari 2015 in de gemeente Heemstede, althans in Nederland, tussen 01:00 uur en 08:00 uur in de nacht, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een woning aan het [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 10,50 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door het boren van een gaatje naast de grendel in de tuindeur, in ieder geval door middel van braak en/of verbreking 3DE VOORVRAGEN De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde bewezen te verklaren. Hij heeft daarbij verwezen naar de zich in het dossier bevindende aangifte, de camerabeelden van Pro-rail waaruit blijkt dat de verdachte op station Haarlem de trein heeft genomen richting Leiden met tussenliggende stations Heemstede-Aerdenhout, Hillegom en Voorhout, terwijl is gebleken dat de verdachte niet in Leiden is uitgestapt en de uitkomst van het sporenonderzoek waaruit blijkt dat de tracer die is aangebracht op de handboor, die door de verdachte is aangeschaft, is aangetroffen op de portemonnee die uit de woning is weggenomen. De verdachte heeft bovendien geen verklaring gegeven over de wijze waarop de tracer aangetroffen kan zijn op de portemonnee die is weggenomen uit de woning noch over de plaats waar hij die avond is geweest. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van onrechtmatige bewijsvergaring bij het verrichten van de in het dossier beschreven observaties en doorzoeking noch bij gebruik van een tracer/marker als opsporingsmiddel. Het standpunt van de verdediging en het oordeel van de politierechter daarover. De verdediging heeft een vrijspraak bepleit conform de inhoud van een aan de politierechter overgelegde pleitnota De raadsman heeft daarin ter verdediging gesteld dat de observatie van verdachte op 11 oktober 2014 onrechtmatig was, nu daar geen bevel als bedoeld in artikel 126g van het wetboek van Strafvordering aan ten grondslag lag. Volgens de raadsman dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting van de bevindingen van de observatie van 11 oktober 2014. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 15 oktober 2014 leidt de politierechter af dat de politie verdachte op 11 oktober 2014 gevolgd heeft tussen 9.08 uur en 16.38 uur vanaf de PI te Nieuwegein tot aan de Kalvertoren in Amsterdam. De politie heeft waargenomen dat verdachte naar Utrecht CS gelopen is, de trein naar Amsterdam CS genomen heeft, van het station met de tram naar de Albert Cuyp gegaan is, daar kraampjes bekeken heeft, kip gegeten heeft, een tas gekocht heeft, naar het Waterlooplein gelopen is en daar een boor en een schroevendraaier gekocht heeft. Onderweg is verdachte drie keer een urinoir ingelopen. Gezien de duur en de inhoud van de waarnemingen is niet een min of meer volledig beeld verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven van verdachte. Van stelselmatige observatie waarvoor een bevel als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering vereist was, is geen sprake geweest. De politierechter komt tot de slotsom dat geen onrechtmatige opsporing plaatsgevonden heeft, zodat voor bewijsuitsluiting in dit verband geen aanleiding bestaat. Daarnaast was volgens de raadsman het bevel observatie van 28 november 2014 onrechtmatig, aangezien onvoldoende verdenking jegens verdachte bestond van het begaan van een of meer strafbare feiten. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot bewijsuitsluiting. Het bevel observatie (art. 126g Sv.) van de officier van justitie d.d. 28 november 2014 vermeldt dat de verdenking bestaat dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan diefstel door middel van braak e.d. met verwijzing naar artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens het proces-verbaal van politie d.d. 27 november 2014 dat aan het bevel ten grondslag ligt heeft tussen 20 oktober 2014 tussen 23.45 uur en 21 oktober 2014 te 07.45 uur een inbraak plaats gevonden in een woning aan het [adres] , waarbij onder meer een jas in weggenomen. In de achterdeur van de woning was een gat onder het slot geboord. In eerdere onderzoeken heeft de politie vastgesteld dat verdachte inbraken gepleegd heeft, waarbij gaatjes geboord zijn in een kozijn of een deur en dat verdachte met de trein naar de plaats delict reist. Met behulp van camerabeelden is vastgesteld dat verdachte op 20 oktober te 23.47 uur op het station Haarlem uit de trein komende uit Amsterdam stapt. Op 10 oktober 2014 heeft de politie waargenomen dat verdachte een handboor kocht. De politierechter is van oordeel dat op grond van het bovenstaande voldoende verdenking bestond dat verdachte die inbraak gepleegd had. De omstandigheid dat, zoals de raadsman nog aanvoert, de jas die verdachte bij heenzending op 29 november 2014 niet lijkt op de uit de woning weggenomen jas, doet daaraan niet af, daar de ontvreemde jas heel goed ergens anders terechtgekomen kan zijn en verdachte niet noodzakelijkerwijs die jas bij zich behoefde te hebben. Het bevel observatie is dan ook terecht gegeven en van bewijsuitsluiting behoeft geen sprake te zijn. Volgens de raadsman is de doorzoeking van de hotelkamer van verdachte in het A-train hotel op 20 januari 2015 onrechtmatig geweest, omdat de rechter-commissaris deze doorzoeking niet verricht heeft en evenmin machtiging daartoe verleend had. De doorzoeking die op 26 januari 2015 in die hotelkamer plaatsvond was eveneens onrechtmatig omdat deze uitgevoerd werd zonder dat sprake was van voldoende verdenking jegens verdachte van het gepleegd hebben van een strafbaar feit. Het gevolg daarvan moet zijn dat het aanbrengen van de tracer op een boor in de hotelkamer en het aantreffen van de tracer op een portemonnee bij de woning van aangever niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Op 20 januari 2015 is de politie binnengetreden in de door verdachte gebruikte kamer in het A-train hotel te Amsterdam voor de inbeslagneming van een tas met inhoud. De politie heeft de tas, nu zich daar geen gereedschap bevond, waarop een marker/tracer aangebracht kon worden teruggelegd. Nu geen resultaat van opsporingsactiviteit van de politie na het binnentreden in de hotelkamer voor het bewijs gebruikt wordt kan het verweer van de raadsman verder onbesproken blijven en kan daarom ook de vraag of sprake is geweest van een doorzoeking waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris vereist was onbeantwoord blijven. Uit het verslag van binnentreden en proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de rechter-commissaris d.d. 6 februari 2015 en het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inslagneming van de politie d.d. 26 januari 2015 leidt de politierechter af dat de rechter-commissaris bij het nemen van de beslissing om de hotelkamer van verdachte te doorzoeken beschikte over dezelfde gegevens als de hierboven weergegeven gegevens op grond waarvan de officier van justitie een bevel observatie op 28 november 2014 gegeven heeft. Naar het oordeel van de politierechter bestond er dan ook voldoende verdenking van het plegen van een woninginbraak door verdachte om een doorzoeking van zijn hotelkamer te verrichten. Van een onrechtmatige doorzoeking op 26 januari 2015 is geen sprake geweest. Voor het uitsluiten van het bewijs dat bestaat uit het plaatsen van een tracer/marker in die hotelkamer en het aantreffen van die tracer/marker op een portemonnee die weggenomen is uit de woning [adres] is geen aanleiding. Hetgeen vastgesteld is met betrekking tot de tracer dient eveneens van het bewijs uitgesloten te worden in de ogen van de raadsman omdat het gebruik van dat middel niet is aan te merken als het gebruik van een technisch hulpmiddel in de zin van artikel 126g, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de Politiewet en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering onvoldoende basis voor de inzet van het middel in deze zaak zijn, nu de officier van justitie in het desbetreffende bevel de inzet van het middel niet gemotiveerd heeft. De politierechter vindt met de verdediging dat de in het onderzoek tegen verdachte gebruikte tracer/marker geen technisch hulpmiddel is als bedoeld in artikel 126g, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat het geen hulpmiddel is dat over een bepaalde periode signalen registreert ten behoeve van de observatie. De politie heeft de tracer/marker aangebracht op een door verdachte gebruikt stuk gereedschap om na te gaan of de tracer/marker op een of meer voorwerpen in een woning, waarin ingebroken was, aangetroffen werd. Indien dat het geval was, zou daarmee een verband tussen de inbraak en verdachte gelegd kunnen worden. Deze opsporingsmethode levert niet een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte op dat daarvoor een expliciete wettelijke grondslag voorhanden moeten zijn. De artikelen 3 van de Politiewet en 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering kunnen de wettelijke basis voor het gebruik van deze opsporingsmethode zijn. Het verweer van de raadsman dat de officier van justitie het gebruik van het middel niet heeft gemotiveerd, slaagt niet, omdat het middel – zoals uit het voorgaande volgt – niet in het genoemde bevel opgenomen behoefde te zijn en voor zover de inzet van het middel anderszins gemotiveerd moet zijn, de noodzaak tot inzet van het middel voldoende voortvloeit uit het proces-verbaal van politie, waarin staat dat tegen verdachte de verdenking gerezen was dat hij een woninginbraak gepleegd had en een (nieuwe) woninginbraak voorbereidde en verdere bewijsvergaring ter zake van die feiten plaats diende te vinden. Ten slotte voert de raadsman aan dat hetgeen vastgesteld is met betrekking tot de tracer geen betrouwbaar bewijs is, omdat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.