RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 13/6259, UTR 13/6517 en UTR 13/6520 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2015 in de zaak tussen
(2), van de planvoorschriften alleen moet worden gekeken naar de oppervlaktematen en niet naar de inhoud van de bebouwing. Door verweerder is weliswaar betoogd dat een dergelijke uitleg volgt uit de systematiek van het bestemmingsplan, maar dit standpunt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het betoog van verweerder dat dit volgt uit het feit dat uitsluitend bij uitbreiding van (recreatie)woningen wordt gekeken naar de inhoud van de bebouwing, biedt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten het betoog van verweerder te volgen. De rechtbank wordt in dit oordeel gesteund door de bepalingen in het bestemmingsplan, nu die bepalingen verweerder niet alleen de mogelijkheid bieden om vrijstelling te verlenen voor het vergroten van de bebouwde oppervlakte maar óók van de nokhoogte van bedrijfsgebouwen. Uit die bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het uitbreiden van (bestaande) bebouwing niet alleen betrekking hoeft te hebben op de oppervlaktematen maar ook betrekking kan hebben op de inhoudsmaten. Daar komt bij dat de voorwaarden in artikel 19, lid 10b, van de planvoorschriften zijn geformuleerd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Verweerder zal bij de beoordeling van de vraag of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid het effect van de uitbreiding van de bestaande bebouwing op de omgeving moeten betrekken. Tegen die achtergrond is het standpunt van verweerder dat het vergroten van de inhoud van de bestaande bebouwing buiten beschouwing moet blijven lastig te begrijpen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat verweerder ook op deze grond niet bevoegd was om gebruik te maken van zijn in artikel 18, eerste lid, in samenhang met artikel 19, lid 10b, neergelegde bevoegdheid tot wijziging van het bestaande bedrijfstype. Ook dit betoog van eisers slaagt.
- Eisers hebben ten slotte betoogd dat door de vestiging van het afvalverwerkend bedrijf de verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie aanzienlijk zullen toenemen, waardoor de verkeersaantrekkende werking onevenredig zal toenemen. 12.1 Verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting nader toegelicht dat van onevenredig toenemende verkeersaantrekkende werking geen sprake zal zijn, reeds vanwege het feit dat de toegang tot het beoogde afvalverwerkend bedrijf via een particuliere weg verloopt die via de Tienboerenweg aansluit op de provinciale weg N
- 12.2 De rechtbank is van oordeel dat eisers hun standpunt dat door de vestiging van het afvalverwerkend bedrijf de verkeersaantrekkende werking onevenredig zal toenemen, niet met concrete gegevens hebben onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat daarvan door de vestiging van het door vergunninghouder beoogde bedrijf sprake zal zijn, temeer nu op het betreffende perceel op grond van het geldende bestemmingsplan een vestiging van een transportbedrijf tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de aard van dit bedrijfstype ervan heeft kunnen uitgaan dat de bedrijvigheid van het nieuw te vestigen bedrijf niet zal leiden tot een toename van de verkeersaantrekkende werking, laat staan dat sprake is van een onevenredige toename. Het betoog van eisers slaagt op dit punt niet.
- Door eisers 2 zijn voorts nog gronden aangevoerd tegen de verleende bouwvergunning, die ziet op het aanpassen van de bestaande loods op het perceel. Uit de aanvraag om bouwvergunning blijkt dat de aanpassing van de loods onder meer ziet op het verhogen van de nokhoogte van de loods tot 12,00 meter. Verweerder heeft de gevraagde bouwvergunning verleend met gebruikmaking van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, lid 21b, van de planvoorschriften. 13.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. 13.2 Met betrekking tot deze bouwvergunning is tussen partijen niet in geschil en staat ook voor de rechtbank vast, dat de vergunning voor het aanpassen van de bestaande loods is aangevraagd en verleend ten behoeve van de vestiging van het door vergunninghouder beoogde afvalverwerkende bedrijf. Duidelijk is immers dat vergunninghouder de (aangepaste) loods wenst te gebruiken ten behoeve van dat bedrijf. De rechtbank verwijst naar de in rechtsoverweging 5 weergegeven toelichting van vergunninghouder op de aanvraag. 13.3 Nu de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld dat verweerder niet bevoegd was om gebruik te maken van zijn in artikel 18, eerste lid, in samenhang met artikel 19, lid 10b, van de planvoorschriften neergelegde bevoegdheid tot wijziging van het bestaande bedrijfstype, moet tevens worden geoordeeld dat het beoogde gebruik van de loods ten behoeve van het afvalverwerkende bedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. Geoordeeld moet dan ook worden dat verweerder niet tot verlening van de bouwvergunning voor het aanpassen van de loods met toepassing van artikel 19, 21b, van de planvoorschriften, kon overgaan. De beroepsgronden van eisers 2 tegen de verleende bouwvergunning behoeven om die reden geen bespreking meer.
- Het vorenoverwogene betekent dat de beroepen gegrond zijn en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken en gelet op de door partijen ter zitting gegeven toelichting dat gesprekken gaande zijn over een te ontwerpen bestemmingsplan voor onder andere het onderhavige perceel geen aanleiding om toepassing te geven aan de zogenoemde bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 26 weken. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de in artikel 3:18, eerste lid, van de Awb genoemde termijn.
- Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van ieder € 160,- vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers 1 en 3 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (voor ieder) € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Van voor eisers 2 voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank, verklaart de beroepen gegrond, vernietigt het bestreden besluit van 4 november 2013, draagt verweerder op binnen 26 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak, draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eisers 1 tot en met 3 te vergoeden, veroordeelt verweerder in de proceskosten van zowel eisers 1 als eisers 3 tot een bedrag van elk € 980,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, en mr. Y. Sneevliet en mr. Z.J. Oosting, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.