RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/705560-14 (ontneming) Beslissing van de rechtbank d.d. 9 oktober 2015 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [1974] , wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] . 1Deprocedure De procedure blijkt onder meer uit het volgende: de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; het strafdossier onder parketnummer 16/705560-14, waaruit blijkt dat verdachte op 9 oktober 2015 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, tot de in die uitspraak vermelde straf; het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel; de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting; de overige stukken. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn verschenen de officier van justitie en de raadsman van verdachte, mr. S. Arts, advocaat te Breda. 2De beoordeling 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 190.311,06 . De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de berekening zoals neergelegd in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft aangegeven dat verdachte weliswaar niet is veroordeeld voor rechtstreekse betrokkenheid bij de hennepkwekerij van haar partner, maar dat zij heeft geprofiteerd van de opbrengst van de kwekerij en die opbrengst heeft witgewassen. 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.