vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/392880 / HA ZA 15-465 Vonnis van 9 december 2015 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiser, advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal, tegen naamloze vennootschap NAAMLOZE VENNOOTSCHAP BRONWATERLEIDING "DOORN", gevestigd te Langbroek, gemeente Utrechtse Heuvelrug, gedaagde, advocaat mrs. J.W. Leedekerken en S.P. Kamerbeek te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en de Bronwaterleiding genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 29 juli 2015 het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2015. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Tussen de gemeente Utrechtse Heuvelrug en een derde als verzoekers en [eiser] als verweerder is een procedure gevoerd over de vraag of de Bronwaterleiding aan [eiser] kopieën van aandeelbewijzen diende af te geven. De verzoekers in die procedure hadden tegen die mogelijkheid in hun hoedanigheid van aandeelhouders in de Bronwaterleiding bezwaar gemaakt. De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaar van de verzoekers bij beschikking van 22 april 2010 (JOR 2010, 335) gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “4.5.3. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet [eiser] niet aan de zo-even omschreven processuele verplichtingen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. a. De onderhavige toonderaandelen werden in ieder geval tot 30 juni 1999 gehouden door [A] . b. [eiser] stelt dat [A] de onderhavige toonderaandelen op enige datum heeft overgedragen aan [B] . Volgens de verklaring van [B] was dat in of rondom 1999, volgens de verklaring van [A] was dit ergens in 1999 of 2000. [A] en [B] zijn beiden vaag over wijze van totstandkoming en voorwaarden van hun gestelde transactie. Bewijsstukken ontbreken. c. [eiser] stelt dat hij zich zijn voorman tot medio 2008 niet herinnerde. Hij stelt dat hij diens identiteit pas na 11 juni 2008 heeft kunnen achterhalen. [eiser] licht niet toe hoe hij [B] alsnog op het spoor is gekomen. d. [B] en [eiser] zijn beiden vaag over wijze van totstandkoming en voorwaarden van hun gestelde transactie. Dat is eens te meer opmerkelijk omdat die transactie volgens [eiser] samenhing met een transactie in onroerend goed. [eiser] plaatste de transactie met [B] aanvankelijk in, althans rond, 1998. Later heeft hij – zonder toelichting – echter ook andere jaren genoemd, laatstelijk 2002. [B] laat iedere tijdsaanduiding achterwege. Bewijsstukken van de gestelde transactie ontbreken. e. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat mantels en dividendbladen van toonderaandelen afzonderlijk onderwerp van overeenkomsten kunnen zijn en afzonderlijk kunnen worden overgedragen. f. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat het bezit van dividendbladen geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen. g. De administratie van [eiser] is een puinhoop; de kwalificatie is van [eiser] zelf. h. [eiser] stelt dat hij de onderhavige talons (en dividendbewijzen) in januari 2008 heeft teruggevonden en dat hij er tot dan toe geen aandacht aan had besteed. Dit betekent dat alle handelingen met betrekking tot de onderhavige toonderaandelen tot januari 2008 niet door [eiser] kunnen zijn verricht. i. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de 165 toonderaandelen uit het bericht van de Luxemburgse bank van 4 oktober 2002 behoren tot de onderhavige 185 toonderaandelen. [eiser] maakt niet duidelijk hoe dit gegeven kan worden gerijmd met zijn stelling dat hij toen al eigenaar was van de onderhavige 185 toonderaandelen en dat de Luxemburgse bank niet voor hem (die zich pas jaren later weer van zijn eigendom bewust is geworden) handelde. j. [eiser] maakt niet duidelijk hoe de aanwezigheid van de kopie van toonderaandeel nummer 1 bij het bericht van de Luxemburgse bank van 4 oktober 2002 kan worden gerijmd met zijn stelling dat hij toen ook al eigenaar was van dat toonderaandeel en dat de Luxemburgse bank ook ter zake van dat toonderaandeel niet voor hem handelde. k. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de aangifte bij de politie geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen. l. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de aanmelding bij Euroclear Nederland geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen. m. [eiser] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat [A] er sedert het vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 maart 2003 geen belang bij heeft zich met waarden als de onderhavige toonderaandelen openlijk bij Bronwaterleiding Doorn te melden. n. De gebleken aanwezigheid van twintig van de onderhavige toonderaandelen in de kluis bij de Luxemburgse bank tast de geloofwaardigheid van de verklaring van [A] , die in zeer stellige bewoordingen het tegenovergestelde inhoudt, ook voor de overige 165 onderhavige toonderaandelen in verregaande mate aan. o. [eiser] geeft voor de aanwezigheid van die twintig toonderaandelen in de kluis bij de Luxemburgse bank geen, althans geen voldoende, verklaring. [eiser] geeft ook geen, althans geen voldoende, nadere toelichting op de lotgevallen van de overige 165 toonderaandelen, die volgens zijn stellingen op enig moment moeten zijn gescheiden van de twintig toonderaandelen die zijn aangetroffen in de kluis bij de Luxemburgse bank. Geconfronteerd met het proces-verbaal van de Luxemburgse gerechtsdeurwaarder stelt [eiser] (die tot dan toe bij zijn stelling dat hij 185 mantels en dividendbladen van [B] heeft ontvangen geen enkel voorbehoud had gemaakt) slechts dat [B] zijn verplichtingen jegens hem kennelijk niet volledig is nagekomen. Mede in het licht van de verklaringen van [A] en [B] , die beiden met geen woord reppen van de door [eiser] gestelde scheiding van de onderhavige toonderaandelen in een pakket van 165 en een pakket van twintig, had het op de weg van [eiser] gelegen die stelling nader toe te lichten en te onderbouwen; [eiser] laat dat na. p. Zeker onder de hiervoor vermelde omstandigheden kan uit de omstandigheid dat zich geen derden hebben gemeld die (delen van) het origineel van de onderhavige (mantels van) toonderaandelen bezitten niet de conclusie worden getrokken dat [eiser] eigenaar van die toonderaandelen is.” 2.2. [eiser] heeft tegen genoemde beschikking hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 18 januari 2011 heeft de gerechtshof te Amsterdam (JOR 2011, 139)de beschikking van de rechtbank Amsterdam bekrachtigd. Na de weergave van de rechtsoverwegingen van de rechtbank concludeert het gerechtshof als volgt: “6.7. [eiser] heeft in hoger beroep tegen deze door de rechtbank genoemde feiten en omstandigheden, die het hof in onderlinge samenhang beziet, onvoldoende argumenten aangevoerd. Evenals in eerste aanleg ontbreken bewijsstukken. In het licht hiervan constateert het hof dat hetgeen de rechtbank onder 4.5.3. van het bestreden vonnis heeft overwogen juist is. De stelling van [eiser] dat geen ander zich als rechthebbende op de aandelen heeft gemeld is ten opzichte van alle niet weerlegde feiten en omstandigheden van onvoldoende gewicht om zijn houderschap aan te tonen. Gelet op dit voorgaande heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij aandeelhouder is alsmede dat hij recht heeft op duplicaten van de aandelen. Voor het overige heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. 6.8. De conclusie moet zijn dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen en niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.” 2.3. [eiser] heeft vervolgens tegen de beschikking van het gerechtshof cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 maart 2012 (JOR 2012, 279) het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad heeft daartoe als volgt overwogen: 3.3.2 Het middel is ongegrond. Art. 2:86d lid 4 BW bepaalt dat "iedere belanghebbende" in verzet kan komen tegen de verstrekking van duplicaten. De wet beperkt de kring van belanghebbenden dus niet tot een "ieder, die meent enig recht te hebben op het in die aankondigingen [publicaties] vermelde effect", zoals het oude art. 15 lid 1 Effectenvernieuwingswet, de voorloper van het huidige art. 2:86a lid 4 BW, deed. Ook de omstandigheid dat in de memorie van toelichting op art. 2:86a lid 4 BW gesproken is over "derden die het origineel of delen van het aandeelbewijs bezitten" (Kamerstukken II 1997-1998, 26 133, nr. 3, blz. 2) brengt niet mee dat aan de woorden "iedere belanghebbende" in art. 2:86d lid 4 een zo beperkte uitleg moet worden gegeven als het middel ingang wil doen vinden. Het oordeel van het hof dat de gemeente en [verweerder 2] als aandeelhouders een eigen belang hebben bij hun verzet en dat zij daarom zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 2:86d lid 4, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.” 2.4. Voorafgaande aan de hiervoor vermelde procedures heeft de Bronwaterleiding haar statuten twee maal gewijzigd, te weten bij notariële akten van 17 januari 2002 en van 10 augustus 2007. 2.4.1. In de statutenwijziging van 2002 zijn alle aandelen aan toonder geconverteerd in aandelen op naam. In de statuten is voorts bepaald dat de aan de aandelen verbonden rechten eerst weer kunnen worden uitgeoefend nadat de aandeelbewijzen bij de vennootschap zijn ingeleverd. 2.4.2. In de statutenwijziging van 2007 is een splitsing aangebracht tussen aandelen waarvan de aandeelbewijzen (naar aanleiding van de conversie van 2002) waren ingeleverd (categorie A) en overige aandelen (categorie B). Artikel 3.8 van deze nieuwe statuten vermeldt onder meer: “(…) Een conversie van aandelen B in aandelen A is niet mogelijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.