RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/994003-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1959] , wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] . Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt verdachte hierna ook wel aangeduid als ‘ [verdachte] ’. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015 en op 1, 5, 8 en 9 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam. Tijdens de zitting van 23 november 2015, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: in de periode van 1 mei 2012 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, A. twee arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt en/of B. gebruik heeft gemaakt van twee valse arbeidsovereenkomsten, dan wel deze heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad; Feit 2: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 al dan niet samen met anderen van het witwassen van geldbedragen een gewoonte heeft gemaakt. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt. Ten aanzien van het ten laste gelegde gebruik maken van de valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten hebben de officieren van justitie tot vrijspraak gerekwireerd. Met betrekking tot feit 2 achten de officieren van justitie wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] € 318.120,12 heeft witgewassen. De officieren van justitie gaan ten aanzien van het bedrag uit van de bedragen die via verschillende beleggingsfondsen op de bankrekeningen van [verdachte] zijn gestort en vervolgens voor privédoeleinden zijn aangewend. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd: Ten aanzien van feit 1: De verklaring van [verdachte] ‘dat zij nergens van wist en ‘slechts’ huisvrouw was’ wordt ondersteund door de overige verklaringen in het dossier. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier te vinden omtrent haar wetenschap over hetgeen haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte] deed. Haar betrokkenheid bij de ondernemingen van [medeverdachte] is nihil. Als haar gevraagd werd iets te tekenen, dan deed zij dat. Dat geldt ook voor de arbeidsovereenkomsten. De arbeidsovereenkomsten zijn door [verdachte] ondertekend maar zij heeft de inhoud niet gelezen. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om iemand te misleiden. Strafbaarheid is niet aan de orde. [verdachte] heeft geen oogmerk tot misleiding gehad. De feitelijke situatie is leidend voor de beantwoording van de vraag of er aanwijzingen in het dossier zijn waaruit volgt dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard een vals stuk te tekenen. Deze vraag dient ontkennend beantwoord te worden. Binnen een vertrouwensrelatie, in dit geval een huwelijk, is het niet vreemd om op verzoek van je echtgenoot iets te tekenen en er daarbij vanuit te gaan dat dit geen problemen zal opleveren. Van een nauwe en bewuste samenwerking kan niet gesproken worden, daar [verdachte] geen wetenschap had. Haar opzet is nimmer, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht geweest op het grondfeit. Wanneer er wel tot enig opzet gekomen zou worden, dan kan dit hooguit leiden tot medeplichtigheid. Dat is niet ten laste gelegd. Ten aanzien van feit 2: [verdachte] mocht vertrouwen op haar echtgenoot. Hij verzorgde de gehele financiële huishouding. [verdachte] pinde nooit. Als er boodschappen gedaan moesten worden, dan deed zij dat samen met haar echtgenoot. Hij betaalde altijd. [verdachte] kan niet verweten worden dat zij wist dat er eventueel iets mis was. Als er wel sprake zou zijn van wetenschap dan dient vervolgens vastgesteld te worden welk strafbare feit aan het witwassen ten grondslag ligt. Dit zou de oplichting door de beleggingsfondsen van [medeverdachte] kunnen zijn. Echter die oplichting kan niet bewezen worden, waardoor er geen grondfeit is om uiteindelijk witwassen te kunnen bewijzen. De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] alle aan haar ten laste gelegde feiten heeft begaan. 4.3.1 Algemene overweging vooraf Onderhavige zaak maakt onderdeel uit van een groot onderzoek genaamd [medeverdachte] / [fonds] . In dat onderzoek gaat het -kort gezegd- om het aanbieden van obligatieleningen door diverse obligatiefondsen, waarvan de echtgenoot van verdachte, genaamd [medeverdachte] , feitelijk leidinggever is. Het doel van de obligatiefondsen is om, met de door beleggers ingelegde gelden, vastgoedobjecten aan te kopen in Duitsland. Gedurende het onderzoek is verdachte [verdachte] in beeld gekomen, hetgeen geleid heeft tot haar vervolging wegens valsheid in geschrift en witwassen. In de strafzaak tegen [medeverdachte] is de rechtbank bij vonnis van heden tot het oordeel gekomen dat hij zich -kort gezegd- schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van beleggers. 4.3.2 Het bewijs De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 9 mei 2012 is te Amersfoort een arbeidsovereenkomst ondertekend door [A] (hierna: [A] ) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte). Het betreft een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [verdachte] . [verdachte] treedt in dienst bij [bedrijf 1] . Zij ontvangt een vast salaris van € 5.000,-- bruto per maand op basis van een 38-urige werkweek. Op elke pagina van de arbeidsovereenkomst is onderaan bij ‘paraaf werkneemster’ een paraaf gezet. Vervolgens is op 17 september 2013 te Amersfoort wederom een arbeidsovereenkomst ondertekend door [A] en [verdachte] . Het betreft een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [verdachte] . [verdachte] treedt in dienst bij [bedrijf 2] Zij ontvangt een vast salaris van € 5.200,-- bruto per maand op basis van een 37,5-urige werkweek. Op elke pagina van de arbeidsovereenkomst is onderaan bij ‘paraaf werkneemster’ een paraaf gezet. Ter terechtzitting heeft verdachte [verdachte] verklaard dat het haar handtekening is onder de arbeidsovereenkomsten. [verdachte] heeft geen arbeidsverleden en heeft nog nooit gewerkt. [A] heeft verklaard dat [medeverdachte] vertelde dat [verdachte] zou komen werken voor [bedrijf 1] . De handtekening onder de arbeidsovereenkomst is van hem. De arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 2] is in opdracht van [medeverdachte] opgesteld, aldus [A] . [medeverdachte] gaf hem een voorbeeldovereenkomst en zei wat erin moest komen met betrekking tot de voorwaarden en de werkzaamheden. [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn loon op naam van [verdachte] stond, maar dat zij hiervoor geen werkzaamheden heeft verricht. Het loon stond op een verkeerde naam. [medeverdachte] werkte ervoor, [verdachte] deed niets. Het arbeidscontract was, aldus [medeverdachte] , niet juist. Verdachte [verdachte] heeft een bankrekening met nummer [rekeningnummer] en een rekening met nummer [rekeningnummer] . Op deze bankrekeningen van [verdachte] is in de periode van 22 maart 2010 tot en met 20 januari 2014 in totaal € 540.340,12 gestort. Hiervan is (door de rechtbank berekend) € 145.816,00 gestort onder vermelding ‘salaris’ en/of ‘vakantiegeld’ en/of ‘deel salaris’ en/of ‘voorschot salaris’ en/of zonder omschrijving. In dat laatste geval betreft het een bedrag ter grootte van haar maandelijkse salaris dat wordt gestort op of omstreeks een datum waarop zij haar salaris gewoonlijk kreeg uitbetaald. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wist dat zij twee bankrekeningen had. 4.3.3 Aanvullende bewijsoverwegingen Valsheid in geschrift Door de verdediging is kort gezegd aangevoerd dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op het plegen van valsheid in geschrift. [verdachte] tekende de stukken die haar echtgenoot haar voorhield blind. Zij mocht erop vertrouwen dat haar echtgenoot haar geen valse stukken liet ondertekenen. Een arbeidsovereenkomst heeft een bewijsbestemming, namelijk het bewijs van een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer, op basis waarvan een werknemer inkomen genereert. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op elke pagina van de genoemde arbeidsovereenkomsten bij het onderschrift ‘paraaf werkneemster’ haar paraaf heeft gezet. Zij moet om die reden gezien hebben, en dus geweten hebben, dat zij als werkneemster arbeidsovereenkomsten ondertekende. Ook wist zij dat zij geen werkzaamheden zou gaan verrichten. Verdachte heeft immers zoals ze zelf heeft verklaard in haar leven nog nooit gewerkt en dat was op dat moment ook niet haar plan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de arbeidsovereenkomsten opzettelijk valselijk opgemaakt door deze van haar handtekening en paraaf te voorzien, terwijl zij wist dat zij niet voor de werkgevers zou gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank had zij ook het (voor het onder A van feit 1) vereiste oogmerk op het gebruik van deze arbeidsovereenkomsten als ware dezen echt en onvervalst. Immers, niet valt in te zien waarom zij deze arbeidsovereenkomsten die altijd een bewijsbestemming hebben, heeft ondertekend, als deze niet gebruikt zouden worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk valselijk opmaken van de twee arbeidsovereenkomsten. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder B van feit 1 tenlastegelegde gebruik maken, afleveren of voorhanden hebben van bedoelde arbeidsovereenkomsten. Van dat deel van feit 1 wordt zij dan ook vrijgesproken. Witwassen Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] niet wist wat er op haar bankrekeningen gebeurde. Haar echtgenoot maakte gebruik van de rekeningen. [verdachte] had hier geen zicht op. Als er boodschappen gedaan moesten worden, dan deed zij dat samen met haar echtgenoot. Hij pinde. Het scenario dat [medeverdachte] ook gebruik maakte van de rekeningen van verdachte, acht de rechtbank, gelet op de aard van de verschillende overboekingen via deze rekeningen, niet onaannemelijk. Echter, [verdachte] wist dat zij twee bankrekeningen had. Zij was de rechthebbende van haar rekeningen waarop gelden binnen kwamen. Gelet hierop moet zij aangemerkt worden als degene die beschikking had over de geldbedragen. Het lag immers in haar macht geldbedragen van die rekening af te halen en/of over te boeken. Het enkele feit dat medeverdachte [medeverdachte] (ook) over de bankpas beschikte en wist hoe overboekingen gedaan moesten worden, maakt niet dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen met haar rekeningen is gebeurd. Verdachte [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Op basis van de valse arbeidsovereenkomsten zijn er gelden (in de vorm van salaris) op haar bankrekeningen binnengekomen. Dat bij [verdachte] wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrift, staat gelet op de bewijsmiddelen vast. Voornoemde handelingen worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte heeft de gelden afkomstig uit enig misdrijf verworven en/of voorhanden gehad op haar bankrekeningen. Vervolgens heeft zij, al dan niet samen met haar medeverdachte, deze gelden overgedragen en/of omgezet en of daarvan gebruik gemaakt door hiermee betalingen te verrichten. De hoogte van deze salarisbetalingen heeft de rechtbank aan de hand van D-1361 berekend op een bedrag van € 145.816,00. Dit is een optelling van de bedragen die op de rekeningen van verdachte zijn bijgeschreven waarbij uit de omschrijving of uit de datum waarop ze zijn gestort, volgt dat het om salaris gaat. Tevens zijn bedragen op haar bankrekeningen binnengekomen van bankrekeningen van rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte] . [verdachte] had hier geen recht op. Zij heeft in haar leven immers nog nooit gewerkt en ook anderszins bestond voor die betalingen geen reden. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] , als gerechtigde van haar bankrekeningen verantwoordelijk kan worden gehouden voor al hetgeen op haar rekeningen is gebeurd. Zij had meer alert moeten zijn en moeten vermoeden dat er iets mis was met deze gelden. Verdachte heeft zich daarmee dan ook schuldig gemaakt aan schuldwitwassen, maar deze variant van witwassen is haar niet ten laste gelegd. Nu enig bewijs in het dossier ontbreekt voor wetenschap van [verdachte] dat deze gelden afkomstig waren van oplichting, begaan door haar echtgenoot, zal zij worden vrijgesproken van het witwassen van deze overige bedragen. Gelet op de langere duur waarbinnen [verdachte] salaris op haar bankrekeningen gestort kreeg, in samenhang met de duur van de arbeidsperioden, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen. Uit het bewijs volgt tevens dat [verdachte] samen met haar man [medeverdachte] gebruik maakte van de bankrekeningen. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . [medeverdachte] verzorgde de arbeidscontracten op basis waarvan [verdachte] salaris ontving. Ook kon hij beschikken over haar bankpasjes en betalingen verrichten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen van voornoemde bedragen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen voor een bedrag van € 145.816,00. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. op tijdstippen in de periode van 1 mei 2012 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort of elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.