RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummers: 16/994002- 14 ; 16/994070- 14 (gev. tzz) (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1983] , postadres P/a [adres] . Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt verdachte hierna ook wel aangeduid als ‘ [verdachte] ’. Om diezelfde reden wordt de toevoeging ‘B.V.’ bij de verschillende besloten vennootschappen telkens weggelaten. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 en 29 september 2015 en op 1, 5, 6, 9 en 12 oktober
(6131490). [bedrijf 24] boekt € 775.100,-- over naar notaris Sommer in verband met de aankoop van het onroerend goed te [naam] ( [adres] ). Op 21 januari 2014 stond er nog € 321.972,39 op de rekening van [bedrijf 24] . De obligatiehouders in de verschillende [bedrijf 19] -fondsen hebben de aan hen verschuldigde rente uit een mix van [bedrijf 19] -groep inleggeld ontvangen. In totaal € 255.836,--. Voor een bedrag van € 354.163,-- aan [bedrijf 19] inleggeld is aan obligatiehouders [bedrijf 9] , [bedrijf 10] en [bedrijf 1] betaald. Resumé Van de inleggelden uit de [bedrijf 19] -groep van € 6.122.900,-- zijn de volgende bestedingen gedaan: € 1.826.600,-- aankoop van vastgoed € 634.500,-- bedoeld voor [adres] vanuit [bedrijf 19] € 775.100,-- bedoeld voor [adres] vanuit [bedrijf 1] € 582.000,-- besteed aan (rente)betalingen in andere fondsen € 920.000,-- op bankrekeningen € 1.384.700,-- restpost aangewend voor betaling van operationele kosten en privé boekingen aan [medeverdachte 1] , medeverdachten en gelieerde rechtspersonen. Zo is er € 71.718,82 gegaan naar [bedrijf 38] . [bedrijf 4] -fondsen Het eerste [bedrijf 4] -fonds In de periode van 13 oktober 2010 tot en met 14 februari 2011 is door beleggers in totaal € 1.753.250,-- ingelegd in [bedrijf 4] . De gelden worden gestort op de bankrekening van [bedrijf 31] ( [rekeningnummer] ). De eerste inleg komt op 13 oktober 2010 binnen. Twee dagen na de eerste inleg, op 15 oktober 2010, wordt € 2.494,-- en € 6.650,-- overgemaakt naar [bedrijf 28] onder vermelding van ‘verkoopkosten, emissiekosten en structureringskosten’. Van daaruit wordt op de data 15, 18 en 25 oktober, achtereenvolgens € 160,-- + € 160,-- + € 700,-- + € 1.000,-- overgemaakt naar [medeverdachte 1] . Op 29 december 2010 worden rentebetalingen gedaan aan inleggers in [bedrijf 4] uit de eigen inleg. Nog voordat de eerste inleg binnenkomt, wordt op 27 september 2010 een overeenkomst gesloten tussen [bedrijf 38] en [bedrijf 28] . De in de overeenkomst genoemde diensten worden afgenomen ten behoeve van het obligatiefonds [bedrijf 4] . Zo zal [bedrijf 38] zal aan [bedrijf 28] een modeldocument beschikbaar stellen ten behoeve van de uit te geven prospectus. Overeen wordt gekomen dat [bedrijf 28] een vaste vergoeding zal betalen aan [bedrijf 38] van: € 25.000,-- Structureringskosten (gebruik model) € 15.000,-- Emissiekosten € 2.000,-- Kantoorkosten Deze overeenkomst is ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 5] . Door [bedrijf 4] is € 900.000,-- overgemaakt ten behoeve van de aankoop van [adres] . Dit betreft een gezamenlijk aankoop met [bedrijf 5] . De koopovereenkomst voor dit object dateert van 29 september
- De aankoopprijs is € 2.100.000,--. Vervolgens is € 96.133,-- betaald aan boetes wegens het te laat afnemen van het pand. Het tweede [bedrijf 4] -fonds In de periode van 20 mei 2011 tot en met 18 augustus 2011 is door beleggers in totaal € 2.244.200,-- ingelegd in [bedrijf 5] . De gelden worden gestort op de bankrekening van Stichting Obligatiehouders [bedrijf 5] ( [rekeningnummer] ). Op 14 juni 2011 worden grote bedragen overgemaakt naar [bedrijf 5] en [bedrijf 28] onder vermelding van ‘conform leenovereenkomst’. Door [bedrijf 5] is € 1.200.000,-- overgemaakt ten behoeve van de aankoop van [adres] . In totaal is er dus € 2.446.000,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed, uit een gecombineerde inleg. Dat is 61% van de inleg. Het derde [bedrijf 4] -fonds In de periode van 1 november 2011 tot en met 6 februari 2012 is door beleggers in totaal € 2.274.875,-- ingelegd in [bedrijf 6] . Door [bedrijf 6] is € 419.000,-- en € 450.000,-- en € 303.100,-- betaald voor de aankoop van onroerend goed aan de [adres] , de [adres] en [adres] en [adres] . In totaal is er voor € 1.172.100,-- aan onroerend goed aangekocht. Dat is 52% van de inleg. Op 21 januari 2014 stond er nog € 928,32 op de rekening van [bedrijf 34] . [medeverdachte 6] heeft op 15 november 2011 middels een e-mail gericht aan [medeverdachte 5] € 10.000,--gedeclareerd aan [bedrijf 6] onder vermelding ‘Voorschot Advieskosten Aankoop Vastgoed Duitsland’ met notanummer
- Onderaan de e-mail staat vermeld ‘ [naam] Vastgoedadviseurs’. Op 15 november 2011 is vanaf de bankrekening van [bedrijf 6] € 10.000,-- overgemaakt naar [medeverdachte 6] onder vermelding van ‘voorschotnota advieskosten’. Over de naam [naam] heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij deze naam bedacht had om uit de administratie niet duidelijk te laten worden dat hij deze extra vergoeding kreeg. Door een factuur op een andere naam uit te reiken heeft [medeverdachte 6] , naar eigen zeggen, bewust meegewerkt aan het onjuist voorstellen van zaken aan de obligatiehouders. De factuur is aangetroffen op het adres van [bedrijf 28] te [vestigingsplaats] in de map ‘Facturen betaald 2012’. Op 23 februari 2012 heeft [medeverdachte 6] , uit naam van [naam] Vastgoedadviseurs, € 40.162,50 gefactureerd aan [bedrijf 4] onder vermelding ‘Advieskosten Vastgoed in Duitsland’. De factuur is gericht aan [medeverdachte 5] en heeft notanummer
- Blijkens de factuur moet nog € 8.662,50 voldaan worden van het totaal. Dit bedrag is op 9 maart 2012 van de rekening van [bedrijf 28] overgemaakt naar [medeverdachte 6] . Uit de toelichting bij de nota volgt dat de nota ziet op [bedrijf 6] en dat de hoogte van het gedeclareerde bedrag is gebaseerd op een percentage van 1.5% van de totale inleg in dit fonds. De factuur is aangetroffen op het adres van [bedrijf 28] te [vestigingsplaats] in de map ‘ [bedrijf 6] . Fin’. Het vierde [bedrijf 4] -fonds In de periode van 10 april 2012 tot en met 30 juli 2012 is door beleggers in totaal € 2.377.250,-- ingelegd in [bedrijf 7] . De gelden zijn gestort op de rekening van [bedrijf 34] ( [rekeningnummer] ). Door [bedrijf 7] is € 440.000,-- en € 353.100,-- en € 471.600,-- betaald in verband met de aankoop van onroerend goed [adres] en [adres] , als ook [adres] . In totaal is voor € 1.264.700,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed. Dat is 53 % van de inleg. Op 21 januari 2014 stond er nog € 928,32 op de rekening van [bedrijf 34] . De huurpenningen van de verhuur van het aangekochte onroerend werd deels gebruikt om operationele kosten mee te betalen, als ook salarissen en voor het doen van betalingen aan [naam] (een vennootschap van [medeverdachte 1] ) en [bedrijf 38] (zoals hiervoor al vermeld, een vennootschap van [verdachte] ). Het vijfde [bedrijf 4] -fonds In de periode van 8 maart 2013 tot en met 13 mei 2013 is door beleggers in totaal € 4.383.225,-- ingelegd in [bedrijf 8] . De gelden zijn gestort op de rekening van [bedrijf 8] ( [rekeningnummer] ). Door [bedrijf 8] Beheer I is een koop gesloten voor € 580.000,-- betreffende [adres] . Door [bedrijf 8] Beheer II is een koopcontract gesloten voor een bedrag van € 2.160.000,-- betreffende [adres] . Met betrekking tot deze kopen waren nog geen gelden naar notarissen overgemaakt. Op 21 januari 2014 stond er nog € 1.654.568,22 op de rekening van [bedrijf 8] . Resumé In voornoemde vijf [bedrijf 4] -fondsen is in totaal € 13.032.800,-- ingelegd. Hiermee zijn de volgende bestedingen gedaan: € 4.882.800,-- aankoop vastgoed € 1.270.000,-- (rente)betalingen in andere fondsen € 2.288.000,-- nog niet uitgegeven € 4.592.000,-- (restpost) uitgegeven aan betaling van operationele kosten en betalingen aan verdachten en aan hen gelieerde rechtspersonen. Zo is een bedrag van € 910.749,50 gegaan naar [naam] . [medeverdachte 1] is de bestuurder, en alleen/zelfstandig bevoegde, van deze rechtspersoon. Per saldo is hiervan € 542.800,-- naar de privérekeningen van [medeverdachte 1] en zijn echtgenote [medeverdachte 2] overgeboekt. Van de [bedrijf 4] -inleg is ook € 554.153,95 is naar [bedrijf 38] overgemaakt. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben daarnaast respectievelijk € 83.050,-- en € 51.621,66,-- aan onkostenvergoedingen aan de [bedrijf 4] groep onttrokken door overschrijvingen naar hun privérekeningen. Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat het klopt dat de couponrente niet volledige door de huurpenningen kon worden gedragen. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat er van de inleg normaliter 10% af gaat aan fondskosten, wat betekent dat zo’n € 1.200.000,-- afgetrokken moet worden van het bedrag van € 13.000.000,--. Het restant van het ingelegde geld zou dan moeten zijn aangewend voor de betaling van vastgoed inclusief de bijbehorende aankoopkosten zoals makelaarskosten, kosten notaris, overdrachtsbelasting en taxatiekosten. Op 3 juni 2013 stuurt [medeverdachte 6] een factuur aan [bedrijf 28] voor een bedrag van € 10.000,--. De factuur is gericht aan [medeverdachte 5] . Op 17 juni 2013 is van de bankrekening van [bedrijf 35] € 10.000,-- overgeschreven naar [medeverdachte 6] . In de begeleidende e-mail, gericht aan [medeverdachte 5] en [verdachte] , staat dat dit te maken heeft met het volstorten van het [naam] fonds binnen de 4,5 maand. [medeverdachte 6] heeft hierover verklaard dat dit een extra vergoeding betrof naast de maandelijkse vergoeding die hij kreeg voor de eerste twee [bedrijf 4] fondsen. Met [naam] fonds bedoelde [medeverdachte 6] [bedrijf 8] . 4.3.3.5 De beleggers [bedrijf 9] en [bedrijf 10] [C] (hierna: [C] ) heeft op 7 december 20101 ingeschreven in [bedrijf 10] ad € 20.400,--. Op 25 januari 2011 schreef [C] zich een tweede keer in voor € 20.200,--. Hieraan voorafgaand had hij een prospectus aangevraagd. [C] ging ervan uit dat zijn inleg besteed zou worden, zoals in het prospectus stond vermeld. Ongeveer 90% zou voor de aankoop van onroerend goed gebruikt moeten worden. [C] heeft verklaard dat hij nooit zou hebben belegd als hij niet het vertrouwen had gehad dat men niet zou doen wat in het prospectus vermeld stond. [getuige 7] (hierna: [D] ) heeft het prospectus van [bedrijf 10] aangevraagd en op 4 april 2011 een bedrag van € 30.600,-- overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 40] . Hij had de indruk dat er voor € 1.670.000,-- aan onroerend goed was gekocht. Op basis van de inhoud van het prospectus had [D] niet het vermoeden dat zijn inleg niet of slechts gedeeltelijk aangewend zou kunnen worden voor de aankoop van onroerend goed. Evenmin gaf het prospectus hem aanleiding te vermoeden dat de inleggelden aangewend zouden worden om couponrentebetalingen mee te doen. [E] (hierna: [E] ) heeft via internet de brochure voor [bedrijf 9] aangevraagd. Hij investeerde € 306.000,-- en schreef dit bedrag over op 8 april 2010 naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 41] te [vestigingsplaats] . [E] heeft zijn inleg niet teruggekregen. [F] (hierna: [F] ) heeft op 10 januari 2011, na lezing van het prospectus, € 20.000,-- belegd in [bedrijf 10] . Ze had vertrouwen dat men uit zou voeren wat in het prospectus beschreven werd. Tot 1 oktober 2012 kreeg zij haar couponrente uitbetaald door [bedrijf 42] uit [vestigingsplaats] en na die tijd door [bedrijf 11] . Aan de hand van het prospectus had zij het volste vertrouwen dat haar belegging goed besteed zou worden. [G] (hierna: [G] ) ontving informatie van [bedrijf 9] met daarbij gevoegd het prospectus. Na ontvangst van het prospectus heeft [G] ingeschreven in [bedrijf 9] . Hij maakte € 20.400,-- over naar Stichting [bedrijf 14] . Op 25 maart 2010 kreeg hij een bevestiging dat zijn inschrijving was ontvangen. Als [G] van te voren had geweten dat het inleggeld niet, of slechts gedeeltelijk zou worden aangewend voor de aankoop van vastgoed dan had hij niet belegd in [bedrijf 9] . Ook zou hij niet ingelegd hebben als hij had geweten dat de couponrentebetalingen uit de inleggelden werden betaald. [bedrijf 1] [D] zag een advertentie in beleggingsblad [naam] . Hij besloot mee te participeren in [bedrijf 1] voor een bedrag van € 50.000,--. De emissiekosten bedroegen € 1.000,--. Op 31 oktober 2011 schreef hij zich in en op 7 november 2011 ontving [D] een bevestiging van zijn betaling. Op basis van de inhoud van het prospectus had [D] niet het vermoeden dat zijn inleg niet of slechts gedeeltelijk aangewend zou kunnen worden voor de aankoop van onroerend goed. Evenmin gaf het prospectus hem aanleiding te vermoeden dat de inleggelden aangewend zouden worden om couponrentebetalingen mee te doen. [getuige 5] schreef op 19 december 2011 in in [bedrijf 1] . Op 3 januari 2012 ontving zij een bevestiging van de inschrijving van € 20.000,--. Ook maakte ze € 400,-- emissiekosten over. Voorafgaand aan de deelname zag zij het prospectus in. Volgens [getuige 5] zou in principe het totale bedrag van € 2.644.000,--, zoals omschreven in het prospectus, in vastgoed geïnvesteerd worden. [H] (hierna: [H] ) ontving ongevraagd een brief waarin stond dat hij mee kon doen aan het fonds [bedrijf 1] . Hierop vroeg [H] het prospectus aan. Op 30 september 2011 maakte hij € 20.000,-- en € 400,-- emissiekosten over naar de bankrekening van Stichting [bedrijf 18] . Op 10 oktober 2011 maakte hij nog eens € 20.400,-- over. [I] (hierna: [I] ) ontving een brief met een vooraankondiging van [bedrijf 1] . De vooraankondiging was de aanleiding om het prospectus aan te vragen. Nadat hij het prospectus had gelezen stuurde [I] zijn inschrijfformulier in. [I] schreef zich in voor € 50.000,--. Op 16 november 2011 maakte hij € 51.000,-- over naar de bankrekening van Stichting [bedrijf 18] . [I] heeft verklaard dat hij niet belegd zou hebben als hij had geweten dat het inleggeld niet aangewend zou worden voor de aankoop van onroerend goed, of als hij had geweten dat de couponrentebetalingen uit de inleggelden betaald werden. [J] (hierna: [J] ) ontving per post een vooraankondiging voor het fonds [bedrijf 1] . Hij vroeg de brochure aan, nam deze door en besloot om in [bedrijf 1] te beleggen. [J] legde € 20.000,-- in en maakte op 29 september 2011 € 20.400,-- over naar de bankrekening van Stichting [bedrijf 18] Als uit de toegestuurde informatie en stukken van [bedrijf 1] duidelijk had kunnen worden dat niet de hele inleg besteed zou worden aan de aankoop van onroerend goed, dan zou [J] niet zijn gaan inleggen. [bedrijf 19] Naast [bedrijf 1] heeft [J] ook in [bedrijf 19] belegd. Hij ontving een vooraankondiging, vroeg het prospectus aan en stortte zijn inleg. In de fondsen [bedrijf 19] , [bedrijf 24] en [bedrijf 21] legde hij elk € 20.000,-- in. Dit deed hij op 16 mei 2012, 28 mei 2013 en op 25 oktober
- Als [J] van te voren had geweten dat slechts een gedeelte van de inleg gebruikt zou worden voor onroerend goed, dan was hij niet met de fondsen in zee gegaan. Evenmin was hij er mee in zee gegaan als hij had geweten dat vastgoed werd aangekocht met de inleg uit een ander fonds of de couponrente werd betaald met de inleg. [B] (hierna: [B] ) ontving een vooraankondiging van [bedrijf 19] en vroeg het prospectus aan. Op 30 januari 2013 maakte hij zijn deelname van € 100.000,-- over. In het tweede kwartaal van 2013 ontving [B] een vooraankondiging van [bedrijf 21] . Hij vroeg het prospectus aan. Op 12 en 30 juni 2013 maakte hij zijn deelname over, ieder € 50.000,--. Eind 2013 ontving [B] een vooraankondiging van [bedrijf 24] . Wederom vroeg hij het prospectus aan. Op 7 november 2013 maakte hij € 50.000,-- over en op 6 januari 2014 nog eens. In de beleving van [B] zou het totale geld in de fondsen geïnvesteerd worden in vastgoed. [bedrijf 4] [C] werd ook aangeschreven voor de [bedrijf 4] beleggingen en vroeg een prospectus aan. Op 25 mei 2011 legde hij € 15.300,-- in in [bedrijf 5] . Op 17 april 2012 legde hij nog eens € 25.000,-- in in [bedrijf 7] en vervolgens nog € 10.000,-- op 8 mei 2013 in [bedrijf 8] . [C] heeft verklaard dat hij nooit zou hebben belegd als hij niet het vertrouwen had gehad dat men niet zou doen wat in het prospectus vermeld stond. Net als haar echtgenoot, heeft ook [F] geïnvesteerd in [bedrijf 4] . Op 17 april 2012, na het prospectus te hebben gelezen, nam zij een obligatie van € 25.000,-- in [bedrijf 7] . Op 3 mei 2014 legde zij nog eens € 10.000,-- in in [bedrijf 8] . Hieraan voorafgaand vroeg zij het prospectus aan, las dit door en besloot te investeren. Aan de hand van het prospectus had zij het volste vertrouwen dat haar beleggingen goed besteed zouden worden. Naast zijn belegging in [bedrijf 19] , heeft [B] ook in [bedrijf 4] geparticipeerd. Hij ontving per post een vooraankondiging en vroeg vervolgens het prospectus aan. Het prospectus gaf hem vertrouwen. Op 13 december 2011 maakte hij zijn deelname in [bedrijf 6] van € 50.000,--. Vervolgens ontving [B] een vooraankondiging voor [bedrijf 7] . Wederom vroeg hij het prospectus aan. Achtereenvolgens op 12 en 27 juni 2012 maakte hij € 91.000,-- en € 10.000,-- over. Begin 2013 ontving [B] een vooraankondiging voor [bedrijf 8] . Hij vroeg het prospectus aan. Op 5 april 2013 stortte hij zijn deelname van € 95.000,--. In de beleving van [B] zou het totale geld in de fondsen geïnvesteerd worden in vastgoed. [H] ontving eveneens een vooraankondiging en een prospectus voor [bedrijf 4] welke hij doornam. [H] legde € 15.300,-- evenals zijn vrouw. Dat was in oktober
- Daarna ontving hij een vooraankondiging en een prospectus voor [bedrijf 5] . Ook hierin legden beiden € 15.300,-- in, dat was in juli
- [K] (hierna: [K] ) kwam via een mailing in aanraking met [bedrijf 5] . Hierna vroeg hij een brochure en een prospectus aan. In totaal investeerde hij voor € 20.000,--. [K] maakte op 7 juni 2011 € 20.400,-- over naar de bankrekening van [bedrijf 32] . 4.3.4 Bewijsoverwegingen 4.3.4.1 Oplichting De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de beleggers in de diverse fondsen heeft opgelicht. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende: Uit de hiervoor in paragraaf 4.3.3.5 opgenomen bewijsmiddelen volgt dat aan beleggers vooraankondigingen en/of prospectussen zijn verstuurd met daarin informatie over de obligatieleningen die door [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] , [bedrijf 19] , [bedrijf 21] , [bedrijf 24] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] werden aangeboden. De vooraankondigingen en/of prospectussen hadden tot doel om eventuele beleggers te interesseren in, en te informeren over, de obligatieleningen van de diverse fondsen. In de prospectussen was informatie opgenomen die niet strookte met de werkelijkheid. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de stichtingen niet onafhankelijk van de fondsen opereerden en hun taken niet hebben uitgevoerd, en ook niet konden uitvoeren, op een wijze als omschreven in de prospectussen. Onder meer uit de verklaring van [medeverdachte 3] volgt dat [medeverdachte 1] de stichtingen [bedrijf 14] en [bedrijf 18] kon ‘overrulen’. Hij had de uiteindelijk doorslaggevende stem. Daarbij zijn door [medeverdachte 3] betalingen aan hemzelf en zijn BV gedaan, terwijl duidelijk uit de prospectussen volgt dat [medeverdachte 3] geen vergoeding vanuit de fondsen zou ontvangen. Voor wat betreft de drie [bedrijf 19] -stichtingen blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en [X] dat het uiteindelijk [medeverdachte 1] was die besliste wat er met de inleggelden gebeurde en dat [X] , de bestuurder van de stichtingen, geacht werd zonder dralen geld over te maken als dat gevraagd werd. Ook blijkt dat de [bedrijf 19] -stichtingen niet conform hun doelstelling hebben gehandeld. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat van de totale inleg van € 6.122.900,--, slechts € 1.826.600,-- is gebruikt voor de aankoop van onroerend goed. De rest van het geld is onder andere gebruikt voor betalingen in andere fondsen en privébetalingen ten behoeve van verdachte en diens familieleden. Alleen al dit gegeven maakt dat de stichtingen niet in het belang van de beleggers hebben gehandeld. De stichtingen mochten alleen gelden vrijgeven voor de aankoop van onroerend goed. Dat is niet gebeurd.Ten aanzien van de [bedrijf 4] stichtingen heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij geen controle heeft uitgevoerd op waar het geld van de stichtingen voor werd gebruikt. Hij had geen zicht op de geldstromen, maar gaf wel voor alle geldleningen zijn fiat. Ook heeft [medeverdachte 6] , terwijl hij bestuurder was van de stichtingen, grote bedragen gefactureerd aan [bedrijf 4] -fondsen onder de noemer ‘advieswerkzaamheden’. [medeverdachte 6] deed dit uit een andere naam om uit de administratie niet duidelijk te laten worden dat hij een extra vergoeding kreeg. Door op voornoemde wijze te handelen kan niet gezegd worden dat [medeverdachte 6] als bestuurder van de stichtingen onafhankelijk gehandeld heeft. Uit het voorgaande volgt dat de inleggelden op de bankrekeningen van de stichtingen deels niet conform het aankoopbeleid vrijgegeven werden. Dit beeld wordt bevestigd als gekeken wordt naar het feitelijke aankoopbeleid binnen de fondsen. Voor zover onroerend goed in Duitsland is aangekocht, is dit immers niet conform hetgeen in de prospectussen werd voorgespiegeld, gebeurd. Van de inleg in [bedrijf 9] is slechts € 498.000,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed. In [bedrijf 10] is van de € 1.670.300,-- een bedrag van € 326.000,-- gebruikt voor de aankoop binnen [bedrijf 9] . Door [bedrijf 10] en [bedrijf 1] zelf is niets aangekocht. Terwijl in beide fondsen tezamen € 2.800.800,-- is ingelegd. Van de totale inleg in de [bedrijf 19] -fondsen van € 6.122.900,-- is € 1.826.600,-- aangewend voor de aankoop van onroerend goed. Met betrekking tot de [bedrijf 4] -fondsen is van de totale inleg van € 13.032.800,-- slechts € 4.882.800,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed. Alles bij elkaar genomen is € 24.067.800,-- ingelegd, waarvan € 7.533.400,-- is besteed aan onroerend goed. Dat is ongeveer 31% van de totale inleg. Uit een berekening die de rechtbank heeft gemaakt aan de hand van de inhoud van de prospectussen, volgt daarentegen juist dat in de prospectussen (telkens) zo’n 8% à 14 % is berekend aan eenmalige fondskosten (zoals structureringskosten, advieskosten, due diligence kosten, marketingkosten, oprichtingskosten) en dat de overige inleggelden besteed zouden worden aan de aankoop van onroerend goed. Uit het voorgaande volgt dat -anders dan in de prospectussen opgenomen- in beperkte mate investeringen zijn gedaan en dat daarentegen hoge kosten zijn gemaakt. Aanzienlijke delen van de geïnvesteerde gelden zijn niet ingezet ten behoeve van de beleggers en het te behalen rendement. Zelfs als, zoals naar voren is gebracht, de inleg van het laatste [bedrijf 4] fonds buiten deze berekening wordt gelaten, is er geen sprake van dat het deel van de inleg dat is besteed aan onroerend goed, in overeenstemming is met het in de prospectussen voorgewende deel. Uit de bankafschriften volgt ook dat vrijwel direct nadat de eerste inleggelden binnenkomen op de bankrekeningen van de stichtingen, deze inleggelden worden vrijgegeven om couponrentebetalingen te voldoen. Tevens zijn grote geldbedragen, al dan niet indirect, weggevloeid naar verdachte en diens familieleden c.q. naar zijn medeverdachten en aan hen koppelen rechtspersonen. Ook dit is in strijd met hetgeen in de prospectussen staat. De ingelegde gelden mochten enkel door de stichtingen vrijgegeven worden ten behoeve van de aankoop van onroerend goed. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet is veel minder onroerend goed aangekocht dan in de prospectussen voorgespiegeld, terwijl in sommige fondsen al het ingelegde geld is verdwenen en is sommige andere fondsen nagenoeg al het ingelegde geld is verdwenen. Omdat er door de fondsen geen, dan wel veel minder, onroerend goed is aangekocht dan voorgespiegeld in de prospectussen, waren ook de huuropbrengsten niet gegarandeerd. Met de huuropbrengsten zouden de couponrentebetalingen voldaan worden en ook dat is derhalve niet gebeurd. De couponrente waar de inleggers recht op hadden werd voor het overgrote deel betaald uit hun eigen inleg of de inleg in andere fondsen. Voorts zijn de aanwezige risico’s van de beleggingen in de prospectussen geminimaliseerd, door teksten op te nemen als: ‘het vastgoed ligt uitsluitend in regio’s waar de vraag naar huurappartementen groot is, zodat leegstand wordt beperkt en waardedaling van het vastgoed wordt voorkomen’. En door op te nemen dat een derde partij garant zal staan wanneer het fonds niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Ten aanzien van het eerste [bedrijf 4] fonds is bijvoorbeeld opgenomen: ‘het risico dat [bedrijf 39] niet aan haar verplichting kan voldoen acht het bestuur nihil, omdat de Duitse deelstaat [vestigingsplaats] de huurder is’. Voor de fondsen van [bedrijf 10] is in de prospectussen verwezen naar een garantiestelling door [bedrijf 11] , waarvan [verdachte] ter terechtzitting heeft verklaard dat dit in de prospectussen was opgenomen, omdat dat moest om onder de Wft-vrijstelling te kunnen opereren. De voorgestelde gang van zaken gaf het beeld dat een investering in -een van de-voornoemde fondsen een zeer beperkt risico had. Door dit aan de inleggers voor te spiegelen, werden zij bewogen gelden in te leggen in een ogenschijnlijke zeer beperkt risicodragende obligatieovereenkomst met de fondsen. Zonder deze informatie waren zij daartoe niet overgegaan, zo blijkt uit de verklaringen van beleggers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat mensen die geïnteresseerd zijn in het beleggen van hun gelden zich –alvorens daartoe over te gaan– (direct of indirect) laten informeren. Het is gebruikelijk dat dit gebeurt na bestudering van een prospectus, dan wel andere informatie, van het betreffende beleggingsproduct. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat mensen hun gelden beleggen om daar rendement uit te halen. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de wederrechtelijkheid besloten ligt in de onwaarheden die zijn opgenomen in het prospectus en/of brochures en/of anderszins gegeven informatie, waardoor beleggers bewogen zijn gelden in te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten zich hebben bediend van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels door bedrieglijk en in strijd met de waarheid in de prospectussen en de brochures de in de bewijsmiddelen opgenomen zekerheden en informatie aan de beleggers voor te spiegelen, wetende dat deze niet bestonden of op geen enkele wijze waargemaakt zouden worden. Van een bonafide belegging is geen sprake geweest. Door gelden aan te trekken van beleggers onder het voorwendsel dat met die gelden onroerend goed in Duitsland gekocht zou worden, terwijl die gelden voor het overgrote deel en reeds vanaf de eerste inleg, werden doorgesluisd naar en gebruikt werden door verdachte en zijn medeverdachten voor geheel andere doeleinden, is de rechtbank van oordeel dat het het oogmerk bestond op de wederrechtelijke bevoordelingen van verdachten zelf en anderen en dat er sprake was van oplichting. 4.3.4.2 Het feitelijk leidinggeven en het medeplegen De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting in de [bedrijf 4] fondsen. Voor wat betreft de overige fondsen hebben zij het standpunt ingenomen dat er sprake is van medeplegen van oplichting. Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] geen feitelijk leiding heeft gegeven aan de fondsen [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -fondsen. Aan de [bedrijf 4] -fondsen heeft hij wel feitelijk leidinggegeven, maar in die fondsen is -aldus de verdediging- geen sprake geweest van oplichting. De [bedrijf 4] -fondsen De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 4.3.4.1 reeds is uiteengezet dat van oplichting binnen de verschillende fondsen, waaronder de [bedrijf 4] -fondsen, wel sprake is geweest. De rechtbank merkt verdachte daarvan, gelijkluidend zijn eigen verklaringen, aan als de feitelijk leidinggever en opdrachtgever, welke leiding en opdracht verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking heeft begaan met zijn mededader [medeverdachte 1] . Voor dit oordeel heeft de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt genomen. Voor wat betreft die criteria is allereerst van belang de vraag of de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen als normadressaat kunnen worden aangemerkt van de ten laste gelegde oplichting en de rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de oplichting in redelijkheid aan de rechtspersonen toegerekend kan worden. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval waaronder de aard van de verboden gedraging. Daarbij is een belangrijk oriëntatiepunt het antwoord op de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gelet op de bewijsmiddelen, sprake. Verdachte en zijn medeverdachten waren betrokken bij de onder parketnummer 16/994070- 14 ten laste gelegde feiten en waren feitelijk werkzaam voor de genoemde rechtspersonen. Hun werkzaamheden bestonden onder meer in het interesseren van beleggers om vervolgens obligatie-overeenkomsten met hen te sluiten, hetgeen past binnen de normale bedrijfsuitoefening van de genoemde rechtspersonen. In dit verband wordt verwezen naar paragraaf 4.3.2.1 en de daarin opgenomen omschrijvingen van de activiteiten van de rechtspersonen blijkens de uittreksels KvK. Deze gedragingen zijn de rechtspersonen dienstig geweest. Immers, de aangetrokken investeerders stortten hun inleg op bankrekeningen van stichtingen gelieerd aan de rechtspersonen die de obligatieleningen uitgaven. De stichtingen boekten de ingelegde gelden vervolgens door naar de rechtspersoon die fungeerde als exploitatie-/werkmaatschappij, zodat onroerend goed in Duitsland aangekocht kon worden. De rechtspersonen konden zodoende over de ingelegde gelden beschikken. Het lag binnen de invloedssfeer van de diverse rechtspersonen wat er met deze gelden gebeurde. Ten derde is de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat [verdachte] aan deze gedragingen van de rechtspersonen feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven. Daarvan is sprake indien: a. hij maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en hij b. bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd. Uit de hiervoor in de paragraaf 4.3.2.2 weergegeven bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] het voor het zeggen had binnen de [bedrijf 4] vennootschappen. Ter terechtzitting heeft hij tevens verklaard dat de dagelijkse leiding feitelijk bij hem lag. Medeverdachte [medeverdachte 1] bepaalde mede wat er binnen de [bedrijf 4] vennootschappen gebeurde. Zo werden belangrijke beslissingen, zoals het aankopen van onroerend goed, genomen nadat [verdachte] en [medeverdachte 1] daarover met elkaar hadden gesproken. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting door de [bedrijf 4] vennootschappen. De overige fondsen Ten aanzien van [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] -Holland en de [bedrijf 19] -fondsen overweegt de rechtbank als volgt. Uit paragraaf 4.3.3.2 volgt weliswaar dat [verdachte] betrokkenheid had bij de fondsen [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -lijn, maar daaruit volgt niet dat hij feitelijk leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan de verboden gedragingen van deze rechtspersonen. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] bij [bedrijf 9] betrokken is geweest als verkoper van de obligatieleningen. Ook heeft hij meegeholpen aan het opstellen van het prospectus. Bij [bedrijf 10] raakte hij meer betrokken. Naar de [naam] presenteerde [verdachte] zich als iemand met recht van spreken binnen de organisatie. Wanneer men geen contact kon krijgen met [medeverdachte 1] , werd contact gezocht met [verdachte] . Ook bij [bedrijf 1] is [verdachte] betrokken geweest. Hij had daar een meewerkende en meedenkende rol, maar was niet beslissingsbevoegd. In de periode dat de inleggelden in [bedrijf 1] binnen begonnen te komen, was [verdachte] bezig met het oprichten van het eerste [bedrijf 4] -fonds. Terwijl [verdachte] , als feitelijk leidinggever, bezig was met de [bedrijf 4] -fondsen, had hij ook bemoeienis met de [bedrijf 19] -fondsen. Het bedrijf van [verdachte] , [bedrijf 38] , werd ingehuurd om het product van het eerste [bedrijf 19] -fonds te verkopen en adressenbestanden aan te leveren. [verdachte] belde ook zelf naar geïnteresseerden, droeg een pand in [naam] aan en benaderde [X] om bestuurder te worden van de [bedrijf 19] -stichtingen. Gelet op de data waarop de verschillende fondsen in het leven zijn geroepen en de rol die [verdachte] daarin had, ontstaat het beeld dat [verdachte] binnen [bedrijf 9] , [bedrijf 10] en [bedrijf 1] van zijn vader [medeverdachte 1] het vak heeft geleerd. Vervolgens heeft [verdachte] zijn eigen fondsenstructuur opgezet en was ondertussen zijdelings betrokken bij de [bedrijf 19] -fondsen. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het voorgaande, niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan de oplichting begaan door [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -fondsen. Hij zal van het aan hem onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Voor de beoordeling van de vraag of verdachte wel als medepleger van de oplichting aangemerkt kan worden, zoals subsidiair onder de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegd, heeft de rechtbank de door de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2014:3474) geformuleerde criteria gehanteerd. Er moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Of er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er dus om dat verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Uit het voorgaande, in combinatie met de inhoud van de paragrafen 4.3.3.1, 4.3.3.2 en 4.3.3.4 volgt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten in [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -lijn. Verdachte heeft meegeholpen met het opstellen van de prospectussen van [bedrijf 9] en [bedrijf 10] . Hij heeft potentiële beleggers benaderd en mensen te woord gestaan. Ook heeft hij onroerend goed aangedragen voor het fonds [bedrijf 19] . Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat met het geld van beleggers in de fondsen [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -lijn iets anders werd gedaan dan voorgespiegeld. Hieraan heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd, onder meer door gelden te onttrekken door tussenkomst van zijn vennootschap [bedrijf 38] . De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte [verdachte] zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten binnen [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 1] en de [bedrijf 19] -lijn dat sprake is van medeplegen van het onder feit 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen. 4.3.4.3 Witwassen Verdachte wordt onder feit 6 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij zich al dan niet tezamen met anderen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting en samen met een ander feitelijk leiding gegeven aan oplichting gepleegd door diverse rechtspersonen. Deze rechtspersonen maakten onderdeel uit van een structuur van rechtspersonen, waarvan het gezamenlijke doel was het aantrekken van gelden van investeerders (beleggers). Uit de bewijsmiddelen volgt dat beleggers door valse voorwendselen zijn bewogen om geld te investeren en zijn opgelicht. Dit investeren doen zij door hun inleg over te boeken naar de bankrekening van stichtingen gelieerd aan de obligatiefondsen ofwel aan de obligatiefondsen zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een constructie waarin beleggers worden opgelicht. De door hun ingelegde gelden zijn door misdrijf, te weten oplichting, verkregen. Vervolgens is een groot deel van dit geld overgeboekt, ofwel omgezet, naar allerhande andere rekeningen van andere rechtspersonen/fondsen en zijn daarmee betalingen verricht en privé-onttrekkingen gedaan. Hierdoor is de criminele herkomst van de gelden verborgen of verhuld. De rechtbank sluit hierbij aan bij de arresten van de Hoge Raad d.d. 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2001) en 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX4449). Van het totaal aan ingelegde gelden, te weten € 3.781.600 en € 1.130.500,-- en € 6.122.900,-- en € 13.032.800,-- kan de rechtbank niet eenvoudigweg vaststellen van wiens misdrijf (binnen de constructie van de diverse rechtspersonen) dit afkomstig is of het is overgedragen of omgezet. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat op sommige bankrekeningen van de rechtspersonen nog gelden staan. Ook ten aanzien van deze gelden kan de rechtbank, gelet op het heen en weer schuiven met geld tussen verschillende bankrekeningen van verschillende vennootschappen, de herkomst niet meer vaststellen. Dit geld heeft zich op deze wijze vermengd met de andere van misdrijf afkomstige gelden op de verschillende rekeningen. Om die reden merkt de rechtbank ook de het geldbedragen die nog op bankrekeningen staan aan als zijnde witgewassen. Zo oordelend merkt de rechtbank het volledige bedrag (te weten: € 3.781.600 + € 1.130.500,-- + € 6.122.900,-- + € 13.032.800,-- = € 24.067.800,--) aan als zijnde witgewassen. Gelet op de langere duur waarin beleggers zijn opgelicht en de door hen ingelegde gelden zijn omgezet, is er tevens sprake van de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen. Uit hetgeen in paragraaf 4.3.3.2 in relatie tot 4.3.3.4 en 4.3.4.2 reeds naar voren is gekomen, volgt dat tussen [verdachte] en zijn mededaders bij de uitvoering van de oplichting, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek
- genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 16/994002- 14
- Subsidiair op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen hebben bewogen tot de (girale) afgifte van geldbedragen, van in totaal EURO 3.781.600,-, te weten onder meer - [C] (G-006) EURO 40.600,-, op of omstreeks 7 december 2010 en 4 februari 2011 en - [getuige 7] (G-010) EURO 30.600,-, op 5 april 2011 en - [E] (G-001) EURO 306.000, -, op 8 april 2010 en - [F] (G-017) EURO 20.400,-, omstreeks 11 januari 2011 en - [G] (G-005) EURO 20.400,-, op 23 maart 2010, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid bedoelde personen via prospectussen en/of brochures en/of op een andere wijze, benaderd en geïnteresseerd in de deelname aan een of meer obligatieovereenkomsten in de fondsen [bedrijf 9] ( [bedrijf 9] ) en [bedrijf 10] ( [bedrijf 10] ) en daarbij voorgewend dat -ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in de aankoop van in het prospectus als referentieobject genoemde vastgoedobjecten in Duitsland en -de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat een bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en - de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van het onroerend goed in het fonds en voor kosten in verband met de aankoop van het onroerend goed en in verband met (de oprichting van) het obligatiefonds -De Stichting [bedrijf 14] , onafhankelijk zou worden bestuurd, en onafhankelijk toezicht zou houden op het aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en de gelden voor aankoop van het onroerend goed pas vrij zou geven wanneer aan alle voorwaarden in de prospectussen zou zijn voldaan en -er zekerheden waren en -er zekerheden zouden worden ondergebracht in de Stichting [bedrijf 14] , te weten de verkrijging van het recht van een eerste hypo