RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/994035-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1951] , wonende te [adres] , [woonplaats] . Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt verdachte hierna ook wel aangeduid als ‘ [verdachte] ’. Om diezelfde reden wordt de toevoeging ‘B.V.’ bij de verschillende besloten vennootschappen telkens weggelaten. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 en 29 september 2015 en 1, 5, 8, 9 en 12 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M. van Viegen, advocaat te Amsterdam. Tijdens de zitting van 23 november 2015, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat: Feit 1 primair: [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] in de periode 13 oktober 2010 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven; Feit 1 subsidiair: verdachte in de periode van 13 oktober 2010 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht; Feit 1 meer subsidiair: verdachte behulpzaam is geweest bij de oplichting van beleggers door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] in de periode 13 oktober 2010 tot met 21 januari 2014. Feit 2: verdachte in de periode van 1 november 2011 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, een arbeidsovereenkomst en facturen valselijk heeft opgemaakt en/of gebruik heeft gemaakt van deze valse arbeidsovereenkomst en facturen, dan wel deze heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad; Feit 3: verdachte in de periode van 13 oktober 2010 tot en met 21 januari 2014 € 13.032.800,-- heeft witgewassen. 3Voorvragen 3.1 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de onder feit 1 meer subsidiair de ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de raadsman aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard dient te worden. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Namens het Openbaar Ministerie is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Gelet op hetgeen hierna onder paragraaf 4.3.2 overwogen zal worden, behoefte het gevoerde verweer geen nadere bespreking. Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Meer specifiek hebben de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat hij: - Feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichtingen van beleggers begaan door de [bedrijf 1] -vennootschappen, zoals onder feit 1 primair ten laste gelegd. Samen met anderen een valse arbeidsovereenkomst heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Samen met anderen valse facturen heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 2 ten laste gelegd; Een bedrag van € 13.032.800,-- heeft witgewassen, zoals onder feit 3 ten laste gelegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd: Ten aanzien van feit 1 Verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan de aan [bedrijf 1] gelieerde stichtingen, maar voldoet niet zelfstandig aan de delictsbestanddelen, zoals in de tenlastelegging opgenomen. De gedachtestreepjes 1 tot en met 5 in de tenlastelegging kan [verdachte] , gezien zijn functie, niet voorgewend hebben. [verdachte] heeft wel als stichtingsbestuurder onafhankelijk toezicht gehouden. Zijn taken heeft hij verricht zoals dat een behoorlijk bestuurder betaamt. Hij heeft nimmer willens en wetens niet onafhankelijk geopereerd of geen controletaken uitgevoerd. [verdachte] was betrokken bij de beoordeling van aan te kopen vastgoed, bezocht de vastgoedobjecten in Duitsland en controleerde de couponrentebetalingen. Hij was op de hoogte van het verdienmodel van [bedrijf 1] en heeft niet ‘in the blind’ geld overgemaakt. Voorts zijn er hypotheken gevestigd en bankgaranties verstrekt, zoals in de prospectussen vermeld staat. Als er al sprake zou zijn geweest van een vooropgezet plan om beleggers op te lichten, dan wist [verdachte] daar ten tijde van zijn sollicitatie en aantreden niets van. Daarbij kreeg [verdachte] telkens documenten voorgelegd ter onderbouwing van de door hem over te boeken gelden. [verdachte] kon niet vermoeden dat de gelden mogelijk voor andere doeleinden, dan de aankoop van onroerend goed, werden gebruikt. Subsidiair kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten. Zijn rol was daartoe te klein. Evenmin kan het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard. [verdachte] heeft niet bevorderd of vergemakkelijkt dat de prospectussen werden opgesteld. Ook heeft hij de in de tenlastelegging opgenomen voorwendselen niet bevorderd of vergemakkelijkt. Er was geen vooropgezet plan waaraan hij deel heeft genomen. [verdachte] heeft nimmer de aanmerkelijke kans aanvaard, hij heeft slechts zijn werkzaamheden willen doen en had geen weet van mogelijke strafrechtelijke gedragingen. Hem kan niet verweten worden dat hij willens en wetens behulpzaam is geweest bij de oplichting. Ten aanzien van feit 2 [verdachte] heeft ten aanzien van de facturen gehandeld in overeenstemming met een afspraak die hij had met medeverdachte [medeverdachte 3] . Factuur D-1040 ziet op een bonus die [verdachte] mocht declareren als het fonds [bedrijf 5] binnen 4,5 maand was volgetekend. [verdachte] gebruikte standaard de bewoording ‘advieswerkzaamheden’ op zijn facturen. Factuur D-1021 ziet op een voorschot aan [bedrijf 1] betreffende advieswerkzaamheden voor [bedrijf 3] . Factuur C ziet op de 1,5% die [verdachte] over de totale inleg voor de gehele looptijd mocht declareren. Er is geen sprake van valsheid in geschrifte, verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 Nu vrijspraak is bepleit voor hetgeen onder feit 1 en 2 ten laste is gelegd, dient ook voor het witwassen vrij te worden gesproken. Er is geen grond meer om het witwasfeit te kunnen bewijzen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] alle -al dan niet primair- aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. 4.3.1 Algemene overweging vooraf In onderhavige zaak gaat het –kort gezegd– om het aanbieden van obligatieleningen door diverse obligatiefondsen met als doel gelden van beleggers aan te trekken en vervolgens aan te wenden voor het aankopen van vastgoedobjecten in Duitsland. Kort samengevat ziet de werkwijze er als volgt uit: Potentiële beleggers laten zich middels prospectussen informeren over de obligatiefondsen. Aan de hand van de in de prospectussen opgenomen informatie beslissen zij al dan niet een obligatielening af te sluiten. Hun inleg maken ze over naar een stichting die toezicht houdt op onder meer het aankoopbeleid van het obligatiefonds. Deze stichting kan het geld van de beleggers vervolgens vrijgeven aan een exploitatie-/werkmaatschappij. De exploitatie-/werkmaatschappij koopt met de inleg vervolgens het onroerend goed aan. 4.3.2 Het bewijs De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van alle feiten 4.3.2.1 De fondsen [bedrijf 1] -fondsen Het eerste [bedrijf 1] -fonds [bedrijf 1] is op 20 juli 2010 opgericht en statutair gevestigd te [vestigingsplaats] . [bedrijf 1] voert volgens het uittreksel KvK als activiteit ‘het verstrekken van geldleningen aan en het stellen van zekerheden aan derden, speciaal het stellen van zekerheden in relatie tot binnen het concern van de vennootschap van derden tegen uitgiften van effecten verkregen gelden’. Volgens het prospectus van september 2010 van [bedrijf 1] is [bedrijf 1] een obligatiefonds die een obligatielening uitgeeft. Initiatiefnemer is [bedrijf 6] . Deze rechtspersoon is de dochteronderneming van [bedrijf 7] . Medeverdachte [medeverdachte 1] is per 8 juli 2010 bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd van [bedrijf 7] . [bedrijf 8] is de exploitatiemaatschappij die het onroerend goed koopt en exploiteert. [stichting 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , behartigt de belangen van de obligatiehouders, aldus het prospectus van [bedrijf 1] . Deze stichting handelt onafhankelijk van [bedrijf 1] en draagt zorg voor de geldstromen. De stichting is op 20 september 2010 opgericht en heeft blijkens het uittreksel van de KvK tot doel ‘het verschaffen van een zekerheid aan de obligatiehouders die via [bedrijf 1] in obligatiefondsen participeren alsmede hun belangenbehartiging. Verdachte is vanaf 20 september 2010 de bestuurder van de stichting. Het tweede [bedrijf 1] -fonds Vervolgens is op 13 april 2011 [bedrijf 2] opgericht, met als statutaire zetel [vestigingsplaats] . In het uittreksel van de KvK staat dat [bedrijf 2] als activiteit heeft ‘het verstrekken van geldleningen en het stellen van zekerheden aan derden, speciaal het stellen van zekerheden in relatie tot binnen het concern van de vennootschap van derden tegen uitgifte van effecten verkregen gelden’. In het prospectus van april 2011 staat dat [bedrijf 2] obligaties uitgeeft. Initiatiefnemer is [bedrijf 6] . Zoals reeds vermeld is deze rechtspersoon de dochteronderneming van [bedrijf 7] , waarvan [medeverdachte 1] bestuurder is. [bedrijf 2] is de exploitatiemaatschappij die het onroerend goed koopt en exploiteert. [stichting 5] behartigt de belangen van de obligatiehouders en handelt onafhankelijk van [bedrijf 2] . De stichting beheert de inleg van de obligatiehouders. De stichting is op 21 april 2011 opgericht met als doel ‘het verschaffen van een zekerheid aan de obligatiehouders die via [bedrijf 2] in obligatiefondsen participeren alsmede hun belangenbehartiging.’ Bezoek adres en statutaire zetel zijn gelegen te [vestigingsplaats] . [verdachte] is vanaf de datum van oprichting de bestuurder. Het derde [bedrijf 1] -fonds Het volgende fonds, [bedrijf 3] , wordt op 17 oktober 2011 opgericht en is gevestigd te [vestigingsplaats] . De activiteiten van [bedrijf 3] zijn ‘het verstrekken van geldleningen aan en het stellen van zekerheden aan derden, speciaal het stellen van zekerheden in relatie tot binnen het concern van de vennootschap van derden tegen uitgifte van effecten verkregen gelden Ook dit fonds geeft blijkens het prospectus van oktober 2011 obligatieleningen uit. De initiatiefnemer is [bedrijf 6] . Zoals reeds vermeld is deze rechtspersoon de dochteronderneming van [bedrijf 7] , waarvan [medeverdachte 1] bestuurder is. [bedrijf 9] is de exploitatiemaatschappij die het onroerend goed koopt en exploiteert. [stichting 2] is op 3 oktober 2011 opgericht met als doel ‘het verschaffen van een zekerheid aan de obligatiehouders die via [bedrijf 3] in obligatiefondsen participeren alsmede hun belangenbehartiging’. De stichting is gevestigd in [vestigingsplaats] . [verdachte] is vanaf de datum van oprichting de bestuurder. Het vierde [bedrijf 1] -fonds Hierna wordt, op 14 maart 2012, [bedrijf 4] opgericht, met als vestigingsadres [vestigingsplaats] . Blijkens het uittreksel uit de KvK heeft deze rechtspersoon tot doel ‘verstrekken van geldleningen en het stellen van zekerheden aan derden, speciaal het stellen van zekerheden in relatie tot binnen het concern van de vennootschap van derden tegen uitgifte van effecten verkregen gelden’. In het prospectus van [bedrijf 4] van maart 2012 staat dat [bedrijf 4] obligatieleningen uitgeeft. Initiatiefnemer is [bedrijf 6] . Zoals reeds vermeld is deze rechtspersoon de dochteronderneming van [bedrijf 7] , waarvan [medeverdachte 1] bestuurder is. [bedrijf 10] is de exploitatiemaatschappij die het onroerend goed koopt en exploiteert. [stichting 3] is op 1 maart 2012 opgericht met als doel ‘het verschaffen van een zekerheid aan de obligatiehouders die via [bedrijf 3] in obligatiefondsen participeren alsmede hun belangenbehartiging’. De stichting is gevestigd te [vestigingsplaats] .Verdachte is vanaf de datum van oprichting de bestuurder. Het vijfde [bedrijf 1] -fonds Na [bedrijf 3] wordt [bedrijf 5] op 7 september 2012 opgericht, gevestigd te [vestigingsplaats] . [bedrijf 5] voert als activiteit: ‘het (doen) beheren en beleggen in vastgoed, het (doen) verstrekken van geldleningen tegen hypothecaire zekerheid, speciaal het stellen van zekerheden in relatie tot binnen het concern van de vennootschap van derden tegen uitgifte van effecten verkregen gelden’. Volgens het prospectus van [bedrijf 5] van maart 2013 geeft zij obligatieleningen uit. [bedrijf 17] is enig aandeelhouder van [bedrijf 5] . Zij is de dochteronderneming van [bedrijf 6] . Zoals reeds vermeld is deze rechtspersoon de dochteronderneming van [bedrijf 7] , waarvan [medeverdachte 1] bestuurder is. [bedrijf 11] en [bedrijf 12] zijn de werkmaatschappijen die het vastgoed exploiteren. [stichting 4] is opgericht om de belangen van de obligatiehouders te behartigen. Volgens het uittreksel KvK beheert en administreert de stichting obligaties. De stichting is gevestigd te [vestigingsplaats] . De stichting houdt toezicht op de uitvoering van de activiteiten van het obligatiefonds en controleert de geldstromen. [verdachte] is vanaf de datum van oprichting de bestuurder. 4.3.2.2 De rol van de verdachte en diens medeverdachten [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij begrepen had dat [bedrijf 1] was opgezet door [medeverdachte 2] , als appeltje voor de dorst als het bij [bedrijf 13] en [bedrijf 14] fout zou gaan. Hij hoorde van [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 2] veel geld had opgenomen bij [bedrijf 1] . Dat geld ging naar hem privé. [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] regelmatig zei dat hij de eigenaar was van [bedrijf 1] . [medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat hij aandeelhouder en adviseur van [bedrijf 1] was. Van sommige entiteiten had hij toegang tot de financiële middelen. Er was één bankpasje wat hij wel eens gebruikte om geld mee op te nemen. Ook had hij toegang tot, en gebruikte hij af en toe, de TAN-codes van [bedrijf 1] , bijvoorbeeld om een voorschot te nemen. [medeverdachte 2] was mede aandeelhouder en bepaalde mede wat er met de gelden gebeurde die werden binnengehaald, aldus [getuige 3] , werkzaam als accountmanager bij [bedrijf 1] . Tevens besloot [medeverdachte 2] om [medeverdachte 1] te schorsen. Er zou aangekocht worden in het laatste [bedrijf 1] -fonds, maar [medeverdachte 2] vond dat er te laat werd aangekocht, terwijl er wel rentes betaald moeten worden. Hij was ongeduldig en wilde het versnellen. Over [medeverdachte 3] heeft [getuige 3] verklaard dat hij de grote baas was. [medeverdachte 3] schreef het prospectus en schreef belangrijke dingen voor de website. Als er onderhandelingen gevoerd moesten worden ging hij mee. [medeverdachte 1] deed vooral de administratie, [medeverdachte 3] stuurde hem daarin aan. [getuige 3] heeft samen met [medeverdachte 1] verschillende gesprekken met investeerders gevoerd. Alvorens zij zo’n gesprek in gingen was er overleg met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] onderhield ook contacten met partijen waarmee werd samengewerkt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren vooral verantwoordelijk voor de geldstromen. Volgens [getuige 3] was [medeverdachte 1] de directeur, maar had [medeverdachte 3] het als laatste voor het zeggen. [medeverdachte 1] overlegde met hem voor hij beslissingen nam, waardoor [medeverdachte 3] de meeste zeggenschap had. [medeverdachte 3] heeft zelf verklaard dat hij de dagelijkse werkzaamheden deed bij [bedrijf 1] samen met [medeverdachte 1] . Daartoe had hij een consultancy overeenkomst gesloten met [bedrijf 1] . Hij voerde accountants-overleggen, administraties, sales en maakte nieuwsbrieven. Ook schreef hij, onder meer in samenwerking met [medeverdachte 1] , de prospectussen een deden zij samen de aankoop van onroerend goed. [medeverdachte 2] hield de controle op de aankoop van onroerend goed. Als [medeverdachte 2] akkoord ging werd er een bod gedaan. Op het moment dat vastgoed werd aangekocht moest [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] overleggen, want hij was de eigenaar van het bedrijf. Met ingang van 1 juli 2010 trad [medeverdachte 1] in dienst bij [bedrijf 1] als directeur/bestuurder. Tevens trad hij vanaf dat moment in dienst bij alle andere ondernemingen van het [bedrijf 1] -concern als bestuurder. [medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] gevraagd om directeur te worden, omdat hijzelf een strafblad heeft en de naam [naam] slecht bekend staat in de beleggingswereld. [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij door [medeverdachte 2] is benaderd om directeur te worden van [bedrijf 1] . [medeverdachte 2] zou hem ondersteunen om in de rol van directeur te komen. [medeverdachte 1] deed, naar eigen zeggen, de administratie en was contactpersoon voor bedrijven waarmee zaken werden gedaan. Ook zou hij het aan te kopen vastgoed gaan beheren. [medeverdachte 1] beschikte over een TAN-lijst. Betalingen besprak hij met [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zich vooral bezig hield met de cijfers. [bedrijf 6] had een overeenkomst gesloten met [bedrijf 15] in verband met het opstellen van prospectussen. [medeverdachte 2] had besloten dat er iemand ingehuurd moest worden voor het opstellen daarvan. [medeverdachte 1] heeft toen de overeenkomst gesloten. Dit deed hij voor alle fondsen. Belegger [belegger 1] heeft een paar keer contact gehad met onder meer [medeverdachte 1] . Hij kreeg van hem steeds bevredigende, gelikte antwoorden op zijn vragen. Ook belegger [belegger 2] had telefonisch contact met [medeverdachte 1] . Zoals uit paragraaf 4.3.2.1 volgt was [verdachte] de bestuurder van alle [bedrijf 1] -stichtingen. Voor zijn aantreden had hij twee gesprekken met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was degene die het gesprek feitelijk voerde. In het tweede gesprek was het [medeverdachte 3] die het gesprek leidde. De taak van [verdachte] was het in de gaten houden van het betalingsverkeer van de stichtingen naar de werkmaatschappijen; het fiatteren van geldstromen afkomstig van de beleggers. [verdachte] gaf voor alle geldleningen fiat. Op basis van de overeenkomsten van geldlening en de daarin voor vrijgave gevraagde gelden, wist [verdachte] niet of er ook daadwerkelijk onroerend goed aan ten grondslag lag. Nadat de overeenkomst van geldlening werd opgemaakt, ging [verdachte] met [medeverdachte 1] naar de bank om de overboeking te regelen. Geld dat werd vrijgegeven ging niet naar een notaris, maar rechtstreeks naar een [bedrijf 1] -vennootschap. Het geld werd, aldus [verdachte] , besteed aan andere doeleinden dan waarvoor het werd vrijgegeven. Er werd geen controle uitgevoerd op waar het geld uiteindelijk voor werd gebruikt. In geen enkel geval, waarin geld werd vrijgegeven door de [bedrijf 1] Stichtingen, werd tijdens het vrijgeven of daarna, gecontroleerd of het geld gebruikt werd voor het in de geldlening beschreven doel. Hij had geen zicht op wat er daadwerkelijk door de werkmaatschappijen werd betaald voor de aankoop van vastgoed. Naar eigen zeggen had [verdachte] geen goed zicht op de geldstromen binnen de [bedrijf 1] fondsen. 4.3.2.3 De prospectussen Het eerste [bedrijf 1] -fonds [bedrijf 1] heeft een prospectus uitgebracht per 17 september 2010. Hierin staat onder meer dat: - [bedrijf 1] een obligatielening uitschrijft van € 1.650.000,--; - [bedrijf 1] tot doel heeft de aankoop van uitmuntende vastgoedobjecten in economisch sterke deelstaten in Duitsland; - het vastgoedobject volledig is verhuurd aan de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen; - [bedrijf 1] de verkoopopbrengsten van het vastgoedobject op einddatum zal storten op rekening van de stichting. De verkoopopbrengsten worden op rekening van de stichting gestort waarna de stichting de hypotheek zal doorhalen en de obligatiehouders hun inleg uitbetaald inclusief aflossingspremie; - het risico bestaat dat huurders hun huurverplichtingen niet nakomen of dat sprake is van buitenproportionele leegstand of dat de waarde daalt, omdat het Duitse economisch klimaat stagneert of verslechtert. Inkomensverlies kan tot gevolg hebben dat de gerealiseerde jaarhuur onvoldoende is om alle kosten te dekken. In dat geval zal [naam] , garant staan en de nog openstaande verplichtingen voldoen. Het risico bestaat dat [naam] niet aan haar verplichtingen kan voldoen. Het bestuur van [bedrijf 1] acht dit risico nihil, omdat de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen de huurder is; - [stichting 1] de belangen behartigt van de obligatiehouders. De stichting handelt onafhankelijk van [bedrijf 1] en draagt zorg voor het beheer van de geldstromen; - de obligatiehouders hun inleg voldoen op het rekeningnummer van de stichting. De stichting geeft de gelden voor aankoop vrij op het moment van aankoop; - de totale fondsinvestering bestaat uit € 1.650.000,-- (obligatielening) en € 1.200.000,-- (banklening); - het vastgoedobject waarin [bedrijf 1] investeert voor circa 50% gefinancierd wordt middels een bancaire lening. - de fondsinvestering als volgt is opgebouwd: € 2.410.000,-- aankoopprijs € 204.000,-- aankoopkosten De volgende kosten zijn berekend: € 130.000,-- structureringskosten € 60.000,-- advieskosten € 26.500,-- financieringskosten € 7.500,-- prospectuskosten € 12.000,-- oprichtingskosten De kosten zijn eenmalige kosten. Het tweede [bedrijf 1] -fonds Per 20 april 2011 geeft [bedrijf 2] een prospectus uit, waarin -onder meer- het volgende staat: - [bedrijf 2] geeft een obligatielening uit van € 2.130.000,--; - [bedrijf 2] heeft tot doel de aankoop van uitmuntende vastgoedobjecten in economisch sterke deelstaten van Duitsland; - met het verworven vermogen wordt vastgoed aangekocht volgens het voorgeschreven beleid; - de initiatiefnemer verstrekt een achtergestelde lening van € 300.000,-- aan [bedrijf 2] ; - de achtergestelde lening vormt een financiële buffer voor [bedrijf 2] . Een achtergestelde lening kan rendement en/of aflossing op einddatum op voorhand veilig stellen; - [bedrijf 1] verwerft 64 appartementen en 20 parkeerplaatsen in [woonplaats] . Alle appartementen zijn verhuurd. Meer specifiek: [adres] , [adres] , [adres] , [adres] alle gelegen te [woonplaats] . - [stichting 5] beheert de inleg van de obligatiehouders en beheert na aankoop van het vastgoedobject de hypotheek eerste rang; - de stichting behartigt de belangen van de obligatiehouders en handelt onafhankelijk van [bedrijf 2] en beheert de geldstromen; - obligatiehouders voldoen hun inleg op het rekeningnummer van de stichting. De stichting geeft de gelden voor aankoop vrij op het moment van aankoop; - het risico bestaat dat huurders hun huurverplichtingen niet nakomen of dat sprake is van buitenproportionele leegstand of dat de waarde daalt, omdat het Duitse economisch klimaat stagneert of verslechtert. Inkomensverlies kan tot gevolg hebben dat de gerealiseerde jaarhuur onvoldoende is om alle kosten te dekken. In dat geval kan het obligatiefonds aanspraak maken op de achtergestelde lening. Het bestuur van [bedrijf 2] acht dit risico nihil, doordat er een grote vraag is naar de appartementen uit de portefeuille van [bedrijf 2] , aangezien deze op een A-locatie liggen en bij aanvang alle verhuurd zijn; - [bedrijf 2] zal de verkoopopbrengsten van het vastgoed op einddatum storten op rekening van de stichting, waarna de stichting de hypotheek zal doorhalen en de obligatiehouders hun inleg uitbetaald. Na aflossing van de obligatiehouders wordt de achtergestelde lening en rentevergoeding over de looptijd door de stichting uitbetaald aan de initiatiefnemer; - de fondsinvestering is als volgt opgebouwd: € 1.750.000,-- aankoopprijs € 194.250,-- aankoopkosten De volgende kosten zijn berekend: € 89.750,-- structureringskosten € 21.000,-- advieskosten € 5.000,-- due diligence kosten € 65.000,-- marketingkosten € 5.000,-- oprichtingskosten De kosten zijn eenmalige kosten; Het derde [bedrijf 1] -fonds Vervolgens is door [bedrijf 3] per oktober 2011 een prospectus uitgebracht. Hierin staat -onder meer- het volgende: - [bedrijf 3] geeft een obligatielening uit van € 2.220.000,--; - [bedrijf 3] heeft tot doel de aankoop van uitmuntende vastgoedobjecten in economisch sterke deelstaten van Duitsland; - met het verworven vermogen wordt vastgoed aangekocht volgens het voorgeschreven beleid: - de initiatiefnemer verstrekt een achtergestelde lening van € 220.000,-- aan het obligatiefonds; - de achtergestelde lening vormt een financiële buffer voor het obligatiefonds, een achtergestelde lening kan rendement en/of aflossing op de einddatum op voorhand veilig stellen; - [bedrijf 3] verwerft 46 appartementen en 31 parkeerplaatsen verdeeld over 2 vastgoedobjecten. Beide vastgoedobjecten liggen op zeer gewilde locaties en zijn volledig verhuurd. Het gaat om [adres] te [woonplaats] en [adres] te [woonplaats] ; - doordat het fonds investeert in appartementen waarnaar een stijgende vraag is in de markt zijn de appartementen makkelijk te verhuren indien deze leeg komen te staan. Dit vormt een extra zekerheid voor het fonds aangezien de rente moet worden betaald uit de exploitatie inkomsten; - [stichting 6] behartigt de belangen van de obligatiehouders en handelt onafhankelijk van [bedrijf 3] en draagt zorg voor de geldstromen; - het bestuur van de stichting heeft geen recht op een vergoeding, waardoor haar onafhankelijke positie wordt versterkt. - de fondsinvestering is als volgt opgebouwd: € 1.800.000,-- aankoopprijs € 211.000,-- aankoopkosten De volgende kosten zijn berekend: € 90.000,-- structureringskosten € 28.000,-- advieskosten € 10.000,-- due diligence kosten € 75.000,-- marketingkosten € 6.000,-- oprichtingskosten De kosten zijn eenmalige kosten; Het vierde [bedrijf 1] -fonds Per maart 2012 brengt [bedrijf 4] haar prospectus uit. Hierin staat -onder meer- het volgende: - [bedrijf 4] geeft een obligatielening uit van € 2.250.000,--; - [bedrijf 4] heeft tot doel de aankoop van uitmuntende vastgoedobjecten in economisch sterke deelstaten van Duitsland; - met het verworven vermogen wordt vastgoed aangekocht volgens het voorgeschreven beleid; - [bedrijf 4] is gericht op risicobeperking voor haar participanten; - [bedrijf 4] verstrekt een bankgarantie aan [stichting 7] . Deze bankgarantie dient de bonusuitkering aan alle obligatiehouders te garanderen; - [bedrijf 4] investeert in vier vastgoedobjecten, in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] . Meer specifiek [adres] te [woonplaats] , [adres] te [woonplaats] , [adres] te [woonplaats] en [adres] te [woonplaats] ; - [stichting 7] behartigt de belangen van de obligatiehouders, handelt onafhankelijk van [bedrijf 4] en draagt zorg voor het beheer van de geldstromen; - [stichting 7] beheert de inleg van de obligatiehouders en beheert na aankoop van de vastgoedobjecten de eerste hypotheek; - alle appartementen in de objecten zijn volledig verhuurd; - [bedrijf 1] verwacht geen problemen met de verhuur van de appartementen; - doordat het fonds investeert in appartementen waarnaar een stijgende vraag is in de markt, zijn de appartementen makkelijk te verhuren indien deze leeg komen te staan. Dit vormt een zekerheid voor het fonds, aangezien de rente wordt betaald uit de exploitatie inkomsten; - de fondsinvestering is als volgt opgebouwd: € 1.851.000,-- aankoopprijs € 217.000,-- aankoopkosten De volgende kosten zijn berekend: € 90.000,-- structureringskosten € 26.000,-- advieskosten € 10.000,-- due diligence kosten € 50.000,-- marketingkosten € 6.000,-- oprichtingskosten De kosten zijn eenmalige kosten; - uit het aflossingsscenario kan worden geconcludeerd dat de inleg van de obligatiehouders vanaf de aanvangsdatum tot de einddatum gewaarborgd blijft. Het vijfde [bedrijf 1] -fonds Als laatste is op 6 maart 2013 het prospectus van [bedrijf 5] uitgegeven. Hierin staat -onder meer- het volgende: - [bedrijf 5] schrijft een obligatielening uit ter grootte van € 4.350.000,--; - de uitgifte van de obligaties heeft tot doel het verschaffen van kapitaal aan de werkmaatschappijen en zal gebruikt worden ter financiering van vastgoedobjecten; - de opbrengst van de obligatielening zal door de uitgevende instelling worden doorgeleend aan de werkmaatschappijen, de werkmaatschappijen zullen de geleende gelden uitsluitend aanwenden ter financiering van de vastgoedobjecten; - het obligatiefonds financiert 79 woningen en 4 kleine winkelruimtes. In geval van leegstand zal door de beheerder van de vastgoedobjecten een nieuwe huurder gezocht worden; - [bedrijf 5] wendt de ontvangen rente aan voor het voldoen van zijn betalingsverplichting aan de obligatiehouders; Het obligatiefonds gaat ervan uit dat de vastgoedobjecten die het obligatiefonds primair beoogt aan te kopen uiterlijk 1 mei 2013 zijn aangekocht, zodat het obligatiefonds vanaf die datum huurinkomsten geniet; - tot zekerheid voor alle (toekomstige) vorderingen van de obligatiehouders uit hoofde van de obligatielening verkrijgt [stichting 8] het eerste recht van hypotheek op alle vastgoedobjecten die [bedrijf 11] primair beoogt aan te kopen; - de bank heeft een eerste recht van hypotheek op de vastgoedobjecten die [bedrijf 12] beoogt aan te kopen. Tot zekerheid voor alle (toekomstige) vorderingen van de obligatiehouders uit hoofde van de obligatielening verkrijgt [stichting 8] het tweede recht van hypotheek op alle vastgoedobjecten die [bedrijf 12] beoogt aan te kopen; - [stichting 8] is opgericht om de belangen van de obligatiehouders te behartigen. [stichting 8] houdt toezicht op het obligatiefonds en zorgt ervoor dat het beleid en de werkwijze van het obligatiefonds, zoals omschreven in het prospectus, op de juiste wijze wordt uitgevoerd; - [stichting 8] controleert de geldstromen van het obligatiefonds. De uitgevende instelling kan de gelden voor de aankoop van de vastgoedobjecten pas overmaken aan de werkmaatschappijen, nadat [stichting 8] schriftelijk goedkeuring heeft gegeven voor de aankoop van de betreffende vastgoedobjecten. De uitgevende instelling is niet zelfstandig bevoegd op zijn bankrekeningen ten aanzien van overboekingen; voor dergelijke overboekingen is mede-autorisatie van de stichting vereist. Door deze constructie is de stichting altijd op de hoogte van substantiële overboekingen van gelden door de uitgevende instelling en kan de stichting toezien of de gelden conform de voorwaarden zoals beschreven in het prospectus worden aangewend; - het bestuur van [stichting 8] ontvangt een jaarlijkse onkostenvergoeding ad € 500,-- per bestuurslid. Deze vergoeding wordt voldaan door de initiatiefnemer van het obligatiefonds en komt dus niet ten laste van het obligatiefonds. Op enige andere vergoeding heeft het bestuur van de stichting geen recht; - de fondsinvestering is als volgt opgebouwd: € 5.225.000,-- aankoopprijs € 611.000,-- aankoopkosten De volgende kosten zijn berekend: € 200.000,-- structureringskosten € 45.000,-- juridisch- en fiscaaladvies € 15.000,-- afsluitprovisie bank € 39.000,-- due diligence kosten € 230.000,-- marketingkosten € 15.000,-- oprichtingskosten De kosten zijn eenmalige kosten. 4.3.2.4 De inleg en de besteding van de inleg Het eerste [bedrijf 1] -fonds In de periode van 13 oktober 2010 tot en met 14 februari 2011 is door beleggers in totaal € 1.753.250,-- ingelegd in [bedrijf 1] . De gelden worden gestort op de bankrekening van [stichting 1] ( [rekeningnummer] ). De eerste inleg komt op 13 oktober 2010 binnen. Twee dagen na de eerste inleg, op 15 oktober 2010, wordt € 2.494,-- en € 6.650,-- overgemaakt naar [bedrijf 6] onder vermelding van ‘verkoopkosten, emissiekosten en structureringskosten’. Van daaruit wordt op de data 15, 18 en 25 oktober, achtereenvolgens € 160,-- + € 160,-- + € 700,-- + € 1.000,-- overgemaakt naar [medeverdachte 2] . Op 29 december 2010 worden rentebetalingen gedaan aan inleggers in [bedrijf 1] uit de eigen inleg. Nog voordat de eerste inleg binnenkomt, wordt op 27 september 2010 een overeenkomst gesloten tussen [bedrijf 15] GmbH en [bedrijf 6] . De in de overeenkomst genoemde diensten worden afgenomen ten behoeve van het obligatiefonds [bedrijf 1] . Zo zal [bedrijf 15] GmbH aan [bedrijf 6] een modeldocument beschikbaar stellen ten behoeve van de uit te geven prospectus. Overeen wordt gekomen dat [bedrijf 6] een vaste vergoeding zal betalen aan [bedrijf 15] GmbH van: € 25.000,-- Structureringskosten (gebruik model) € 15.000,-- Emissiekosten € 2.000,-- Kantoorkosten Deze overeenkomst is ondertekend door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Door [bedrijf 1] is € 900.000,-- overgemaakt ten behoeve van de aankoop van [adres] , [woonplaats] . Dit betreft een gezamenlijk aankoop met [bedrijf 2] . De koopovereenkomst voor dit object dateert van 29 september 2010. De aankoopprijs is € 2.100.000,--. Vervolgens is € 96.133,-- betaald aan boetes wegens het te laat afnemen van het pand. Het tweede [bedrijf 1] -fonds In de periode van 20 mei 2011 tot en met 18 augustus 2011 is door beleggers in totaal € 2.244.200,-- ingelegd in [bedrijf 2] . De gelden worden gestort op de bankrekening van [stichting 1] [bedrijf 2] ( [rekeningnummer] ). Op 14 juni 2011 worden grote bedragen overgemaakt naar [bedrijf 2] en [bedrijf 6] onder vermelding van ‘conform leenovereenkomst’. Door [bedrijf 2] is € 1.200.000,-- overgemaakt ten behoeve van de aankoop van [adres] , [woonplaats] . In totaal is er dus € 2.446.000,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed, uit een gecombineerde inleg. Dat is 61% van de inleg. Het derde [bedrijf 1] -fonds In de periode van 1 november 2011 tot en met 6 februari 2012 is door beleggers in totaal € 2.274.875,-- ingelegd in [bedrijf 3] . Door [bedrijf 3] is € 419.000,-- en € 450.000,-- en € 303.100,-- betaald voor de aankoop van onroerend goed aan de [adres] te [woonplaats] , de [adres] en [adres] te [woonplaats] en [adres] te [woonplaats] . In totaal is er voor € 1.172.100,-- aan onroerend goed aangekocht. Dat is 52% van de inleg. Op 21 januari 2014 stond er nog € 928,32 op de rekening van [stichting 3] . [verdachte] heeft op 15 november 2011 middels een e-mail gericht aan [medeverdachte 1] € 10.000,--gedeclareerd aan [bedrijf 9] onder vermelding ‘Voorschot Advieskosten Aankoop Vastgoed Duitsland’, met notanummer 111103. Onderaan de e-mail staat vermeld ‘ [naam] ’. Op 15 november 2011 is vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] € 10.000,-- overgemaakt naar [verdachte] onder vermelding van ‘voorschotnota advieskosten’. Over de naam [naam] heeft [verdachte] verklaard dat hij deze naam bedacht had om uit de administratie niet duidelijk te laten worden dat hij deze extra vergoeding kreeg. Door een factuur op een andere naam uit te reiken heeft [verdachte] , naar eigen zeggen, bewust meegewerkt aan het onjuist voorstellen van zaken aan de obligatiehouders. De factuur is aangetroffen op het adres van [bedrijf 6] te [vestigingsplaats] in de map ‘Facturen betaald 2012’. Op 23 februari 2012 heeft [verdachte] , uit naam van [naam] , € 40.162,50 gefactureerd aan [bedrijf 1] onder vermelding ‘Advieskosten Vastgoed in Duitsland’. De factuur is gericht aan [medeverdachte 1] en heeft notanummer 030212. Blijkens de factuur moet nog € 8.662,50 voldaan worden van het totaal. Dit bedrag is op 9 maart 2012 van de rekening van [bedrijf 6] overgemaakt naar [verdachte] . Uit de toelichting bij de nota volgt dat de nota ziet op [bedrijf 3] en dat de hoogte van het gedeclareerde bedrag is gebaseerd op een percentage van 1.5% van de totale inleg in dit fonds. De factuur is aangetroffen op het adres van [bedrijf 6] te [vestigingsplaats] in de map ‘ [naam] ’. Het vierde [bedrijf 1] -fonds In de periode van 10 april 2012 tot en met 30 juli 2012 is door beleggers in totaal € 2.377.250,-- ingelegd in [bedrijf 4] . De gelden zijn gestort op de rekening van [stichting 3] ( [rekeningnummer] ). Door [bedrijf 4] is € 440.000,-- en € 353.100,-- en € 471.600,-- betaald in verband met de aankoop van onroerend goed [adres] en [adres] te [woonplaats] , als ook [adres] [woonplaats] . In totaal is voor € 1.264.700,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed. Dat is 53% van de inleg. Op 21 januari 2014 stond er nog € 928,32 op de rekening van [stichting 3] . De huurpenningen van de verhuur van het aangekochte onroerend werd deels gebruikt om operationele kosten mee te betalen, als ook salarissen en voor het doen van betalingen aan [bedrijf 16] (een vennootschap van [medeverdachte 2] ) en [bedrijf 15] (zoals hiervoor al vermeld, een vennootschap van [medeverdachte 3] ). Het vijfde [bedrijf 1] -fonds In de periode van 8 maart 2013 tot en met 13 mei 2013 is door beleggers in totaal € 4.383.225,-- ingelegd in [bedrijf 5] . De gelden zijn gestort op de rekening van [bedrijf 5] ( [rekeningnummer] ). Door [bedrijf 11] is een koop gesloten voor € 580.000,-- betreffende [adres] . Door [bedrijf 12] is een koopcontract gesloten voor een bedrag van € 2.160.000,-- betreffende [adres] te [woonplaats] . Met betrekking tot deze kopen waren nog geen gelden naar notarissen overgemaakt. Op 21 januari 2014 stond er nog € 1.654.568,22 op de rekening van [bedrijf 5] . Resumé In voornoemde vijf [bedrijf 1] -fondsen is in totaal € 13.032.800,-- ingelegd. Hiermee zijn de volgende bestedingen gedaan: € 4.882.800,-- aankoop vastgoed € 1.270.000,-- (rente)betalingen in andere fondsen € 2.288.000,-- nog niet uitgegeven € 4.592.000,-- (restpost) uitgegeven aan betaling van operationele kosten en betalingen aan verdachten en aan hen gelieerde rechtspersonen. Zo is een bedrag van € 910.749,50 gegaan naar [bedrijf 16] . [medeverdachte 2] is de bestuurder, en alleen/zelfstandig bevoegde, van deze rechtspersoon. Per saldo is hiervan € 542.800,-- naar de privérekeningen van [medeverdachte 2] en zijn echtgenote [medeverdachte 4] overgeboekt. Van de [bedrijf 1] -inleg is ook € 554.153,95 is naar [bedrijf 15] GmbH overgemaakt. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben daarnaast respectievelijk € 83.050,-- en € 51.621,66,-- aan onkostenvergoedingen aan de [bedrijf 1] groep onttrokken door overschrijvingen naar hun privérekeningen. [verdachte] heeft verklaard dat er van de inleg normaliter 10% af gaat aan fondskosten, wat betekent dat zo’n € 1.200.000,-- afgetrokken moet worden van het bedrag van € 13.000.000,--. Het restant van het ingelegde geld zou dan moeten zijn aangewend voor de betaling van vastgoed inclusief de bijbehorende aankoopkosten zoals makelaarskosten, kosten notaris, overdrachtsbelasting en taxatiekosten. Op 3 juni 2013 stuurt [verdachte] een factuur aan [bedrijf 6] voor een bedrag van € 10.000,--. De factuur is gericht aan [medeverdachte 1] . Op 17 juni 2013 is van de bankrekening van [bedrijf 17] € 10.000,-- overgeschreven naar [verdachte] . In de begeleidende e-mail, gericht aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , staat dat dit te maken heeft met het volstorten van het AFM fonds binnen de 4,5 maand. [verdachte] heeft hierover verklaard dat dit een extra vergoeding betrof naast de maandelijkse vergoeding die hij kreeg voor de eerste twee [bedrijf 1] fondsen. Met AFM fonds bedoelde [verdachte] [bedrijf 5] . 4.3.2.5 De beleggers [belegger 2] werd aangeschreven voor de [bedrijf 1] beleggingen en vroeg een prospectus aan. Op 25 mei 2011 legde hij € 15.300,-- in in [bedrijf 2] . Op 17 april 2012 legde hij nog eens € 25.000,-- in in [bedrijf 4] en vervolgens nog € 10.000,-- op 8 mei 2013 in [bedrijf 5] . [belegger 2] heeft verklaard dat hij nooit zou hebben belegd als hij niet het vertrouwen had gehad dat men niet zou doen wat in de prospectus vermeld stond. Net als haar echtgenoot, heeft ook [D] geïnvesteerd in [bedrijf 1] . Op 17 april 2012, na het prospectus te hebben gelezen, nam zij een obligatie van € 25.000,-- in [bedrijf 4] . Op 3 mei 2014 legde zij nog eens € 10.000,-- in in [bedrijf 5] . Hieraan voorafgaand vroeg zij het prospectus aan, las dit door en besloot te investeren. Aan de hand van het prospectus had zij het volste vertrouwen dat haar beleggingen goed besteed zouden worden. [belegger 1] heeft in [bedrijf 1] geparticipeerd. Hij ontving per post een vooraankondiging en vroeg vervolgens het prospectus aan. Het prospectus gaf hem vertrouwen. Op 13 december 2011 maakte hij zijn deelname in [bedrijf 3] van € 50.000,--. Vervolgens ontving [belegger 1] een vooraankondiging voor [bedrijf 4] . Wederom vroeg hij het prospectus aan. Achtereenvolgens op 12 en 27 juni 2012 maakte hij € 91.000,-- en € 10.000,-- over. Begin 2013 ontving [belegger 1] een vooraankondiging voor [bedrijf 5] . Hij vroeg het prospectus aan. Op 5 april 2013 stortte hij zijn deelname van € 95.000,--. In de beleving van [belegger 1] zou het totale geld in de fondsen geïnvesteerd worden in vastgoed. [A] ontving eveneens een vooraankondiging en een prospectus voor [bedrijf 1] welke hij doornam. [A] legde € 15.300,-- evenals zijn vrouw. Dat was in oktober 2010. Daarna ontving hij een vooraankondiging en een prospectus voor [bedrijf 2] . Ook hierin legden beiden € 15.300,-- in, dat was in juli 2011. [B] (hierna: [B] ) kwam via een mailing in aanraking met [bedrijf 2] . Hierna vroeg hij een brochure en een prospectus aan. In totaal investeerde hij voor € 20.000,--. [B] maakte op 7 juni 2011 € 20.400,-- over naar de bankrekening van [stichting 5] . 4.3.3 De vrijspraak van het feitelijk leidinggeven Onder feit 1 primair wordt [verdachte] verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan de oplichting door de stichtingen waarvan hij de bestuurder was. Uit paragraaf 4.3.2.1 volgt weliswaar dat [verdachte] statutair bestuurder was van de Stichtingen en in die hoedanigheid alleen en zelfstandig bevoegd was, maar de feitelijk gang van zaken (zoals weergegeven in paragraaf 4.3.2.2) laat een ander beeld zien. [verdachte] deed slechts wat hem werd opgedragen en had geen goed zicht op alle geldstromen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bepaalden wat er met de gelden gebeurde. De onafhankelijkheid van de stichtingen was in de praktijk feitelijk niet gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het voorgaande, niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] feitelijk leidinggevende was van de stichtingen. [verdachte] zal van het aan hem onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. 4.3.4 Bewijsoverwegingen 4.3.4.1 Oplichting De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de beleggers in de diverse fondsen heeft opgelicht. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende: Uit de hiervoor in paragraaf 4.3.2.5 opgenomen bewijsmiddelen volgt dat aan beleggers vooraankondigingen en/of prospectussen zijn verstuurd met daarin informatie over de obligatieleningen die door de verschillende [bedrijf 1] -fondsen werden aangeboden. De vooraankondigingen en/of prospectussen hadden tot doel om eventuele beleggers te interesseren in, en te informeren over, de obligatieleningen van de diverse fondsen. In de prospectussen was informatie opgenomen die niet strookte met de werkelijkheid. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de stichtingen niet onafhankelijk van de fondsen opereerden en hun taken niet hebben uitgevoerd, en ook niet konden uitvoeren, op een wijze als omschreven in de prospectussen. [verdachte] heeft verklaard dat hij geen controle heeft uitgevoerd op waar het geld van de stichtingen voor werd gebruikt. Hij had geen zicht op de geldstromen, maar gaf wel voor alle geldleningen zijn fiat. Ook heeft [verdachte] , terwijl hij bestuurder was van de stichtingen, grote bedragen gefactureerd aan [bedrijf 1] -fondsen onder de noemer ‘advieswerkzaamheden’. [verdachte] deed dit uit een andere naam om uit de administratie niet duidelijk te laten worden dat hij een extra vergoeding kreeg. Door op voornoemde wijze te handelen kan niet gezegd worden dat [verdachte] als bestuurder van de stichtingen onafhankelijk gehandeld heeft. Uit het voorgaande volgt al dat de inleggelden op de bankrekeningen van de stichtingen deels niet conform het aankoopbeleid vrijgegeven werden. Dit beeld wordt bevestigd als gekeken wordt naar het feitelijke aankoopbeleid binnen de fondsen. Voor zover onroerend goed in Duitsland is aangekocht, is dit immers niet conform hetgeen in de prospectussen werd voorgespiegeld, gebeurd. Met betrekking tot de [bedrijf 1] -fondsen is van de totale inleg van € 13.032.800,-- slechts € 4.882.800,-- besteed voor de aankoop van onroerend goed. Dat is ongeveer 37% van de totale inleg. Uit een berekening die de rechtbank heeft gemaakt aan de hand van de inhoud van de prospectussen, volgt juist dat (telkens) zo’n 8% à 14% is berekend aan eenmalige fondskosten (zoals structureringskosten, advieskosten, due diligence kosten, marketingkosten, oprichtingskosten) en dat de overige inleggelden besteed zouden worden aan de aankoop van onroerend goed. Uit het voorgaande volgt dat -anders dan in de prospectussen opgenomen- in beperkte mate investeringen zijn gedaan en dat daarentegen hoge kosten zijn gemaakt. Aanzienlijke delen van de geïnvesteerde gelden zijn niet ingezet ten behoeve van de beleggers en het te behalen rendement. Zelfs als, zoals naar voren is gebracht, de inleg van het laatste [bedrijf 1] fonds buiten deze berekening wordt gelaten, is er geen sprake van dat het deel van de inleg dat is besteed aan onroerend goed, in overeenstemming is met het in de prospectussen voorgewende deel. Uit de bankafschriften volgt ook dat vrijwel direct nadat de eerste inleggelden binnenkomen op de bankrekeningen van de stichtingen, gelden worden vrijgegeven om couponrentebetalingen te voldoen. Tevens zijn grote geldbedragen weggevloeid naar verdachte en diens medeverdachten c.q aan hen te koppelen rechtspersonen of familieleden. Ook dit is in strijd met hetgeen in de prospectussen staat. De ingelegde gelden mochten enkel door de stichtingen vrijgegeven worden ten behoeve van de aankoop van onroerend goed. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet is veel minder onroerend goed aangekocht dan in de prospectussen voorgespiegeld, terwijl al de ingelegde gelden op de bankrekeningen op zijn. Omdat er door de fondsen geen, dan wel veel minder, onroerend goed is aangekocht dan voorgespiegeld in de prospectussen, waren ook de huuropbrengsten niet gegarandeerd. Met de huuropbrengsten zouden de couponrentebetalingen voldaan worden en ook dat is derhalve niet gebeurd. De couponrente waar de inleggers recht op hadden werd voor het overgrote deel betaald uit hun eigen inleg of de inleg in andere fondsen. Voorts zijn de aanwezige risico’s van de beleggingen in de prospectussen geminimaliseerd, door teksten op te nemen als: ‘het risico dat [naam] niet aan haar verplichting kan voldoen acht het bestuur nihil, omdat de Duitse deelstaat Nordrhein Westfalen de huurder is’. De voorgestelde gang van zaken gaf het beeld dat een investering in -een van de-voornoemde fondsen een zeer beperkt risico had. Door dit aan de inleggers voor te spiegelen, werden zij bewogen gelden in te leggen in een ogenschijnlijke zeer beperkt risicodragende obligatieovereenkomst met de fondsen. Zonder deze informatie waren zij daartoe niet overgegaan, zo blijkt uit de verklaringen van beleggers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat mensen die geïnteresseerd zijn in het beleggen van hun gelden zich –alvorens daartoe over te gaan– (direct of indirect) laten informeren. Het is gebruikelijk dat dit gebeurt na bestudering van een prospectus, dan wel andere informatie, van het betreffende beleggingsproduct. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat mensen hun gelden beleggen om daar rendement uit te halen. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de wederrechtelijkheid besloten ligt in de onwaarheden die zijn opgenomen in het prospectus en/of brochures en/of anderszins gegeven informatie, waardoor beleggers bewogen zijn gelden in te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten zich hebben bediend van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels door bedrieglijk en in strijd met de waarheid in de prospectussen en de brochures de in de bewijsmiddelen opgenomen zekerheden en informatie aan de beleggers voor te spiegelen, wetende dat deze niet bestonden of op geen enkele wijze waargemaakt zouden worden. Van een bonafide belegging is geen sprake geweest. Door gelden aan te trekken van beleggers onder het voorwendsel dat met die gelden onroerend goed in Duitsland gekocht zou worden, terwijl die gelden voor het overgrote deel en reeds vanaf de eerste inleg, werden doorgesluisd naar en gebruikt werden door verdachte en zijn medeverdachten voor geheel andere doeleinden, is de rechtbank van oordeel dat vanaf de aanvang van het eerste [bedrijf 1] fonds het oogmerk bestond op de wederrechtelijke bevoordelingen van (mede)verdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.