RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661733-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 december 2015 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1999] , verblijvende te [verblijfplaats 1] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. in de periode 3 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Houten, samen met anderen, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, welke handelingen bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 2. in de periode 3 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Houten [slachtoffer] meermalen heeft gedwongen aan verdachte geld te geven door bedreiging met het plaatsen van compromitterende foto’s en/of filmpjes op internet als [slachtoffer] hem geen geld zou geven; 3. op 17 mei 2014 te Houten opzettelijk vals geld heeft doen uitgeven; 4. op 17 mei 2014 te Houten opzettelijk vals geld in voorraad heeft gehad; 5. in de periode 17 oktober 2013 tot en met 18 oktober 2013 te Utrecht een geldbedrag heeft weggenomen door middel van braak; 6. op 16 februari 2014 te Utrecht met bedreiging met geweld een mobiele telefoon heeft weggenomen. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] in de flatwoning aan [straat] te Houten en in de woning aan de [straat] te Houten. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte handelingen van seksuele aard verricht met [slachtoffer] die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Voor het onderdeel in de tenlastelegging ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. Voorts acht de officier van justitie de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het onder 6 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van de geweldscomponent waarvoor de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd. Voorts is vrijspraak gevorderd voor het onder 5 ten laste gelegde feit omdat daarvoor onvoldoende bewijs is. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd verdachte dient te worden vrijgesproken primair omdat het bestanddeel ‘ontuchtig’ niet kan worden bewezen en subsidiair omdat het opzet tot het plegen van ontuchtige handelingen ontbreekt, ook in voorwaardelijke zin. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat gelet op de ontwikkeling van verdachte, het verdachte niet kan worden verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van het bestanddeel ‘ontuchtig’ heeft de verdediging betoogd dat niet alle seksuele handelingen met een persoon tussen twaalf en zestien jaren strafbaar zijn. Of seksuele handelingen ontuchtig zijn hangt af van de omstandigheden van het geval (Hoge Raad 30 maart 2010, LJN BK4794). Het ontuchtig handelen kan ontbreken als het leeftijdsverschil gering is, er vrijwillig contact is en eventueel het hebben van een affectieve relatie (Hoge Raad 24 juni 1997, LJN 1997/67). In dat verband heeft de verdediging ook gewezen op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:330), waarin meerdere jeugdigen seksuele handelingen verrichten in een schuurtje. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging betoogd dat alleen uit de aangifte kan blijken van dwang, maar dat daarvoor geen ondersteuning in dossier is aangetroffen. Om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig bewijs. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij samen met [medepleger] vals geld heeft uitgegeven, en dat [medepleger] medepleger is. De tenlastelegging van feit 3 biedt naar de mening van de verdediging niet de mogelijkheid het medeplegen bewezen te achten. Om die reden dient verdachte van feit 3 te worden vrijgesproken. Voor feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. Evenals de officier van justitie is de verdediging van mening dat het onder 5 ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden geacht. Primair omdat er onvoldoende wettig bewijs is, en subsidiair omdat de overtuiging ontbreekt. Ook het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit, wordt door de verdediging onderschreven, namelijk dat de diefstal door verdachte kan worden bewezen, maar niet de geweldscomponent. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 feit 1 Bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 19 september 2013 heeft [aangever 1] namens zijn dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] , waarbij aangever heeft verklaard dat zijn dochter door jongens is misbruikt in de periode 19 augustus 2013 tot 11 september 2013. [slachtoffer] is geboren op [2000] te [geboorteplaats] . Op 3 oktober 2013 heeft [slachtoffer] verklaard dat zij met jongens naar een flat ging bij [straat] te Houten, dat in die flat meerdere jongens waren en dat ze dat niet (van te voren) wist, dat één van de jongens aan haar vroeg om mee naar boven te komen, dat zij toen mee naar boven is gegaan, en dat die jongen (hierna: jongen 1) vroeg of zij het samen met hem wou doen. Zij heeft verklaard dat zij toen op bed moest gaan liggen, dat zowel zij als jongen 1 geen kleren aan had, dat hij bovenop haar lag, dat zij met haar benen open moest liggen, dat hij met zijn hand zijn piemel in haar vagina deed, dat hij op en neer ging en dat zij pijn voelde bij haar vagina. Zij heeft voorts verklaard dat er jongens binnen kwamen, dat een paar jongens zeiden dat zij het hadden gefilmd, dat de jongens hadden gezegd van “Hé, rustig aan, wij willen ook nog”, en dat jongen 1 toen zijn piemel uit haar vagina deed. Zij heeft verklaard dat er toen een andere jongen kwam, dat deze jongen (hierna: jongen 2) zich ging uitkleden, dat jongen 2 een condoom uit het nachtkastje haalde en om zijn piemel deed en toen ook zijn piemel in haar vagina deed, dat hij daarna tegen haar zei dat hij ging liggen en dat zij bovenop hem moest gaan zitten, dat zij moest zorgen dat zijn piemel in haar vagina kwam en dat zij op en neer moest gaan. Dat zij toen heeft gezegd dat ze moe was en dat jongen 2 toen weer bovenop haar is gaan liggen en dat het toen precies hetzelfde was als wat jongen 1 ook bij haar deed. Dat het stopte toen er een andere jongen (hierna: jongen 3) klopte en zei “Hé uh nu omwisselen”. Jongen 3 ging zich alvast uitkleden en jongen 2 ging zijn condoom afdoen, aldus [slachtoffer] . Zij heeft verklaard dat jongen 3 ook weer een Marokkaan was, dat zij had gevraagd “Waar komen jullie vandaan?” en dat jongen 3 zei “Uit Marokko”. Dat jongen 3 een condoom uit het nachtkastje haalde en om zijn piemel deed, dat hij toen op haar ging liggen, dat zijn piemel in haar vagina ging en dat hij ook op en neer ging, dat jongen 3 tegen haar zei dat zij bovenop hem moest gaan zitten, dat zijn piemel toen weer in haar vagina ging en dat zij een minuutje later tegen jongen 3 zei dat zij moest gaan omdat ze zag dat het ongeveer half vijf was en naar huis moest. Zij heeft verklaard dat zij zich toen is gaan omkleden en naar huis is gegaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat jongen 1 [A] heet. De andere twee waren een jongen en zijn broer. Met de jongens bedoelt [slachtoffer] [verdachte] en de oudere broer van [verdachte] . Aan de hand van aanwijzingen van [slachtoffer] is vastgesteld dat de betreffende flatwoning is gelegen aan [adres] te [woonplaats] . [getuige] heeft verklaard dat hij en zijn vader staan ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] , dat hij van die woning de sleutel heeft en dat hij in de zomer van 2013 af en toe in de woning kwam. [getuige] heeft voorts verklaard dat [C] en [verdachte] in de contactenlijst van zijn telefoon staan, dat [C] en [verdachte] samen met een meisje bij hem thuis zijn geweest, dat [C] en [verdachte] met dat meisje naar boven zijn gegaan, dat hij van [C] heeft gehoord dat het meisje aangifte heeft gedaan, dat [verdachte] het broertje is van [C] , dat hij van [C] hoorde dat het meisje [slachtoffer] heet, dat hij van [C] heeft gehoord dat [C] seksueel contact heeft gehad met [slachtoffer], dat [verdachte] aan hem heeft verteld dat [slachtoffer] gewoon een sletje is, en dat er in totaal 4 jongens met [slachtoffer] naar boven zijn gegaan. [verdachte] heeft verklaard dat hij een broer heeft met de naam [C], dat hij op [adres] is geweest, dat het een flat is waar [getuige] woont, dat [slachtoffer] daar ook was, en dat [C] , [getuige] , [A] en hij daar ook waren, dat in die flat seks is geweest met [slachtoffer] boven in een slaapkamer. [verdachte] heeft voorts verklaard dat hij denkt dat niet leuk is geweest voor [slachtoffer] dat er vier jongens om haar heen huppelden, dat hij in de flat seks met [slachtoffer] heeft gehad, dat hij van [A] heeft gehoord dat [A] seks heeft gehad met [slachtoffer], dat hij achteraf van [A] een filmpje heeft gezien, dat je zag dat het op een bed was, dat je [getuige] , [C] , [A] en [slachtoffer] ook zag. Op 15 oktober 2013 heeft [slachtoffer] verklaard dat zij contact had met een jongen die [verdachte] heet, dat zij [verdachte] kan aanwijzen op hyves, dat zij [verdachte] onder de naam “ [contactnaam B] ” in haar telefoon heeft staan. Op een foto op hyves heeft [slachtoffer] de middelste jongen herkend als [verdachte] . Deze persoon is door wijkagent [verbalisant] herkend als [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1999] . In de mobiele telefoon (LG E400 Optimus L3) van [slachtoffer] is in de contactenlijst onder de naam “ [A] ” het telefoonnummer [telefoonnummer] aangetroffen en onder de naam “ [contactnaam B] ” het telefoonnummer [telefoonnummer] . Tevens werd in de telefoon een WhatsApp-gesprek van 25 augustus 2013 aangetroffen tussen [slachtoffer] en “ [contactnaam B] ”, waarin “ [contactnaam B] ” aan [slachtoffer] laat weten dat zij geld moet regelen. Bij een verhoor op 10 december 2013 in een andere zaak heeft [verdachte] verklaard dat zijn oude nummer [telefoonnummer] was. In de mobiele telefoon (iPhone 4, wit) van [A] zijn er 3 hits op de naam van [slachtoffer] aangetroffen, en twee hits op naam van [slachtoffer] , waarbij het telefoonnummer [telefoonnummer] was ingevoerd. In de telefoon staat onder contacten de naam [A] met het telefoonnummer [telefoonnummer] , welk nummer ook aan het facebookaccount van [A] is gekoppeld. [C] heeft verklaard dat [slachtoffer] beïnvloedbaar is en dat zij alleen maar ja, ja, ja zegt en geen nee kan zeggen. Bewijsoverwegingen Bij het begrip ontuchtige handelingen als genoemd in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht gaat het om handelingen van seksuele aard die in strijd met de sociaal-ethische norm zijn. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat in de flatwoning aan [straat] sprake is geweest van een groepsgebeuren, waarbij [slachtoffer] zich tegenover vier jongens zag geplaatst, waarbij op enig moment alle vier de jongens in de slaapkamer aanwezig zijn geweest en er filmopnamen zijn gemaakt van de aanwezigen, en waarbij tenminste drie van de vier jongens ‘om de beurt’ handelingen hebben gepleegd die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Verdachte heeft voorts verklaard dat hij denkt dat die situatie, waarbij vier jongens in de slaapkamer aanwezig waren en er filmopnamen werden gemaakt, niet leuk is geweest voor [slachtoffer] . Gelet op de aanwezigheid van minstens 3 jongens tegelijk, tenminste op een bepaald moment, terwijl op dat moment sprake was van seksuele handelingen met 1 meisje, die niet wist dat er in de woning meerdere jongens aanwezig zouden zijn, kan mede gelet op de beperkte capaciteiten van dit meisje, niet worden staande gehouden dat sprake is van tussen leeftijdgenoten normale vrijwillige seksuele contacten die algemeen als sociaal-ethisch zijn aanvaard. Verdachte heeft aangegeven dit zelf ook te snappen. Het verweer dat er geen sprake is geweest van ontuchtig handelen wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de flatwoning aan [straat] schuldig heeft gemaakt aan ontuchtig handelen met [slachtoffer] , bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zijn penis in haar vagina te duwen. Van het ontuchtig handelen in de flatwoning aan [straat] , bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] door zijn penis in de haar mond te duwen en zich door [slachtoffer] te laten pijpen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken omdat het strafdossier daarvoor onvoldoende overtuigend bewijs bevat. [slachtoffer] heeft hierover pas later verklaard en heeft ondanks vragen daarover gedurende twee eerdere verhoren ontkend dat dit heeft plaatsgevonden. Voor ontuchtig handelen in de woningen aan de [straat] en het [straat] te Houten, bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende bewijs, omdat door [slachtoffer] verschillende namen zijn genoemd, uit het dossier niet duidelijk wordt wie er in die woningen zijn geweest, en of ook in die woningen sprake was van een situatie waarbij ook anderen aanwezig waren. Van dat onderdeel zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat verdachte niet het opzet heeft gehad op het plegen van ontuchtige handelingen, ook niet in voorwaardelijke zin, acht de rechtbank weerlegd door de bewijsmiddelen. Ook het verweer dat het verdachte gelet op zijn ontwikkeling niet kan worden verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd, acht de rechtbank weerlegd door de bewijsmiddelen. 4.3.2 feit 2 Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie In artikel 284, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar hij die een ander door bedreiging met smaad of een smaadschrift dwingt iets te doen of te dulden. In het tweede lid van genoemd artikel wordt het misdrijf niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. Smaadschrift is een gekwalificeerde vorm van smaad en omvat onder meer het verspreiden van afbeeldingen (artikel 261, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Volgens de tenlastelegging is [slachtoffer] bedreigd met het plaatsen van compromitterende foto’s en/of filmpjes op internet als [slachtoffer] verdachte geen geld zou geven. Voor de vervolging van de bedreiging met een smaadschrift is een klacht van [slachtoffer] nodig. Die klacht is niet aangetroffen in het strafdossier. Om die reden zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 2. 4.3.3 feit 3 en feit 4 Bewijsmiddelen Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij via via aan valse biljetten van € 50,00 kwam, dat hij wist dat het vals geld was en dat [medepleger] hem het wisselgeld heeft gegeven. [aangever 2] heeft namens [benadeelde] aangifte gedaan van het uitgeven van vals geld. Daarbij heeft aangeefster verklaard dat een jongen op 17 mei 2014 te Houten een portie kibbeling bestelde, dat hij een briefje gaf van € 50,00, dat zij de jongen wisselgeld gaf, dat de jongen snel wegliep, dat zij even later het briefje van € 50,00 controleerde en dat zij geen watermerk zag. Het wisselgeld bestond uit een briefje van € 20,00, twee briefjes van € 10,00, een briefje van € 5,00 en een losse Euro. [medepleger] heeft verklaard dat [verdachte] hem een briefje van € 50,00 gaf en hem daarmee een portie kibbeling heeft laten kopen, en dat hij het wisselgeld aan [verdachte] heeft gegeven. Bij de insluitingsfouillering van verdachte werd een vals briefje van € 50,00 aangetroffen, alsmede een briefje van € 20,00, twee briefjes van € 10,00, en een briefje van € 5,00. Uit forensisch onderzoek blijkt dat sprake is van valse briefjes van € 50,00. Bewijsoverwegingen De rechtbank acht op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doen uitgeven van vals geld en aan het in voorraad hebben van vals geld. Dat in de tenlastelegging van feit 3 niet is opgenomen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om het valse geld als onvervalst uit te doen geven, beschouwt de rechtbank als een kennelijke verschrijving nu er bij geen enkele procespartij twijfel kan bestaan over doel en strekking van dit onderdeel van de tenlastelegging. Om die reden zal de rechtbank aan dit gebrek geen consequenties verbinden. 4.3.4 feit 5 Vrijspraak Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank voor het onder 5 ten laste gelegde feit onvoldoende wettig bewijs voorhanden dat verdachte dat feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. 4.3.5 feit 6 Bewijsmiddelen Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de mobiele telefoon uit de handen van aangever heeft gepakt en dat hij ook bang zou zijn als iemand dat bij hem zou doen. Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat hij op dat moment boos was. Door [aangever 3] is op 16 februari 2014 aangifte gedaan van straatroof te Utrecht op die datum. Aangever heeft verklaard dat een jongen met een Marokkaans uiterlijk (hierna: jongen 1) zijn telefoon, een witte iPhone 4, uit zijn handen heeft gegrist, dat dit gebeurde in een tunneltje bij het Station Lunetten, dat er nog een jongen met een Marokkaans uiterlijk (hierna: jongen 2) bij was, dat de jongens onderling steeds Marokkaans met elkaar spraken en hij, aangever, dus niet kon verstaan wat ze tegen elkaar zeiden. Aangever hoorde jongen 1 tegen hem zeggen dat jongen 2 een enkelband had en twee moorden had gepleegd en die dag tot 20:00 uur verlof had. Vervolgens zag aangever dat jongen 1 met zijn hand bij zijn broeksband zat en was aangever bang dat jongen 1 een mes bij zich had. Hij hoorde jongen 1 tegen hem zeggen: “Het liefst wil ik je nu steken maar dat doe ik niet.” Bewijsoverwegingen De rechtbank acht op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal met bedreiging met geweld. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Houten, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in (een) (flat)woning(
- en)aan het [straat] en/of de [straat] en/of [straat] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [2000] te [geboorteplaats] , die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd die bestond(
- en)of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s): (telkens meermalen, althans éénmaal) - zijn/hun penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of - zijn/hun penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zich door die [slachtoffer] laten pijpen; 3. hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Houten, in elk geval in Nederland, opzettelijk een als echt en onvervalst bankbiljet heeft doen uitgeven, door een strafrechtelijk niet aansprakelijk persoon, te weten [medepleger] , te weten een bankbiljet van 50,-, waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was; (16/010746-15) 4. hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Houten, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bankbiljet van 50,- Euro, die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad; (16/010746-15) 6. hij op of omstreeks 16 februari 2014 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (mobiele) telefoon (merk Iphone), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat hij, verdachte, dreigend die [aangever 3] de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat die (andere) jongen een enkelband heeft en/of dat hij 2 moorden heeft gepleegd en/of dat hij vandaag verlof tot 20.00 uur heeft en/of (vervolgens) dat hij, verdachte, het liefst hem, [aangever 3] , wil steken (terwijl verdachte zijn hand ter hoogte van zijn broeksband hield); (16/037498-15) Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als: 1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 3. opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hem bekend was doen uitgeven, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven; 4. opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben; 6. diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft, met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 4 en onder 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een leerstraf van 40 uren (Respect Limits Extra), een werkstraf van 140 uren met aftrek, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht door Samen Veilig Midden-Nederland, waarbij verdachte medewerking verleent aan het invulling geven aan een adequate dagbesteding. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft toepassing van artikel 63 bepleit. De verdediging acht de meerwaarde van de leerstraf beperkt, gelet op het tijdsverloop en het beperkte IQ van verdachte. De verdediging acht een werkstraf van een beperkte omvang passend. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtig handelen met een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, bestaande uit het seksueel binnendringen van die minderjarige. Verdachte heeft daarbij de keuze gemaakt om zijn eigen lustgevoelens voorop te stellen. Door deze wijze van handelen heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarigen bij hen tot psychische schade kan leiden. Het behoeft geen nader betoog dat kan worden aangenomen dat het slachtoffer een nadelige invloed van de gebeurtenis heeft en eventueel nog zal ervaren. Dit blijkt ook uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer die deel uitmaakt van het dossier. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het doen uit geven van vals geld, het in bezit hebben van vals geld, alsmede aan een straatroof. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 juni 2015 waaruit blijkt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor straatroof respectievelijk diefstal, te weten door de meervoudige strafkamer op 16 december 2014 respectievelijk door de kinderrechter op 7 mei 2014. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 december 2015. De Raad voor de Kinderbescherming vindt het belangrijk dat de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid van verdachte wordt vergroot en dat hij leert grenzen en sociale regels te accepteren en te respecteren. Geadviseerd wordt om aan verdachte voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte medewerking verleent aan het invulling geven van een adequate dagbesteding in de vorm van werk en/of school. Tevens wordt geadviseerd de leerstraf Respect Limits Extra (40 uur) op te leggen. Reclasseringsinstelling Samen Veilig Midden-Nederland heeft op 4 december 2015 een gelijkluidend advies afgegeven, met dien verstande dat verdachte zich moet houden aan de afspraken en aanwijzingen vanuit de jeugdreclasseringsmaatregel Toezicht en Begeleiding. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de omstandigheid dat verdachte in het kader van een civielrechtelijke maatregel op 11 juli 2014 is geplaatst op de afdeling gesloten jeugdhulp [verblijfplaats 2] te [plaats] , dat hij sedert 30 oktober 2015 verblijft op [verblijfplaats 1] te [plaats] , en dat nog niet duidelijk is of [verblijfplaats 1] aan de hulpvraag van verdachte kan voldoen, zodat verdachte mogelijk in de toekomst zal worden overgeplaatst. Verder is van belang dat het relatief oude feiten betreft en dat bij het streven naar een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, het primaat bij de civiele maatregelen ligt. De geadviseerde leerstraf en de bijzondere voorwaarde meewerken aan dagbesteding acht de rechtbank van belang voor de ontwikkeling van verdachte. Gelet op de ernst van de feiten en als stok achter de deur, acht de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden noodzakelijk. De rechtbank acht gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden de hierna in het dictum genoemde straf passend en geboden. 9Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel Benadeelde partij [slachtoffer] De behandeling van een gedeelte van de vordering van [slachtoffer] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De gestelde materiële schade heeft de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist, en acht de rechtbank om die reden toewijsbaar. De rechtbank waardeert de schade op € 3.369,98, te weten € 1.500,00 aan immateriële schade en € 1.869,98 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. De door de rechtbank toegewezen bedragen zullen steeds hoofdelijk worden toegewezen, nu verdachte niet als enige is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] . Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Benadeelde partij [benadeelde] De behandeling van de vordering van [benadeelde] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 50,00 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 209, 248 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 11Beslissing De rechtbank: Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie - verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde feit; Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van hetgeen hem onder feit 5 ten laste is gelegd; Bewezenverklaring - verklaart bewezen hetgeen verdachte onder 1, 3, 4 en 6 ten laste is gelegd, zodanig als hiervoor onder 5 is ongeschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 3. opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hem bekend was doen uitgeven, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven; 4. opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben; 6. diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren. - verklaart verdachte daarvoor strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf Respect Limits Extra voor de duur van 40 (veertig) uren; - beveelt dat als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen jeugddetentie; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag; - beveelt dat als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie; - veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren; - stelt als algemene voorwaarden: de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit; de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 77aa, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; de verdachte zal tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde naleven; - stelt als bijzondere voorwaarde: de verdachte moet zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, worden gegeven door of namens Samen Veilig Midden-Nederland, ook als dat inhoudt het meewerken aan een dagbesteding in de vorm van het hebben van een baan dan wel het volgen van een opleiding al dan niet in combinatie met een stage of een betaalde baan; - draagt de reclasseringsinstelling Samen Veilig Midden-Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 3.369,98, waarvan € 1.869,98 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente berekend van 24 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - bepaalt dat voor zover deze bedragen door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 3.369,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2014, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; - bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [benadeelde] (feit 3) - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 50,00, ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente berekend van 17 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 50,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2014, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. E. Akkermans en A.G. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2015. Mr. P.J.M. Mol is verhinderd het vonnis mee te ondertekenen. BIJLAGE : De tenlastelegging Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Houten, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in (een) (flat)woning(
- en)aan het [straat] en/of de [straat] en/of [straat] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [2000] te [geboorteplaats] , die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd die bestond(
- en)of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s): (telkens meermalen, althans éénmaal) - zijn/hun penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of - zijn/hun penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zich door die [slachtoffer] laten pijpen; art 245 Wetboek van Strafrecht art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Houten, althans in het arrondissement Midden-Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid of met smaad of smaadschrift wederrechtelijk heeft gedwongen hem, verdachte, geld te geven, immers heeft verdachte toen en daar die [slachtoffer] (telkens) verteld dat hij en/of een ander beschikte over compromitterende foto's en/of filmpjes die hij en/of die ander op internet zou(den) plaatsen als die [slachtoffer] hem geen geld zou geven; art 284 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 3. hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Houten, in elk geval in Nederland, opzettelijk een als echt en onvervalst bankbiljet heeft doen uitgeven, door een strafrechtelijk niet aansprakelijk persoon, te weten [medepleger] , te weten een bankbiljet van 50,-, waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was; (16/010746-15) art 209 Wetboek van Strafrecht 4. hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Houten, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bankbiljet van 50,- Euro, die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad; (16/010746-15) art 209 Wetboek van Strafrecht 5. hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2013 tot en met 18 oktober 2013 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een afgesloten bureaulade heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 20 Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; (16/010746-15) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 6. hij op of omstreeks 16 februari 2014 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (mobiele) telefoon (merk Iphone), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat hij, verdachte, dreigend die [aangever 3] de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat die (andere) jongen een enkelband heeft en/of dat hij 2 moorden heeft gepleegd en/of dat hij vandaag verlof tot 20.00 uur heeft en/of (vervolgens) dat hij, verdachte, het liefst hem, [aangever 3] , wil steken (terwijl verdachte zijn hand ter hoogte van zijn broeksband hield); (16/037498-15) art 310 Wetboek van Strafrecht art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2013209518 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van pagina 1 tot en met 561 (einddossier). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 september 2013, pagina 346 tot en met 363. in het bijzonder pagina 346 en 347. Akte van geboorte d.d. 15 mei 2000, pagina 364. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 402 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 408 en 409. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 409. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 413. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 417. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 418. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 419. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013, pagina 420. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2013, pagina 446. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2014, pagina 494, en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2014, pagina 495. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 juni 2014, pagina 298. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 juni 2014, pagina 303. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 juni 2014, pagina 313. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 juni 2014, pagina 312. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 juni 2014, pagina 315. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 18 mei 2014, pagina 106. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 174/200. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 175/201. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 176/203. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 177/205. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 179/210. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 22 mei 2014, pagina 179. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2013, pagina 446. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2014 met bijlage, pagina 499 en 500. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2013 met bijlagen, pagina 501 en 502. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2014, pagina 365. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2014, pagina 508-509. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2014, pagina 508. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2014 met bijlage, pagina 528. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2014 met bijlagen, pagina 531. Het proces-verbaal van verhoor van [C] d.d. 20 mei 2014, pagina 263. Het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2015. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] d.d. 17 mei 2014, opgenomen op pagina 22-24 van het proces-verbaal dossiernummer PL0900-2014189389 (eind pv), in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 70, in het bijzonder pagina 22. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] d.d. 17 mei 2014, opgenomen op pagina 22-24 van het onder voetnoot 36 genoemde proces-verbaal, in het bijzonder pagina 23. Het proces-verbaal van verhoor van [medepleger] d.d. 21 mei 2014, opgenomen op pagina 54-63 van het onder voetnoot 36 genoemde proces-verbaal, in het bijzonder pagina 59. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2014, opgenomen op pagina 31-34 van het onder voetnoot 36 genoemde proces-verbaal, in het bijzonder pagina 33. Het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten d.d. 28 mei 2014, opgenomen op pagina 43-44 van het onder voetnoot 36 genoemde proces-verbaal, in het bijzonder pagina 43. Het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2015. Het proces-verbaal van verhoor van verhoor van verdachte, opgenomen op pagina 44-49 van het proces-verbaal dossiernummer PL0900-2014038149 (einddossier), in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 72, in het bijzonder pagina 48. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] d.d. 16 februari 2014, opgenomen op pagina 5-7 van het onder voetnoot 42 genoemde proces-verbaal, in het bijzonder pagina 6.