RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 07/662454-11 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 februari 2015 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren [1967] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Behandelingen van deze zaak hebben plaatsgevonden op 15 en 29 maart 2012, 4 en 6 juli 2012, 6 en 26 november 2012, 26 maart 2013, 9 april 2013, 9 en 12 september 2013, 11, 12, 19 en 20 november 2013, 19 december 2013, 20 maart 2014 en 10 april 2014. Het onderzoek ter terechtzitting is (opnieuw) aangevangen op 17 november 2014 en heeft vervolgens plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van 18 en 20 november 2014, 1 december 2014 en 2 februari 2015. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 1 december 2014, waarbij de officier van justitie en de raadsman, mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met een ander een (gefingeerd) inkomen, luxegoederen – waaronder voertuigen – en (gefingeerde) schuldbekentenissen heeft witgewassen; feit 2: samen met een ander valsheid in geschrift heeft gepleegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde witwassen van een (gefingeerd) inkomen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het overige onder 1 (witwassen van luxegoederen, waaronder voertuigen en (gefingeerde) schuldbekentenissen) en het onder 2 ten laste gelegde (valsheid in geschrift). 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 Vrijspraak van een (gefingeerde) lening(en)/schuldbekentenis(sen) In de woning van verdachte te Amsterdam zijn op 31 oktober 2011 twee ongedateerde overeenkomsten aangaande geldleningen gevonden. Het gaat om een geldlening van 20.000 Engelse ponden van [bedrijf 1] Ltd uit Kent aan verdachte en een geldlening van 20.000 Engelse ponden van [bedrijf 2] Ltd uit Kent aan verdachte. Voor een bewezenverklaring van witwassen is in elk geval vereist dat het voorwerp dat wordt witgewassen afkomstig is uit een daaraan voorafgaand misdrijf. Nu op geen enkele manier is komen vast te staan dat de documenten inhoudende leningsovereenkomsten zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken, kan niet worden vastgesteld dat de leningsovereenkomsten uit enig misdrijf afkomstig zijn. Reeds om die reden kan van het witwassen van (gefingeerde) leningen/schuldbekentenissen geen sprake zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dat betrekking heeft op de (gefingeerde) lening(en)/schuldbekentenis(sen). Ten aanzien van feit 1 Verdachte en zijn (fiscale) partner hebben in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2010 een besteedbaar netto inkomen gehad van € 31.486,00. Een (gefingeerd) maandelijks inkomen met een totaal van € 14.939,92 Vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] zijn in de periode van 28 juni 2007 tot en met 24 januari 2008 telkens geldbedragen van € 1.867,03 of € 1.867,87 overgeboekt onder vermelding van (kortweg) “salaris [winkel]” of “salaris [winkel]” naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] (verder: verdachte). Het in totaal in die periode overgeboekte bedrag is € 14.939,92. Op bankrekeningnummer [rekeningnummer] van verdachte hebben in de periode van juni 2007 tot en met januari 2008 bijschrijvingen van deze bedragen plaatsgevonden. Van deze bankrekening zijn in die periode velerlei bedragen afschreven ten behoeve van betalingen aan verzekeraars, een woningbouwvereniging, de belastingdienst en betalingen van abonnementsgelden. [bedrijf 3] is een eenmanszaak die wordt gedreven voor rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]). Degenen die salaris betaald hebben gekregen via de bankrekening van [bedrijf 3] hebben daar nooit gewerkt. Alles wat over de bankrekening van [bedrijf 3] ging was “fake”. [medeverdachte 1] stortte daartoe contante geldbedragen op deze bankrekening die hij kreeg van [medeverdachte 2] of [A] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] of [A]), waarna deze bedragen werden overgemaakt naar anderen, veelal door [A]. Eén van de bedrijven op naam waarvan [medeverdachte 1] valse papieren heeft opgemaakt is [winkel]. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de maandelijkse bijschrijvingen van € 1.867,03 dan wel € 1.867,87 afkomstig zijn uit een fictief dienstverband van verdachte bij [winkel] en ook dat deze bijschrijvingen vervolgens zijn aangewend voor bestedingen van consumptieve en huishoudelijke aard. Voertuigen Op 23 november 2011 was verdachte de tenaamgestelde van de voertuigen met onderstaande kentekens: een Harley Davidson FXDX, [kenteken], sinds 28 september 2011; een Ford Fiesta, [kenteken], sinds 29 maart 2011; een Smart Fortwo Coupe, [kenteken], sinds 7 maart 2011; een Suzuki AN650, [kenteken], sinds 10 september 2008. De partner van verdachte was sinds 23 juli 2008 de tenaamgestelde van de Mercedes B170 met kenteken [kenteken]. Verdachte heeft de Harley Davidson ([kenteken]) op 28 september 2011 gekocht voor een bedrag van € 6.000,00 of € 7.000,00. Op 29 maart 2011 is de Ford Fiesta ([kenteken]) aangekocht voor een bedrag van € 4.000,00. Op de aankoopnota staat vermeld dat dit bedrag is “voldaan”. De Smart Fortwo Coupe ([kenteken]) is aangekocht op 7 maart 2011 voor een bedrag van € 7.500,00. Op de aankoopnota staat vermeld dat dit bedrag is “voldaan”. Als op een factuur staat dat deze is “voldaan” betekent dit dat deze cash is voldaan. Het aankoopbedrag van de Suzuki AN650 bedroeg € 9.339,00. De Mercedes Benz B170 ([kenteken]) is nieuw aangekocht op 23 juli 2008 voor een bedrag van € 37.864,00 en betaald uit de inruil van een ander voertuig in combinatie met een kasbetaling van € 5.364,00 op 28 juli 2008. Verdachte heeft deze auto voor zijn partner gekocht. Zelf heeft hij er ook gebruik van gemaakt. De verklaring van verdachte Verdachte heeft verklaard dat hij zich sinds zijn achttiende heeft beziggehouden met de handel in en het opknappen en bouwen van auto’s en motoren. Verdachte heeft daaruit een inkomen gegenereerd. Volgens verdachte is hij doorgaans in staat geweest om een auto die hij heeft gekocht en waaraan hij heeft gesleuteld te verkopen voor een hoger bedrag dan de door hem betaalde aankoopprijs. Op die manier kon hij zich steeds duurdere of grotere auto’s veroorloven. Verdachte heeft geen administratie bijgehouden van zijn autohandel. Nadere overweging met betrekking tot witwassen Uit enig misdrijf afkomstig De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2004 (NJ 2007, 278) heeft geoordeeld dat op grond van het doel en de strekking van de strafbaarstelling in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (NJ 2010, 456) dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf afkomstig is”, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft ter terechtzitting op 1 december 2014 voor het eerst een inhoudelijke verklaring afgelegd over een deel van de hem ten laste gelegde feiten (de voertuigen van feit 1). Dat verdachte betrokken is of was bij de handel in auto’s, blijkt echter niet uit het dossier. Verdachte en zijn partner hebben tussen 2003 en 2011 weliswaar 31 kentekens op naam gehad, maar dat enkele gegeven is onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij een handel in auto’s. Zeker ook nu een administratie waaruit zou kunnen blijken van een dergelijke handel niet door verdachte is bijgehouden. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat verdachte slechts een gering inkomen uit bekende legale bron had. Dit bekende legale inkomen van verdachte staat niet in verhouding tot het aantal kentekens dat verdachte gedurende de afgelopen jaren op naam heeft gehad. Het bekende legale inkomen staat evenmin in verhouding tot de uitgaven die verdachte zich kennelijk kon veroorloven in verband met de aankoop van die voertuigen. Er is voorts niet gebleken van enig bekend legaal vermogen waarover verdachte kon beschikken. Daarentegen volgt uit hetgeen hiervoor is opgenomen met betrekking tot het inkomen van € 14.939,92 dat verdachte geldbedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen die uit een fictief dienstverband afkomstig zijn. Op grond van hetgeen met betrekking tot feit 1 is opgenomen bestaat ten aanzien van verdachte dan ook een ernstig vermoeden dat het geldbedrag van € 14.939,92 en de genoemde voertuigen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag onder die omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van deze voorwerpen die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010, 460). Verdachte heeft een dergelijke verklaring niet afgelegd. De verklaring van verdachte beperkt zich tot de ten laste gelegde voertuigen en heeft geen betrekking op de fictieve salarisbetalingen. Voor zover verdachte een verklaring heeft afgelegd over de voertuigen en zijn handel daarin, is deze verklaring niet aannemelijk geworden. Bij de belastingdienst zijn geen gegevens bekend over een autohandel van verdachte. De verklaring van verdachte is bij gebrek aan een administratie evenmin concreet en verifieerbaar. De rechtbank heeft hierbij mede betekenis toegekend aan het (late) moment waarop verdachte een verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de voertuigen; te weten: voor het eerst bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Bij deze stand van zaken is van een legale herkomst van de geldbedragen en de voertuigen dan ook niet gebleken en kan het niet anders zijn dan dat de geldbedragen en de voertuigen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist. Immers, verdachte heeft een groot aantal voertuigen aangeschaft zonder dat hij over bekende legale middelen kon beschikken om deze aan te schaffen en verdachte heeft geldbedragen onder de noemer “salaris” op zijn bankrekening ontvangen zonder dat hij een dienstverband had bij het betreffende bedrijf. Overige uitgangspunten uit de rechtspraak van de Hoge Raad Niet elke gedraging die in artikel 420bis en 420quater Sr is omschreven rechtvaardigt onder alle omstandigheden de kwalificatie (schuld)witwassen. Van de verdachte wordt in beginsel een handeling gevergd die erop is gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd (Hoge Raad 26 oktober 2010, NJ 2010, 655). Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (Hoge Raad 8 januari 2013, LJN BX 4449). Eén en ander geldt ook indien het gaat om het verwerven van voorwerpen als gevolg van een door de verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 18 juni 2013, NJ 2013, 453). Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 17 december 2013, NJ 2014, 75). In beginsel zijn voorgaande rechtsregels niet van toepassing in zaken waarin bewezen wordt verklaard dat sprake is van het overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daar staat tegenover dat niet valt uit te sluiten dat de omstandigheden waaronder sprake is van overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die zijn verkregen uit een door verdachte zelf begaan misdrijf niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte voorwerpen uit een door hemzelf begaan misdrijf voorhanden heeft of verwerft. Ook in een dergelijk geval dient sprake te zijn van een gedraging die daadwerkelijk is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen om deze gedraging ook als witwassen te kunnen kwalificeren (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 303). In de situatie waarin het gaat om voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf zijn de hiervoor genoemde uitgangspunten niet van toepassing (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 302). De onder 1 ten laste gelegde geldbedragen en voertuigen Verdachte wordt het witwassen van een vijftal voertuigen verweten. Niet is komen vast te staan op welke wijze verdachte telkens kon beschikken over de financiële middelen om deze voertuigen aan te schaffen. Daarentegen is wel komen vast te staan dat verdachte gedurende enkele maanden salarisbetalingen uit een fictief dienstverband op zijn bankrekening kreeg gestort. Gelet op het hiervoor overwogene kan het niet anders zijn dan dat verdachte deze voertuigen heeft gefinancierd met geld dat uit enig misdrijf afkomstig is. Aldus zijn deze voertuigen middellijk afkomstig uit enig misdrijf. Van het geldbedrag van € 14.939,92 is niet komen vast te staan dat dit afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Zulks is niet aangevoerd door de verdediging en evenmin is dit gebleken op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting. De situatie waarin vaststaat dat het enkele voorhanden hebben of verwerven van een voorwerp uit een door verdachte zelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en om die reden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010, 655) doet zich dan ook niet voor. Zowel ten aanzien van de voertuigen als ten aanzien van het geldbedrag van € 14,939,92 geldt dat, met inachtneming van bovenomschreven uitgangspunten, tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde kan worden gekomen en dat de gedragingen van verdachte als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Gewoontewitwassen Gelet op de lange periode waarin verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van voertuigen en geldbedragen en het repeterende karakter van de gedragingen van verdachte in dat verband, acht de rechtbank de strafverzwarende omstandigheid van het maken van een gewoonte van witwassen bewezen. Ten aanzien van feit 2 Vrijspraak van het medeplegen van valsheid in geschrift Verdachte wordt onder feit 1 (ondermeer) verweten dat hij een bedrag van € 14.939,92 heeft witgewassen. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de daarbij gehanteerde constructie die van het fictieve dienstverband is geweest. De rechtbank begrijpt deze stelling van het openbaar ministerie aldus dat een dienstverband van verdachte bij [winkel] wordt voorgewend zodat gedurende een aantal maanden een maandelijkse storting, onder de noemer “salaris” op de bankrekening van verdachte kon plaatsvinden. Bij de doorzoeking in het kantoorpand van medeverdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] in [woonplaats] zijn een salarisspecificatie van [winkel] van 31 oktober 2007 met het salaris van € 1.867,03 op naam van [verdachte], een briefje met daarop een aantal gegevens (data, het bedrag van € 1.866,00, het nummer [rekeningnummer], de naam “[verdachte]” en twee telefoonnummers) en een loonberekening van [winkel] op naam van [verdachte] met daarop vermeld de loondatum 31 december 2007 en het salaris € 1.867,03 aangetroffen. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden waartoe het fictieve dienstverband en de fictieve salarisbetalingen hebben gediend. Wel is komen vast te staan, op basis van hetgeen hiervoor en met betrekking tot feit 1 (het gefingeerde inkomen) is vastgesteld en gemotiveerd, dat sprake is van het creëren van een fictief dienstverband en het in verband daarmee opmaken van valse stukken. Er is echter in het geheel niet gebleken van enige bemoeienis of betrokkenheid van verdachte bij het valselijk opmaken van bedoelde salarisspecificatie en loonberekening. Het enkele feit dat verdachte gedurende enige tijd fictieve salarisbetalingen op zijn bankrekening heeft ontvangen is voor een dergelijke vaststelling onvoldoende. Van het bestaan van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring is uit dit dossier helemaal niet gebleken. Bij die stand van zaken zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: 1. in de periode van 28 juni 2007 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers hebben verdachte en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.