← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2016:2722

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/994013-13 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1957] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 november 2015 (regie), 21, 22, 24 (inhoudelijke behandeling) en 29 maart 2016 (requisitoir), 4 (pleidooi) en 7 april 2016 (repliek, dupliek en laatste woord verdachte) en 9 mei 2016 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en zijn advocaat, mr. E.A.M. Mannheims, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is op de zitting van 21 maart 2016 gewijzigd. De tenlastelegging zoals gewijzigd is aan dit vonnis gehecht (Bijlage I). De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte -al dan niet samen met anderen- SNS Property Finance BV / SNS Reaal NV heeft opgelicht (feit 1 en 6), zich -terwijl hij werkzaam was bij SNS- meermalen heeft laten omkopen (feit 9) en anderen werkzaam zijnde bij SNS heeft omgekocht (feit 2, 7 en 11), valse facturen heeft opgemaakt (feit 10) en valse facturen voorhanden heeft gehad (feit 3, 8 en 12), zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 4 en 13) en heeft deelgenomen / leiding gegeven aan een criminele organisatie (feit 5 en 14). 3Voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft aangevoerd dat ten aanzien van het witwassen aan de hand van de tenlastelegging noch het dossier of requisitoir voldoende duidelijk is welke witwashandelingen [verdachte] zou hebben gepleegd. De dagvaarding is wat betreft deze feiten onvoldoende duidelijk en moet daarom (partieel) nietig verklaard worden. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging voldoende duidelijk. Aan verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij in de genoemde periode meerdere geldbedragen heeft witgewassen, waarbij de in de delictsomschrijving genoemde witwashandelingen in de tenlastelegging zijn opgenomen. Aan deze woorden komt voldoende feitelijke betekenis toe (HR 09-02-1999, NJ 1999, 327, en ECLI:NL:HR:2008:BD2772 en LJN BL9699 en LJN BC9952). Aldus is voldoende duidelijk welke handelingen [verdachte] worden verweten en waartegen hij zich dient te verweren, zodat is voldaan aan de eisen die artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) stelt. De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart de dagvaarding -ook ter zake van het (gewoonte)witwassen- geldig. De raadsvrouw heeft voorts nog een tweetal partiële nietigheidsverweren gevoerd. Deze zullen om praktische redenen hierna worden besproken. 3.2 Overige voorvragen Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De officieren van justitie hebben een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren gebracht, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft een aantal verweren gevoerd, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Bewijsmiddelen Niveau 1: niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift [medeverdachte 1] en SNSPF [medeverdachte 1] is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [bedrijf 2] BV sinds de oprichting in 2006 en van [bedrijf 3] BV sinds de oprichting op 21 september 2010 (hierna respectievelijk: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ). De vennootschappen zijn zowel statutair als feitelijk gevestigd te [vestigingsplaats] , met uitzondering van [bedrijf 3] dat feitelijk gevestigd is in [vestigingsplaats] . [medeverdachte 1] is bestuurder van de drie vennootschappen. Op 25 juni 2009 sluiten SNS Property Finance BV (hierna: SNSPF), [naam] en [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] , een overeenkomst tot opdracht waarbij [medeverdachte 1] wordt aangesteld als directieadviseur. Bij addendum van 27 oktober 2011 is het contract verlengd en [medeverdachte 1] aangesteld als “Lid van de Directie, Chief Restructuring Officer” (CRO). Introductie externen [medeverdachte 1] was als externe medewerker werkzaam op de afdeling Restructuring & Recovery van SNSPF en heeft na zijn aanstelling meerdere andere externe medewerkers geïntroduceerd uit zijn eigen netwerk, te weten onder meer: [medewerker 1] , [medewerker 2] , [verdachte] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medewerker 3] . [medeverdachte 1] bevestigt voornoemde externen uit zijn eigen netwerk te hebben aangedragen bij SNSPF. Ten aanzien van [medewerker 2], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medewerker 3] heeft [medeverdachte 1] de tarieven en contracturen bepaald. [medeverdachte 1] heeft alle eerste en aanvullende overeenkomsten van opdracht medeondertekend. [verdachte] heeft verklaard dat de [bedrijf 4] -vennootschappen van hem zijn. [bedrijf 4] BV (hierna: [bedrijf 4] ) is enig aandeelhoudster en bestuurster van [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5] ). is bestuurder van [bedrijf 5] . Verder is [verdachte] bestuurder van de vennootschap [bedrijf 6] BV (hierna: [bedrijf 6] ). [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] zijn alle gevestigd op het adres in [vestigingsplaats] waar [verdachte] woonachtig is. [verdachte] heeft verklaard dat hij in februari/maart 2010 is benaderd door [medeverdachte 1] om bij SNSPF te komen werken. [verdachte] is door [medeverdachte 1] aangenomen en heeft met hem de arbeidsvoorwaarden besproken. Achtereenvolgens zijn door [verdachte] en zijn vennootschappen de volgende overeenkomsten van opdracht afgesloten met SNSPF: - een contract tussen [bedrijf 6] en SNSPF, ingaande op 15 maart 2010; - een contract tussen [bedrijf 5] en SNSPF, ingaande op 1 september 2010; - een contract tussen [bedrijf 5] en SNSPF, ingaande op 1 september 2011. Alle contracten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] bepaalde ook het tarief en het aantal te werken uren. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op enig moment de afspraak met [verdachte] heeft gemaakt dat [verdachte] hem een bedrag zou betalen. [medeverdachte 1] vermoedt dat dat € 50,- per door [verdachte] gewerkt uur was. De motivering van [medeverdachte 1] verzoek was dat hij feitelijk minder verdiende dan [verdachte] ; deze geldstroom is dus ontstaan uit nivellering. [verdachte] gunde [medeverdachte 1] deze betalingen ook omdat hij zijn baan via [medeverdachte 1] had gekregen. [verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft aangeboden om een deel van zijn inkomsten van SNSPF aan hem af te staan. [medeverdachte 1] factureerde hiertoe per kwartaal met name aan het bedrijf van [verdachte] dat op dat moment een relatie had met SNS. De bewustwording dat hij bij SNSPF meer verdiende dan [medeverdachte 1] , een paar maanden na aanvang van zijn werkzaamheden, was voor [verdachte] de trigger. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] verklaren dat zij deze afspraak niet hebben gemeld aan SNSPF. [bedrijf 3] heeft in de periode van 28 februari 2011 tot en met 30 april 2012 voor een bedrag van in totaal € 142.500,- (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 5] en [bedrijf 4] . Dit bedrag is in de periode van 22 februari 2011 tot en met 4 juni 2012 voldaan, te weten een bedrag van € 116.500,- door [bedrijf 5] en een bedrag van € 26.000,- door [bedrijf 4] . [verdachte] verklaart dat er nooit werkzaamheden van [medeverdachte 1] zijn geweest die betrekking hebben op de periode zoals genoemd in de facturen. Alle van [bedrijf 3] ontvangen facturen zijn verwerkt in de administratie. Niveau 2: niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en criminele organisatie [verdachte] is sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 7] BV, welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [bedrijf 8] BV, beide gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna respectievelijk: [bedrijf 7] en [bedrijf 8] ). [bedrijf 9] NV (hierna: [bedrijf 9] ) is op verzoek van [verdachte] opgericht eind 2010/begin 2011. [bedrijf 9] is gevestigd te Curaçao en [verdachte] is gemachtigd tot de bankrekeningen van [bedrijf 9] . [verdachte] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF en op interim basis belast met het aansturen van nationale en internationale equity participaties van SNSPF alsmede het behandelen van andere door de directie van SNSPF te bepalen dossiers, hetgeen met zich mee kan brengen dat (tijdelijk) een functie als bestuurder of commissaris dient te worden vervuld. [verdachte] noemt zichzelf interim-manager. Introductie en betalingen externen Nadat hij [verdachte] had aangenomen is [medeverdachte 3] aangenomen bij SNS via [verdachte] , aldus [medeverdachte 1] . Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 4] , [medewerker 5] en [medeverdachte 6] . [verdachte] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd. [medeverdachte 3] werd als eerste medio 2010 aangenomen. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat een aantal van deze mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. In het bij [verdachte] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering” zijn werkbladen opgenomen met de namen: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 5] , [medewerker 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 5] , [medewerker 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld: - hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt; - hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd; - hoeveel [verdachte] bij deze medewerker declareerde en - hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Volgens [verdachte] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij. De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt. De facturen die [verdachte] voor het verkrijgen van deze vergoedingen stuurde voegde hij ook in de administratie van zijn eigen vennootschappen. Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee. [verdachte] heeft verklaard dat hij het zich niet kan voorstellen dat de mensen van deze groep -zoals genoemd op het overzicht- niet wisten dat de fee werd verdeeld over meerdere personen. Hij heeft [medeverdachte 1] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [medeverdachte 1] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [verdachte] ging. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [medeverdachte 3] , was aangenomen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben afgesproken dat [verdachte] een gedeelte van deze fees betaalde aan [medeverdachte 1] ; dit was ongeveer 50% van de bemiddelingsfee die [verdachte] overhield na verrekening van de ontvangsten met anderen. [medeverdachte 1] factureerde vanuit zijn vennootschappen. Dit liep vanaf augustus/september 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2012. [verdachte] heeft hierover, buiten [medeverdachte 1] , niemand binnen SNSPF ingelicht. De omschrijving op de facturen van [medeverdachte 1] aan [verdachte] , te weten “honorering advisering [bepaald kwartaal]” klopt niet volgens [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in het vierde kwartaal van 2010 wist dat [verdachte] afspraken had gemaakt met andere externen en betalingen van hen ontving. Ook vond er een aantal verrekeningen plaats met andere mensen, waaronder [medeverdachte 7] . [medeverdachte 1] vermoedt dat [verdachte] hem op de hoogte heeft gebracht van de omstandigheid dat ook [medeverdachte 3] betalingen ontving. Hij heeft met [verdachte] afgesproken dat [verdachte] een deel van de door hem ontvangen betalingen aan hem doorbetaalde, zijnde de helft van wat [verdachte] overhield na verrekeningen. Die betalingen zijn via [bedrijf 9] verlopen. Alle betaalde facturen zijn verwerkt in de administratie van [bedrijf 3] . [medeverdachte 1] heeft de betalingen niet gemeld bij SNS. In de periode van 30 november 2010 tot en met 30 april 2012 is door [bedrijf 3] een totaalbedrag van € 374.661,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 7] en [bedrijf 9] . Deze facturen zijn in de periode van 30 december 2010 tot en met 4 juli 2012 voldaan, te weten een bedrag van € 53.062,50 door [bedrijf 7] en een bedrag van € 321.599,- door [bedrijf 9] . Hoewel door [bedrijf 9] voornoemd bedrag is overgemaakt, is door [bedrijf 3] maar € 321.514,- ontvangen. In totaal is door [bedrijf 3] dus een bedrag van € 374.576,50 ontvangen. Een aantal hiertoe opgemaakte facturen is opgesteld onder de naam “ [bedrijf 10] BV” in plaats van “ [bedrijf 3] BV” waarbij wordt verwezen naar het KvK-nummer [nummer] en btw-nummer [nummer] van [bedrijf 3] BV. [medeverdachte 3] verklaart dat hij directeur-grootaandeelhouder is van de vennootschap [bedrijf 11] BV. Via de werkmaatschappij van deze vennootschap, [bedrijf 12] BV (hierna: [bedrijf 12] ), is [medeverdachte 3] werkzaam geweest bij SNSPF. Binnen [bedrijf 12] is sprake van een tweetal activiteiten: het aangaan van een contract met SNSPF en het ontvangen van betalingen van een persoon die door [medeverdachte 3] bij [verdachte] is aangebracht. heeft verklaard dat hij feitelijk leidinggevende is bij [bedrijf 12] . [bedrijf 12] is gevestigd op het woonadres van [medeverdachte 3] in [vestigingsplaats] . De werkzaamheden die [medeverdachte 3] voor SNSPF heeft verricht vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht van juli 2010 tussen SNSPF en [bedrijf 12] . Op 30 september 2011 is een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. Beide overeenkomsten zijn ondertekend door [medeverdachte 1] . In de eerste overeenkomst staan de werkzaamheden van [medeverdachte 3] als volgt beschreven: het op restructuring- en recoverygebied begeleiden van een aantal nationale en internationale relatiecomplexen en aanverwante werkzaamheden. [medeverdachte 3] heeft tussen mei en juli 2010 contact gezocht met [verdachte] . [verdachte] heeft hem gevraagd of hij geïnteresseerd was in een functie bij SNSPF. [verdachte] gaf aan dat hij [medeverdachte 3] zou introduceren bij [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] in deze functie geïnteresseerd was. Nadat [medeverdachte 3] zijn cv had opgestuurd, kreeg hij een gesprek met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft met [medeverdachte 1] gesproken over het uurloon, daar waren geen andere mensen bij aanwezig. Na het gesprek met [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 3] gebeld met [verdachte] om hem te bedanken voor de introductie. [verdachte] vroeg hem daarop een vergoeding van € 50,- per door [medeverdachte 3] gewerkt uur bij SNSPF. In eerste instantie wilde [medeverdachte 3] niet op dit verzoek ingaan, maar omdat hij het geboden tarief van € 225,- veel geld vond en hij er erg blij mee was, is hij er uiteindelijk mee akkoord gegaan om € 50,- per gewerkt uur aan [verdachte] te betalen. [medeverdachte 3] verklaart dat hij verrast was door het verzoek van [verdachte] , omdat hij wist dat [verdachte] geen detacheringsbureau had. [verdachte] stelde voor dat [medeverdachte 3] zijn facturen voor SNSPF aan hem stuurde, zodat [verdachte] kon zien hoeveel uren [medeverdachte 3] had gewerkt. Op de facturen van [verdachte] , die [medeverdachte 3] ontving, stond steeds de omschrijving “advies”. [medeverdachte 3] verklaart daarover dat het in feite ging om bemiddelingsfee, en dat de omschrijving op de factuur -achteraf gezien- dus niet goed is geweest. [verdachte] verklaart dat hij enkele maanden na de afspraak met [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] van deze afspraak op de hoogte heeft gebracht. Verder heeft [verdachte] dit aan niemand binnen SNS verteld. [bedrijf 7] en [bedrijf 8] hebben in de periode van 5 oktober 2010 tot en met 31 december 2012 voor in totaal € 228.450,- (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 12] . Deze facturen zijn door [bedrijf 12] in de periode van 10 november 2010 tot en met 14 januari 2013 voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat van de € 50,- die [medeverdachte 3] per gewerkt uur afdroeg aan [verdachte] € 25,- werd doorbetaald aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] verklaart dat [verdachte] hem op enig moment heeft gevraagd of hij nog ervaren mensen kende. [verdachte] wist van [medeverdachte 3] dat hij problemen had met het betalen van € 50,- per uur, daarom was [verdachte] bereid [medeverdachte 3] € 25,- per uur te betalen voor mensen die hij aanbracht. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 6] geïntroduceerd bij [verdachte] . [medeverdachte 6] is in december 2010 met zijn werkzaamheden begonnen. [medeverdachte 3] heeft lang getwijfeld of hij de € 25,- voor de uren van [medeverdachte 6] wel moest factureren. Uiteindelijk heeft hij dat in mei 2011 wel gedaan. De facturatie heeft ook met terugwerkende kracht plaatsgevonden. [medeverdachte 3] heeft dit niet aan [medeverdachte 6] verteld. Ook heeft [medeverdachte 3] niet aan zijn opdrachtgever aangegeven dat hij deze vergoeding ontving. De facturen van [medeverdachte 6] werden door [verdachte] doorgestuurd aan [medeverdachte 3] . Op basis van deze facturen werden door [medeverdachte 3] facturen opgesteld en aan [verdachte] gestuurd. [medeverdachte 3] heeft deze facturen namens zijn bedrijf [bedrijf 12] opgesteld. [bedrijf 12] heeft in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2012 voor in totaal € 82.475,- gefactureerd aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . Deze facturen zijn in de periode van 24 juli 2011 tot en met 16 oktober 2012 voldaan. [medeverdachte 3] verklaart dat dit geld onder andere is gebruikt voor het betalen van facturen. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat [bedrijf 13] BV (hierna: [bedrijf 13] ) zijn persoonlijke holding is. [bedrijf 13] is gevestigd in [vestigingsplaats] . [bedrijf 13] heeft 50 procent van de aandelen van [bedrijf 14] B.V. [bedrijf 14] is in 2008 door [medeverdachte 6] samen met zijn zwager [medeverdachte 8] opgericht. De werkzaamheden die [medeverdachte 6] voor SNSPF heeft verricht vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht van 14 december 2010 tussen SNSPF en [bedrijf 13] . Vervolgens is een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 14 maanden, ingaande op 1 november 2011. Beide overeenkomsten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij in november of december 2010 is benaderd door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] met de vraag of hij beschikbaar was voor een klus bij SNS. [medeverdachte 6] heeft gezegd dat hij wel geïnteresseerd was en dat men onderling maar moest afstemmen wie hem zou introduceren bij SNS. Eén van hen zou [medeverdachte 6] introduceren bij [verdachte] . Enkele dagen later werd [medeverdachte 6] gebeld door [verdachte] en volgde er een gesprek in een hotel bij Haren . In dat gesprek vertelde [verdachte] dat hij zelf ook iets bij SNS deed. Verder is in dat gesprek het cv van [medeverdachte 6] besproken. Aan het einde van het gesprek gaf [verdachte] aan dat hij verwachtte dat [medeverdachte 6] wel iets voor SNS zou kunnen betekenen. [verdachte] gaf verder aan dat, als [medeverdachte 6] zou worden aangenomen, hij een aanbrengfee wilde ontvangen van een bepaald bedrag. [medeverdachte 6] stemde hiermee in, maar gaf aan dat hij zelf wel minimaal € 150,- per uur wilde overhouden. [verdachte] heeft vervolgens aan [medeverdachte 6] meegedeeld dat hij hem zou introduceren. Enkele dagen later werd [medeverdachte 6] gebeld en is er een afspraak gemaakt met [medeverdachte 1] en [A] . Een paar dagen na dit gesprek werd aan [medeverdachte 6] telefonisch meegedeeld dat men hem een contract wilde aanbieden voor € 220,- per uur. [medeverdachte 6] heeft hiermee ingestemd. [medeverdachte 6] heeft vervolgens contact opgenomen met [verdachte] en meegedeeld dat [verdachte] € 70,- per uur zou ontvangen. [medeverdachte 6] verklaart dat hij zijn opdrachtgever niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij een deel van zijn vergoeding afdroeg. De facturen die [medeverdachte 6] aan SNS stuurde gingen via [verdachte] . Zodoende was [verdachte] op de hoogte van het aantal uren dat door [medeverdachte 6] werd gedeclareerd. [verdachte] verklaart dat de afspraak met [medeverdachte 6] alleen mondeling is overeengekomen. Op de vraag of [verdachte] mensen binnen SNSPF op de hoogte heeft gebracht van deze afspraak met [medeverdachte 6] , antwoordt [verdachte] dat alleen [medeverdachte 1] ervan af wist. Door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is in de periode van 19 januari 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 255.255,- (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 13] . Deze facturen zijn in de periode van 26 januari 2011 tot en met 30 november 2012 door [bedrijf 13] voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 70,- die door [medeverdachte 6] aan [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld: - [verdachte] : € 22,50; - [medeverdachte 1] : € 22,50; - [medeverdachte 3] : € 25,00. [medeverdachte 8] verklaart dat hij samen met [medeverdachte 6] [bedrijf 14] B.V. heeft opgezet. Ze waren tot de zomer van 2012 beiden 50 procent aandeelhouder van deze vennootschap, daarna zijn de aandelen van [medeverdachte 6] overgenomen door [medeverdachte 8] . Naast [bedrijf 14] heeft [medeverdachte 8] een eigen holdingmaatschappij: [bedrijf 15] BV (hierna: [bedrijf 15] ). Deze rechtspersoon is de eigen pure holdingmaatschappij van [medeverdachte 8] . is de feitelijk leidinggevende van deze vennootschap. [bedrijf 15] is gevestigd in [vestigingsplaats] , op het woonadres van [medeverdachte 8] . De werkzaamheden die [medeverdachte 8] voor SNSPF heeft verricht, vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht welke op 20 april 2011 is gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 15] . Vervolgens is op 17 oktober 2011 een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. Beide overeenkomsten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 8] verklaart dat hij in april 2011 is benaderd door [verdachte] om voor SNSPF aan de slag te gaan. [medeverdachte 8] heeft vervolgens een kennismakingsgesprek met [verdachte] gehad bij [verdachte] thuis. Na dit gesprek heeft [verdachte] [medeverdachte 8] in contact gebracht met SNSPF en het cv van [medeverdachte 8] voorgelegd aan [medeverdachte 1] . Vervolgens is er een afspraak gemaakt met [medeverdachte 1] . In het gesprek met [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 8] aangegeven dat hij het logisch zou vinden als hij hetzelfde uurtarief zou krijgen als [medeverdachte 6] , namelijk € 220,-. [medeverdachte 8] had van [medeverdachte 6] begrepen dat er sprake was van een bemiddelingsfee en dat [medeverdachte 6] 30 procent van zijn uurtarief afstond aan [verdachte] . Ook aan [medeverdachte 8] vroeg [verdachte] een bemiddelingsfee. Dat was omdat hij externen bij SNSPF aanbracht. [medeverdachte 8] verklaart dat hij zonder [verdachte] niet met SNSPF in contact zou zijn gekomen. [medeverdachte 8] kreeg per maand één factuur van [verdachte] . Daarop stond het aantal uren maal € 70,-. Op de facturen stond als omschrijving: adviesdiensten. Achteraf gezien zou het volgens [medeverdachte 8] beter zijn geweest als daarop bemiddelingsfee had gestaan. De prestatie zag namelijk op de bemiddeling van [verdachte] tussen [medeverdachte 8] en SNSPF. [medeverdachte 8] verklaart dat hij zijn opdrachtgever niet op de hoogte heeft gesteld van deze afdracht. [verdachte] verklaart dat hij SNSPF niet op de hoogte heeft gebracht van de afspraak die hij had met [medeverdachte 8] . Alleen [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en -naar [verdachte] aanneemt- [medeverdachte 6] waren op de hoogte van deze afspraak. Door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is in de periode van 16 juni 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 184.940,- (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 15] . Deze facturen zijn in de periode van 1 juli 2011 tot en met 3 december 2012 door [bedrijf 15] voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 70,- die door [medeverdachte 8] aan [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld: - [verdachte] : € 23,50; - [medeverdachte 1] : € 23,25; - [medeverdachte 7] : € 23,25. [medeverdachte 4] verklaart dat hij enig aandeelhouder en enig bestuurder is van de vennootschap [bedrijf 16] BV (hierna: [bedrijf 16] ). [bedrijf 16] is gevestigd in [vestigingsplaats] . De werkzaamheden van [medeverdachte 4] voor SNSPF vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht die door SNSPF met de vennootschap van [medeverdachte 4] , in het contract aangeduid als [bedrijf 16] BV i.o., is gesloten op 11 september 2010. Op 16 oktober 2011 is een aanvullende overeenkomst gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 16] voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. De werkzaamheden bestaan volgens de overeenkomst uit het management van de nationale en internationale equity posities van SNSPF en alle daaruit voortvloeiende werkzaamheden. Beide overeenkomsten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] verklaart dat hij in augustus 2010 via [medeverdachte 7] in contact kwam met [verdachte] . [medeverdachte 7] vroeg hem of hij wilde werken voor een financiële instelling. [medeverdachte 4] heeft daarop zijn cv naar [verdachte] gestuurd. Vervolgens heeft [medeverdachte 7] meer dan een goed woordje voor [medeverdachte 4] gedaan bij [verdachte] . Daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met [medeverdachte 1] . Met [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 4] ook onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. Het uurtarief werd € 225,-. In een gesprek met [medeverdachte 7] zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] een fee overeengekomen van € 75,- per gewerkt uur. Op verzoek van [medeverdachte 7] is de betaling van de fee door een aan [verdachte] gelieerde vennootschap gefactureerd en is aan die vennootschap ook betaald. Dit was een expliciet verzoek van [medeverdachte 7] . [medeverdachte 4] stuurde elke maand zijn factuur op aan SNSPF. Vervolgens kreeg hij dan een factuur van [verdachte] , met daarop de omschrijving “declaratie betreffende adviesdiensten t.b.v. [bedrijf 16] BV” voor de betreffende maand. Het bedrag op de factuur kon [medeverdachte 4] herleiden tot de afspraak die met [medeverdachte 7] was gemaakt over de betaling van een fee. [medeverdachte 4] heeft deze facturen in zijn administratie bewaard. Door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2013 voor een bedrag van in totaal € 276.787,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 16] . Deze facturen zijn in de periode van 11 november 2010 tot en met 26 januari 2013 door [bedrijf 16] voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medeverdachte 4] aan de vennootschappen van [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld: - [verdachte] : € 25,-; - [medeverdachte 1] : € 25,-; - [medeverdachte 7] : € 25,-. [verdachte] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [medeverdachte 1] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed. Verder verklaart [verdachte] dat hij binnen het project Hamburg de functioneel leidinggevende was van [medeverdachte 4] . De omschrijving op de facturen, die aan [medeverdachte 4] gericht waren, had volgens [verdachte] anders moeten luiden, namelijk bemiddelingsfee. [medeverdachte 4] verklaart dat via hem [medewerker 4] en [medewerker 5] zijn komen werken bij SNSPF. In een gesprek met [medeverdachte 7] -waar ook [medeverdachte 5] bij aanwezig was- heeft [medeverdachte 4] aangegeven dat hij het wel redelijk zou vinden dat zij voor het aanbrengen van deze medewerkers een correctie op hun te betalen fee zouden ontvangen. Ongeveer een week erna kwam [medeverdachte 7] hierop terug en stelde voor dat zij € 7,50 per persoon per medewerker zouden krijgen. [medeverdachte 4] heeft hiervoor correctiefacturen gestuurd aan [verdachte] met daarop dezelfde omschrijving als de facturen die hij van [verdachte] ontving: adviesdiensten. [medeverdachte 4] verklaart dat de omschrijving op de factuur niet correct was, maar dat hij bewust aansluiting heeft gezocht bij de facturen die door [verdachte] aan hem werden gestuurd. [medeverdachte 4] betaalde steeds het netto verschuldigde bedrag aan de vennootschap van [verdachte] . Facturen voor [bedrijf 16] werden door [medeverdachte 4] opgemaakt. De facturen die door [bedrijf 16] werden verzonden aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] zijn door [medeverdachte 4] verwerkt in de boekhouding van [bedrijf 16] . Er is door [medeverdachte 4] geen melding gedaan bij zijn opdrachtgever SNS van het feit dat hij deze beloning ontving. Door [bedrijf 16] is in de periode van 20 november 2010 tot en met 31 december 2012 een bedrag van in totaal € 45.900,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . Daarvan is alleen de eerste factuur van € 798,75 (exclusief btw) door [bedrijf 7] op 29 november 2010 betaald. De overige factuurbedragen zijn in de periode van 30 december 2010 tot en met 26 januari 2013 verrekend met de bedragen die [verdachte] aan [medeverdachte 4] in rekening bracht. Van de betalingen op 1 november 2011 (over september 2011), 17 maart 2012 (over februari 2012) en 17 oktober 2012 (over september 2012) zijn geen onderliggende facturen aangetroffen. De factuurbedragen betroffen (kennelijk) respectievelijk € 1.983,87, € 1.586,25 en € 1.335,00 (alle exclusief btw). [medeverdachte 5] verklaart dat hij sinds 2009 zijn werkzaamheden uitvoert vanuit [bedrijf 17] BV (hierna: [bedrijf 17] ). De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 17] is [medeverdachte 5] . [bedrijf 17] is gevestigd in [vestigingsplaats] op het woonadres van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] verklaart dat hij feitelijk leidinggevende is van [bedrijf 18] BV (hierna: [bedrijf 18] ). De werkzaamheden die [medeverdachte 5] vanaf 20 september 2010 voor SNSPF heeft verricht, vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht welke op 10 september 2010 is gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 17] . Vervolgens is een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. Beide overeenkomsten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] verklaart dat hij in augustus 2010 via [medeverdachte 7] in contact is gekomen met [verdachte] . [verdachte] heeft [medeverdachte 5] gebeld en aan hem meegedeeld om welke functie bij SNSPF het zou gaan en heeft hem gevraagd zijn cv te sturen. [medeverdachte 5] heeft vervolgens zijn cv aan [verdachte] gemaild. Daarna heeft [medeverdachte 5] een gesprek gehad met [medeverdachte 1] , waarin de werkzaamheden en het uurtarief zijn besproken. [medeverdachte 5] heeft met [medeverdachte 1] onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. Ongeveer twee weken later kreeg [medeverdachte 5] een concept contract met daarin een uurtarief van € 225,-. Met [medeverdachte 7] maakte [medeverdachte 5] de afspraak dat hij 30 procent (€ 75,-) per gewerkt uur zou afdragen aan [medeverdachte 7] . Op verzoek van [medeverdachte 7] werden de betalingen van deze afdracht gedaan via [verdachte] . Door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2012 in totaal een bedrag van € 289.908,75 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 17] . Deze facturen zijn in de periode van 12 november 2010 tot en met 27 januari 2013 door [bedrijf 17] voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medeverdachte 5] aan de vennootschappen van [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld: - [verdachte] : € 25,-; - [medeverdachte 1] : € 25,-; - [medeverdachte 7] : € 25,-. De omschrijving op de facturen, die aan [medeverdachte 5] gericht waren, had volgens [verdachte] anders moeten zijn, namelijk bemiddelingsfee. [verdachte] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [medeverdachte 1] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed. Over [medeverdachte 5] verklaart [verdachte] gelijkluidend. [medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] op enig moment mensen heeft aangebracht bij [verdachte] . In een gesprek met [medeverdachte 7] heeft [medeverdachte 4] onderhandeld en een korting gekregen van € 15,- per door [medewerker 4] en [medewerker 5] gewerkt uur. Deze korting heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 5] gedeeld. In eerste instantie zou de fee worden verrekend met de fee die werd betaald. Op verzoek van [medeverdachte 7] is deze fee toch gefactureerd. De facturering van deze fee deed [medeverdachte 5] via [bedrijf 18] De facturen werden door [medeverdachte 5] verwerkt in de administratie van [bedrijf 18] [medeverdachte 5] wist hoeveel er gefactureerd moest worden, omdat [verdachte] de uren van [medewerker 4] en [medewerker 5] aan hem doorstuurde. De facturen maakte [medeverdachte 5] thuis in [vestigingsplaats] op of bij zijn ouders in Enschede. Door [bedrijf 18] is in de periode van 25 november 2010 tot en met 25 november 2012 een bedrag van in totaal € 40.378,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . Deze facturen zijn in de periode van 3 december 2010 tot en met 16 december 2012 voldaan. [medewerker 5] en [medewerker 4] [medewerker 5] verklaart dat hij in 2007 samen met [medewerker 4] een bedrijf is begonnen: [bedrijf 19] BV (hierna: [bedrijf 19] ). De personal holding van [medewerker 5] , waarvan hij directeur grootaandeelhouder is, is voor 50 procent aandeelhouder van [bedrijf 19] . [medewerker 5] is tevens bestuurder van [bedrijf 19] . [medewerker 4] verklaart dat hij 100 procent eigenaar is van [bedrijf 20] BV. Deze holding is 50 procent eigenaar van [bedrijf 19] . De werkzaamheden die [medewerker 5] vanaf 1 oktober 2010 voor SNSPF heeft verricht, vloeien voort uit een overeenkomst van opdracht welke is gesloten tussen SNSPF en [bedrijf 19] . Vervolgens is een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. Beide overeenkomsten zijn mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medewerker 4] heeft vanaf 1 oktober 2010 voor SNSPF werkzaamheden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht tussen SNSPF en [bedrijf 19] . Ook met [medewerker 4] is een aanvullende overeenkomst gesloten voor de duur van 16 maanden, ingaande op 1 september 2011. Ook deze overeenkomsten zijn beide mede ondertekend door [medeverdachte 1] . [medewerker 5] verklaart dat hij via [medeverdachte 4] in contact is gekomen met [verdachte] . Als zij (de rechtbank begrijpt: [medewerker 5] en [medewerker 4] ) aangenomen zouden worden bij SNSPF, dan wilde [verdachte] daarvoor een vergoeding van 30 procent van hun uurloon. Uiteindelijk stelde [medewerker 5] facturen op voor SNSPF van de gewerkte uren van [medewerker 5] en [medewerker 4] . Op basis van die gewerkte uren ontvingen zij van [verdachte] een factuur waarop hij 30 procent in rekening bracht. De facturen van [verdachte] waren afkomstig van [bedrijf 8] . [verdachte] gaf aan dat hij liever niet wilde dat deze afspraak bekend werd. Er zijn volgens [medewerker 5] door [verdachte] geen andere diensten of adviezen gegeven door [verdachte] . Alle facturen die hij stuurde hadden betrekking op de introductie bij SNS. [medewerker 4] verklaart dat hij via [medewerker 5] in contact is gekomen met [verdachte] . Uiteindelijk heeft een gesprek plaatsgevonden met [medeverdachte 1] , waarin een bandbreedte is genoemd van het uurtarief. Later zijn de contracten toegestuurd, waarin een vergoeding stond van € 225,- per uur. Op de facturen van [verdachte] stond “adviesdiensten”. Er hebben niet daadwerkelijk adviesdiensten plaatsgevonden, [verdachte] heeft alleen de introductie van [medewerker 4] en [medewerker 5] bij SNSPF verricht. [verdachte] verklaart dat SNSPF niet op de hoogte was van de vergoeding die hij ontving van [medewerker 5] en [medewerker 4] . [verdachte] heeft alleen [medeverdachte 1] verteld dat hij deze vergoeding ontving. Daarnaast waren [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op de hoogte van de afspraak tussen [verdachte] en [medewerker 5] en [medewerker 4] . Door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is in de periode van 17 november 2010 tot en met 16 december 2012 in totaal een bedrag aan € 175.987,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 19] , met als omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [bedrijf 19] B.V. - dhr. [medewerker 5] ”. Deze facturen zijn in de periode van 29 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan. Verder zijn door [bedrijf 7] en [bedrijf 8] in de periode van 17 november 2010 tot en met 17 januari 2013 facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 282.862,50 (exclusief btw) naar [bedrijf 19] , met de omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [bedrijf 19] B.V. - dhr. [medewerker 4] ”. Deze facturen zijn in de periode van 3 december 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan. Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medewerker 4] en [medewerker 5] aan de vennootschappen van [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld: - [verdachte] : € 20,-; - [medeverdachte 1] : € 20,-; - [medeverdachte 7] : € 20,-; - [medeverdachte 4] : € 7,50; - [medeverdachte 5] : € 7,50. [medeverdachte 7] [bedrijf 21] (hierna: [bedrijf 21] ) is het bedrijf van de dochter van [medeverdachte 7] , waarvan hij feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is. [bedrijf 21] is gevestigd te [vestigingsplaats] , Tsjechië. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat een aantal mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. Toen [verdachte] hem vroeg of hij nog mensen kende, heeft [medeverdachte 7] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aanbevolen. [verdachte] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei dat [medeverdachte 7] er ook aan kon verdienen. Via [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 7] cv’s doorgestuurd van [medewerker 4] en [medewerker 5] . Ook [medeverdachte 8] heeft hij aanbevolen. [medeverdachte 7] stuurde de cv’s door naar [verdachte] voor een introductie bij SNSPF. [medeverdachte 7] kreeg een vergoeding voor het aanbrengen van deze externen, een bedrag per door de jongens gewerkt uur. Bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] was dat € 25,- per uur, bij [medewerker 4] en [medewerker 5] was dat bedrag wat lager. De betalingen liepen via [verdachte] . De verdeling van de betaling van [medewerker 4] en [medewerker 5] met [medeverdachte 4] heeft hij besproken met [verdachte] . [medeverdachte 7] heeft niet met [verdachte] besproken of SNS van de afspraken wist. [verdachte] heeft verklaard dat er personen door bemiddeling van [medeverdachte 7] bij SNSPF zijn gekomen. Met deze personen is door [medeverdachte 7] een bemiddelingsfee afgesproken, die verdeeld werd onder hem, [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft met [medeverdachte 7] afspraken gemaakt over het aanbrengen van mensen. [medeverdachte 7] zou een deel van het tarief krijgen dat de aangenomen mensen zouden betalen. [verdachte] gaf aan [medeverdachte 7] door wat gefactureerd kon worden. [medeverdachte 7] stuurde dan een factuur vanuit [bedrijf 21] in Tsjechië naar [bedrijf 8] of [bedrijf 7] . [medeverdachte 7] kreeg een deel van de bemiddelingsfee van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medewerker 4] , [medewerker 5] , en [medeverdachte 8] . [verdachte] heeft hierover, buiten [medeverdachte 1] , niemand binnen SNSPF ingelicht. Voor het ontvangen van de betalingen maakte [medeverdachte 7] maandelijks een factuur op op naam van [bedrijf 21] . [verdachte] gaf aan hem door hoeveel hij kon factureren. De factuur verzond [medeverdachte 7] naar [verdachte] . [medeverdachte 7] heeft alle facturen zelf opgemaakt vanuit huis (de rechtbank begrijpt: te [vestigingsplaats] ). De omschrijving op de facturen heeft hij zelf bedacht. Fysiek heeft hij geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 8] . Hij heeft het format van de facturen aangepast zodat deze opgenomen konden worden in de administratie van [bedrijf 21] . De gefactureerde bedragen heeft hij ontvangen, deels op de rekening van [bedrijf 21] en deels op zijn eigen rekening. In de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 is door [bedrijf 21] een totaalbedrag van € 324.927,15 (exclusief btw) gefactureerd aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . Deze facturen zijn in de periode van 22 november 2010 tot en met 8 februari 2013 voldaan, te weten een bedrag van € 187.429,64 door [bedrijf 7] en een bedrag van € 137.497,51 door [bedrijf 8] . Niveau 2: Aanvullende bewijsmiddelen voor gewoontewitwassen en criminele organisatie Bestemming ontvangsten [verdachte] heeft via zijn vennootschappen in de periode van 10 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voornoemde gefactureerde betalingen ontvangen van de vennootschappen [bedrijf 15] , [bedrijf 13] , [bedrijf 12] , [bedrijf 19] , [bedrijf 17] en [bedrijf 16] . Een deel hiervan, te weten een bedrag van € 1.074.013,- (inclusief btw), is ontvangen op de rekening van [bedrijf 7] . Bij aanvang van voornoemde periode is het saldo op deze rekening € 20.037,56. Na afloop van deze periode is het saldo op deze rekening € 12.037,41. Nagenoeg alle inkomsten die op deze rekening zijn binnengekomen, waaronder voornoemde betalingen, zijn gedurende deze periode weer van de rekening afgeschreven. Vanaf de rekening van [bedrijf 7] worden in de genoemde periode onder meer overboekingen verricht ten behoeve van “Huur [adres] ” voor een totaalbedrag van € 35.100,- en aan de Belastingdienst voor een totaalbedrag van € 28.006,. Het resterende deel, te weten een bedrag van € 946.507,- (inclusief btw), is ontvangen op de rekening van [bedrijf 8] vanaf de opening van deze rekening op 24 januari 2012. Bij aanvang van de periode bedraagt het saldo van deze rekening nihil. Na afloop van voornoemde periode is het saldo op deze rekening € 45,83. Nagenoeg alle inkomsten die op deze rekening zijn binnengekomen, waaronder voornoemde betalingen, zijn gedurende deze periode weer van de rekening afgeschreven. Vanaf de rekening van [bedrijf 8] worden in de genoemde periode onder meer overboekingen verricht aan de Belastingdienst voor een totaalbedrag van € 104.887,-. Correspondentie [verdachte] en [medeverdachte 1] Tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] vindt op 21 november 2010 de volgende emailcorrespondentie plaats. [medeverdachte 1] aan [verdachte] : Ik zit een beetje de admin te doen en wil even de volgende zaken afstemmen; Ik stuur vanuit de nieuwe Bv een nota voor ons gezamenlijke project (voorloper [bedrijf 9] ) voor een bedrag van 23262,50 ex btw (dit is tot en met october). Tevens stuur ik twee nota’s een vanuit salva 20.000 en een vanuit [bedrijf 3] BV. (…) Laat even weten of je het hier mee eens bent en of de bedragen qua berekening klopt! (…) [verdachte] aan [medeverdachte 1] : 1ste is t/m oktober 22.723,75 ex BTW (verschil met jouw is verdeling [medewerker 4] / [medewerker 5] denk

  1. ik)(…) In reactie op een e-mail van [medewerker 4] en [medewerker 5] stuurt [verdachte] op 18 december 2012 het volgende bericht: Jullie hebben kennelijk niet begrepen (of willen niet begrijpen) hoe de contractverlengingen tot stand gekomen zijn; dat is echt niet zomaar op initiatief van SNSPF. (…) Toch is er aardig wat lobby werk aan vooraf gegaan, het is ten slotte ook niet toevallig dat van de groep Groningers vrijwel alle contracten verlengd zijn. Vergeet ook niet wiens handtekening onder jullie contract staat. (…) De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. 4.3.2 Korte samenvatting feiten en omstandigheden Voor de leesbaarheid van dit vonnis volgt hier een korte samenvatting van de opgesomde bewijsmiddelen. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 7] hebben verschillende personen benaderd om werkzaamheden te gaan verrichten voor SNSPF. Na een sollicitatiegesprek met [medeverdachte 1] is een overeenkomst van opdracht gesloten tussen de vennootschappen van deze personen en SNSPF. Op enig moment is de afspraak gemaakt om een deel van het uurtarief dat deze personen ontvingen af te dragen aan de personen die hen hadden aangebracht bij SNSPF. Door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 7] zijn vervolgens facturen gestuurd ter verkrijging van deze afdrachten. De omschrijving op de facturen had als strekking: advieswerkzaamheden. Enkele personen die een deel van hun tarief afdroegen hebben ook zelf personen aangebracht bij SNSPF. Hiervoor hebben zij ook een vergoeding ontvangen. De betalingsafspraken zijn niet gemeld aan SNSPF. De rechtbank zal in de volgende paragrafen uitwerken of vorenstaande bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde strafbare feiten dienen te leiden. 4.3.3 Vrijspraak van oplichting en verduistering Oplichting van SNS(PF) Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachten tezamen en in vereniging SNSPF en/of SNS Reaal N.V. (hierna: SNS) hebben bewogen tot afgifte van (aanvullende) overeenkomsten van opdracht en geldbedragen, namelijk de daarin opgenomen te hoge uurtarieven, door middel van de in de tenlastelegging opgenomen oplichtingshandelingen. Een deel van de uurtarieven is vervolgens gebruikt voor de onderlinge betalingen, die voor SNS(PF) werden verzwegen. Indien de oplichtingsmiddelen niet tegenover SNS(PF) waren aangewend, was zij niet overgegaan tot afgifte van deze geldbedragen en/of het sluiten van deze overeenkomsten. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Oplichting is het door het gebruikmaken van een (oplichtings-)middel een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, waaronder de afgifte van een goed en het aangaan van een schuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dan wel een combinatie daarvan. Tussen het aanwenden van (één van) genoemde oplichtingsmiddelen en één van voormelde gedragingen waartoe de bedrogene wordt bewogen, dient een causaal verband te bestaan. De gestelde oplichtingshandelingen zijn uitgewerkt in de tenlastelegging. De rechtbank zal de dagvaarding partieel nietig verklaren ten aanzien van de eerste oplichtingshandeling, inhoudend dat verdachten aan SNS(PF) zouden hebben voorgehouden en/of in strijd met de werkelijkheid de indruk gewekt zouden hebben (enkel) de belangen van SNS(PF) te zullen behartigen, nu dit verwijt te algemeen en onbepaald is omschreven. Anders dan in de Icare-zaak (ECLI:NL:GHARL:2012:CA1943) is nagelaten nader te concretiseren ten aanzien van welke rechtshandeling(
  2. en)deze belangenbehartiging in de ten laste gelegde periode zou zijn voorgewend. Zonder die concretisering is het geformuleerde verwijt te ruim en te vaag. Deze oplichtingshandeling is dan ook onvoldoende feitelijk omschreven en de dagvaarding is op dit punt partieel nietig. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de in feit 6 als tweede en als zesde opgenomen oplichtingshandeling (niveau 2) partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit omdat de tenlastelegging op dit onderdeel volstrekt onbegrijpelijk is. De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw niet heeft onderbouwd waarom deze onderdelen onbegrijpelijk zouden zijn. In aanmerking genomen de inhoud van het dossier en de toelichting van de officieren van justitie bij requisitoir, is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging ook op deze onderdelen voldoende duidelijk is en dat geen misverstand kan bestaan over de inhoud van het verwijt. Het verweer wordt dus verworpen. De tweede en derde oplichtingshandeling inhoudende -kort gezegd- het verzwijgen van het feit dat betalingen zijn overeengekomen en het verzwijgen van die betalingen zelf acht de rechtbank bewezen. In feit 6 (niveau 2) is hierna een vierde oplichtingshandeling toegevoegd, inhoudende de verzwijging van de verrekening van deze betalingen door [verdachte] met externen in niveau 2. Ook deze verzwijging acht de rechtbank bewezen. Overwegingen hierover zijn hieronder nader uitgewerkt bij de bespreking van de niet‑ambtelijke omkoping. De overige drie ten laste gelegde oplichtingshandelingen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen en zij overweegt daartoe als volgt. Het verwijt met betrekking tot de benchmark houdt in dat deze ondeugdelijk was en dat deze is gebruikt voor het verkrijgen van (niet marktconforme, te hoge) tarieven. Allereerst kan aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld dat de gehanteerde tarieven hoger waren dan marktconform. Daarbij is van belang dat verschillende andere medewerkers van SNSPF met een vergelijkbare functie, die niet als verdachten zijn aangemerkt, vergelijkbare uurtarieven hadden. Bovendien kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld op welk moment de directie van SNS(PF) bekend is geworden met het benchmarkonderzoek. In het najaar van 2010 heeft Group Audit een rapport uitgebracht waarin zij concludeert dat het benchmarkonderzoek zodanige gebreken vertoont dat het niet kan dienen als onderbouwing voor de gehanteerde tarieven. Nadat de directie van SNS(PF) met dit rapport bekend is geworden, zijn er echter geen maatregelen genomen om de tarieven naar beneden bij te stellen. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat het benchmarkonderzoek is “overgelegd of ingebracht” ter “onderbouwing of rechtvaardiging” van de gehanteerde tarieven. Niet kan worden vastgesteld dat het benchmarkonderzoek vóór het onderzoek van Group Audit aan de directie van SNS(PF) is overgelegd ter onderbouwing van de nieuwe tarieven. Met betrekking tot de oplichtingshandeling betreffende de detachering ziet de rechtbank niet in hoe in dit geval sprake kan zijn van detachering of enige vorm hiervan. De relatie tussen de verdachten kan niet worden geduid als “een vorm van detachering”. Geen sprake is van een driepartijen-overeenkomst tussen SNSPF, verdachte en (één van) de medeverdachten. Anders dan in een detacheringsverhouding verrichtten de verdachten zelfstandig werkzaamheden voor SNSPF. Ook heeft de rechtbank niet kunnen constateren dat verdachte en/of de medeverdachten hebben voorgewend dat de overeengekomen uurtarieven noodzakelijk waren voor het werven/behouden van die betrokkenen (de laatste oplichtingshandeling). Daarbij komt dat [B] en [C] , toenmalige directieleden, verklaren dat destijds opdracht is gegeven tot het binden van externen. Een tariefsverhoging werd volgens hen begrijpelijk en kennelijk aanvaardbaar geacht. Dat de noodzaak hiervan voorgewend moest worden, kan dus niet worden vastgesteld. Concluderend acht de rechtbank in niveau 1 twee oplichtingshandelingen en in niveau 2 drie oplichtingshandelingen, te weten het verzwijgen van het feit dat betalingen zijn overeengekomen, het verzwijgen van die betalingen zelf en het verzwijgen van de verrekening daarvan, bewezen. Voor een bewezenverklaring van oplichting zoals bedoeld in artikel 326 Sr dient een causaal verband te bestaan tussen de oplichtingshandelingen (indien aan te merken als een oplichtingsmiddel) en één van de gedragingen waartoe de opgelichte wordt bewogen. Deze moet door de inwerking van die handelingen gebracht worden tot hetgeen hij doet. De rechtbank is van oordeel dat er -voor zover de bewezenverklaarde verzwijgingen al gekwalificeerd kunnen worden als een oplichtingsmiddel- onvoldoende bewijs is dat SNS(PF) hierdoor is bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten van opdracht en de afgifte van de geldbedragen. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat sprake is van een professionele organisatie, waarvan mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betracht. De werkzaamheden van de verdachten werden positief beoordeeld en de uurtarieven werden breed gehanteerd. Niet is gebleken dat de gehanteerde uurtarieven niet marktconform waren en/of kunstmatig zijn verhoogd. SNS(PF) was kennelijk bereid deze tarieven te betalen. Zelfs nadat het rapport van Group Audit bekend is geworden heeft dit niet tot aanpassingen geleid. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat SNS(PF) deze tarieven heeft betaald en deze (aanvullende) overeenkomsten is aangegaan dóórdat betalingsafspraken en de voldoening hiervan zijn verzwegen en zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde oplichting. Verduistering Voor bewezenverklaring van verduistering is vereist dat bewezen kan worden dat verdachte (samen met de medeverdachten) zich de genoemde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Gelet op het voorgaande is niet bewezen dat SNS(PF) door middel van oplichting is bewogen tot het betalen van (te hoge) tarieven en het aangaan van overeenkomsten van opdracht. De uitbetaling van uurtarieven is conform de onderliggende overeenkomsten van opdracht gebeurd. Er is dan ook geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening van (een deel van) de overeengekomen vergoeding voor geleverde werkzaamheden nu niet kan worden bewezen dat betrokkenen hier geen recht op hadden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde verduistering. Conclusie Uit het vorenstaande volgt dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 (primair en subsidiair) en 6 (primair en subsidiair) ten laste gelegde. Ook volgt uit het vorenstaande dat niet kan worden vastgesteld dat SNS(PF) door de ten laste gelegde handelingen en toedoen van verdachten direct financieel nadeel heeft geleden. Dat de bank wel is geschaad op het gebied van vertrouwen en integriteit en dat sprake is geweest van (een risico
  3. op)belangenverstrengeling wordt nader uitgewerkt onder 4.3.4. 4.3.4 Bewijsoverwegingen Algemeen Vervolging rechtspersonen en/of natuurlijke personen De verdediging heeft ten aanzien van (een gedeelte van) het feitencomplex naar voren gebracht dat, gelet op de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen van [verdachte] en het feit dat hij eventuele handelingen niet in privé maar als bestuurder van de vennootschappen heeft verricht, [verdachte] zelf niet als (mede)pleger kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt allereerst dat de vervolging of het daderschap van een rechtspersoon de vervolging of het daderschap van natuurlijke personen niet uitsluit. Het staat het Openbaar Ministerie in beginsel vrij te beslissen of de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon op grond van het eigen daderschap wordt vervolgd (HR 21-10-1986, NJ 1987, 362 en ECLI:NL:PHR:2007:BA7261). De stelling dat het daderschap van een rechtspersoon daderschap van een natuurlijk persoon uitsluit, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Dit verweer wordt dan ook verworpen. Toerekening aan rechtspersonen Daarnaast is voor de onderstaande bewijsoverwegingen van belang dat een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 Sr) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de betreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (ECLI:NL:HR:2003:AF7938). Passieve niet-ambtelijke omkoping Aan [verdachte] is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich niet-ambtelijk heeft laten omkopen door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medewerker 4] en [medewerker 5] (feit 9). Het eerste lid van artikel 328ter Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt: “Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.” De rechtbank zal hieronder de verschillende onderdelen van dit artikel beoordelen. Lasthebber De verdediging heeft betoogd dat [verdachte] niet in dienstbetrekking was bij SNSPF en ook niet als lasthebber kan worden aangemerkt. De overeenkomsten van opdracht die door [verdachte] met SNSPF zijn gesloten kunnen -civielrechtelijk- niet als overeenkomsten van lastgeving worden aangemerkt. De rechtbank overweegt allereerst dat voor de interpretatie van begrippen in het Wetboek van Strafrecht niet altijd aansluiting hoeft te worden gezocht bij de definities uit het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient juist zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van het betreffende strafbare feit. Daarbij is van belang dat de wetgever het beschermd belang van deze bepaling niet uitsluitend heeft beperkt tot de relatie tussen werkgever en werknemer, maar ook oog had voor de publieke moraal en de openbare orde. Het vertrouwen dat in de werknemer of lasthebber wordt gesteld krijgt meer inhoud naarmate bevoegdheden worden gedelegeerd en de specialisatie binnen de onderneming voortschrijdt (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 7). De huidige Memorie van Toelichting van artikel 328ter Sr betrekt het te beschermen belang -zonder aanpassing van het begrip lasthebber- eveneens op de belangen van de consument, de economische sector en de samenleving als geheel (Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15). Gelet op de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] (en zijn vennootschappen) in zijn relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen is. Juist het grote vertrouwen dat in [verdachte] werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan hem en andere externe medewerkers werden toegekend, maken dat zij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen. Het aannemen van een gift De rechtbank stelt vast dat de term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is sprake, in de vorm van de geldbedragen die aan [verdachte] zijn overgemaakt. Naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten De verdediging heeft gesteld dat [verdachte] geen tegenprestatie heeft geleverd voor de betalingen die aan hem zijn gedaan in niveau 2. Bovendien is er geen verband te leggen tussen de betalingen die hij ontving en zijn werkzaamheden bij SNSPF. De rechtbank stelt voorop dat de woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” inhouden dat de gift moet zijn gedaan of aangenomen naar aanleiding van een verrichte of nog te verrichten prestatie van de ontvanger. Een concrete prestatie van de omgekochte is echter niet altijd vereist (HR 27 november 1991, NJ 1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990, DD 90.197). Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het verrichten van een prestatie “in de uitvoering van zijn last”, zoals hieronder nader overwogen. Opgemerkt wordt dat een prestatie zowel vóór de betalingen als ná de betalingen kan zijn verricht. Alle personen in niveau 2 die met [verdachte] betalingsafspraken hebben gemaakt ( [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medewerker 4] en [medewerker 5] ) verklaren dat zij [verdachte] betaalden omdat hij hen had geïntroduceerd bij SNSPF. Door niemand van hen wordt verklaard dat er een andere aanleiding was om een deel van hun uurtarief af te dragen aan [verdachte] . Ook voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft [verdachte] de introductie bij [medeverdachte 1] verzorgd. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] maakten de betalingsafspraak weliswaar met [medeverdachte 7] , maar buiten hun weten om is een deel van de betaling bij [verdachte] gebleven. Deze afspraak tot verdeling tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] is dus ook terug te leiden tot het feit dat [verdachte] voor de introductie heeft zorg gedragen. De rechtbank is van oordeel dat de introductie van de hiervoor genoemde medewerkers door [verdachte] is gedaan “in de uitvoering van zijn last”. Op het moment dat deze introducties plaatsvonden werkte [verdachte] al bij SNSPF en wist hij dat er nieuwe medewerkers nodig waren. [verdachte] heeft hen (na in sommige gevallen een kennismakingsgesprek te hebben gehad) voorgedragen bij degene die medeverantwoordelijk was voor het aannemen van nieuwe medewerkers, namelijk [medeverdachte 1] . De rechtbank kan deze omstandigheden niet anders duiden dan dat [verdachte] vanuit zijn functie bij SNSPF de hiervoor genoemde personen heeft geïntroduceerd. Door de officieren van justitie is betoogd dat de prestatie (mede) gelegen was in het feit dat [verdachte] via [medeverdachte 1] invloed had op de beslissingen die binnen SNSPF over de externe medewerkers werden genomen. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit het dossier blijkt niet dat door [verdachte] hierover toezeggingen zijn gedaan aan degenen die aan hem een deel van hun uurtarief afdroegen. Ook is er geen correspondentie aangetroffen tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] waaruit blijkt dat [verdachte] via [medeverdachte 1] invloed uitoefende op de besluiten die binnen SNSPF werden genomen. Wel blijkt uit het dossier dat tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] sprake is geweest van een nauwe samenwerking. Echter, zelfs al zou [verdachte] via [medeverdachte 1] invloed hebben gehad (zoals hij in de e-mail aan [medewerker 4] en [medewerker 5] suggereert, D‑0175), dan nog blijkt onvoldoende dat de ‘betalers’ van deze invloed op de hoogte waren en dat deze invloed een reden voor de betaling vormde. In strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever De verdediging heeft naar voren gebracht dat de onderlinge afspraken die door [verdachte] zijn gemaakt, niet in strijd met de goede trouw zijn verzwegen tegenover SNSPF. De afspraken stonden los van de relatie met SNSPF en hoefden daarom niet te worden gemeld. Bij het bestanddeel goede trouw geldt dat van essentieel belang is of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen (Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 3). Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de goede trouw is toegevoegd om onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien of relatiegeschenken en buitenlandse handelsgebruiken buiten het bereik van deze strafbepaling te laten vallen (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15-16). Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de onderlinge afspraken en betalingen aan SNSPF had moeten melden en dat hij door dit na te laten heeft gehandeld in strijd met de goede trouw. [verdachte] was werkzaam bij een bank. Juist bij banken is het van groot belang dat de integriteit gewaarborgd blijft en belangenverstrengeling wordt voorkomen. [verdachte] had zich moeten realiseren dat deze geldstromen tussen externe medewerkers van SNSPF kenbaar hadden moeten zijn voor de organisatie. Daarbij is van belang dat sprake was van grote, maandelijks terugkerende geldbedragen. Het verzwijgen van dit soort grote bedragen die maandelijks worden betaald is -anders dan het ontvangen van onbeduidende fooien- evident in strijd met de goede trouw. Bovendien was de afdracht gekoppeld aan het aantal uren dat bij SNSPF gewerkt werd. Daardoor zou zich een vorm van belangenverstrengeling voor kunnen doen tussen [verdachte] en degene die het geld aan hem afdroeg. Of deze belangenverstrengeling daadwerkelijk bestond, kon echter pas door SNSPF worden beoordeeld op het moment dat zij van deze betaalstromen op de hoogte was. Die beoordeling had [verdachte] door het melden van deze betaalstromen mogelijk moeten maken. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich niet-ambtelijk heeft laten omkopen door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medewerker 4] en [medewerker 5] (feit 9). Actieve niet-ambtelijke omkoping Aan [verdachte] is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij -samen met zijn vennootschappen- [medeverdachte 1] heeft omgekocht met geld dat hij declareerde bij SNSPF (feit 2 - niveau 1) en met geld dat hij ontving van degenen die hij had aangebracht bij SNSPF (feit 7 - niveau 2) en dat hij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] omkocht met geld dat hij ontving van [medeverdachte 6] , [medewerker 4] en [medewerker 5] (feit 11 - niveau 2). Het tweede lid van artikel 328ter Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt: “Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.” Ook hier zal de rechtbank de verschillende onderdelen van de wetstekst beoordelen. Lasthebber De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader van de term lasthebber naar hetgeen is overwogen onder de passieve niet-ambtelijke omkoping. Gelet op de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] (en hun vennootschappen) in hun relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen zijn. Juist het grote vertrouwen dat in de externe medewerkers werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan hen werden toegekend, maken dat zij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen. Het doen van een gift De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is van een gift, omdat de reden voor de betalingen aan [verdachte] gelegen was in de ereschuld die tussen hen bestond. De rechtbank stelt vast dat de term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is sprake, in de vorm van de geldbedragen die aan [medeverdachte 1] zijn overgemaakt. De rechtbank zal in het volgende onderdeel ingaan op de vraag of de grondslag van de betalingen gelegen was in de ereschuld. Naar aanleiding van hetgeen deze in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader van de woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” naar hetgeen is overwogen onder de passieve niet-ambtelijke omkoping. Hieronder zal eerst worden ingegaan op de stelling van de verdediging dat -kort gezegd- de betalingen aan [medeverdachte 1] betrekking hadden op een ereschuld en niet op omkoping. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is geweest van het verrichten van een prestatie “in de uitvoering van zijn last”, zoals hieronder nader overwogen. Prestatie ten aanzien van [medeverdachte 1] in niveau 1 en niveau 2 De verdediging heeft aangevoerd dat de betalingen die door [verdachte] aan [medeverdachte 1] werden gedaan, zagen op een ereschuld. Deze ereschuld zou zijn ontstaan voordat [medeverdachte 1] en [verdachte] bij SNSPF werkzaam waren en de betalingen zouden dus ook geen betrekking hebben op hun relatie bij SNSPF. De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] over de ereschuld niet aannemelijk. Allereerst blijkt dat deze verklaringen onderling niet overeenkomen. Daarbij komt dat enige objectieve ondersteuning van de door [medeverdachte 1] en [verdachte] gegeven lezing ontbreekt. Wisselende en tegenstrijdige verklaringen Wat betreft de wisselende en tegenstrijdige verklaringen neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. [verdachte] heeft steeds verklaard dat alle betalingen aan [medeverdachte 1] zagen op de ereschuld. [medeverdachte 1] zegt echter in zijn eerste verklaringen bij de FIOD dat de betalingen van [verdachte] aan hem tweeledig waren. Een deel van de betalingen van [verdachte] zag volgens [medeverdachte 1] op nivellering. In de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] van 21 maart 2013 die hij samen met zijn raadsman heeft opgesteld, verklaart hij dat [verdachte] hem ook betaalde omdat hij via hem bij SNSPF is komen werken. Pas na zijn invrijheidstelling -en nadat hij kennis heeft kunnen nemen van onder meer de verklaringen van [verdachte] - verklaart [medeverdachte 1] dat de betalingen van [verdachte] geheel zagen op de ereschuld die tussen hen bestond. Vanaf dat moment komen de verklaringen van [medeverdachte 1] beter overeen met de verklaringen van [verdachte] . Bovendien wordt niet alleen over de reden van de betalingen verschillend verklaard door [medeverdachte 1] en [verdachte] , ook over de hoogte van de ereschuld wordt niet gelijkluidend verklaard. In eerste instantie verklaart [medeverdachte 1] weinig concreet; volgens hem ziet een deel van de betalingen op het feit dat hij “misschien nog wel iets tegoed had van [verdachte] ”. [verdachte] verklaart dat de ereschuld ongeveer tussen de € 200.000,- en € 400.000,- bedroeg. [medeverdachte 1] verklaart eerst dat hij niet weet hoe hoog de schuld van [verdachte] aan hem is. Later verklaart hij dat de ereschuld ziet op een bedrag van ongeveer € 600.000,-. Uiteindelijk is door [verdachte] een bedrag van ruim € 618.000,- betaald aan [medeverdachte 1] . Geen objectieve ondersteuning De ereschuld is volgens [medeverdachte 1] en [verdachte] ontstaan uit de werkzaamheden en de kapitaalplaatsing die [medeverdachte 1] heeft verricht voor een voormalig bedrijf van [verdachte] : [bedrijf 22] . De rechtbank vindt het opmerkelijk dat van deze ereschuld niets schriftelijk is vastgelegd. Niet alleen vanwege de hoogte van het bedrag dat [verdachte] aan [medeverdachte 1] verschuldigd zou zijn, maar ook gelet op de concrete werkzaamheden die ten grondslag zouden liggen aan deze schuld. Dit is nog opmerkelijker nu [medeverdachte 1] en [verdachte] beiden verschillend verklaren over de hoogte van de schuld. Op enig moment is [verdachte] , volgens beider verklaringen, begonnen met het afbetalen van de schuld, maar tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] is niet afgesproken welk bedrag zou worden afbetaald en hoelang [verdachte] door zou moeten gaan met het afbetalen van de schuld. Ook de getuigen die over dit onderwerp zijn gehoord hebben verklaard niets te weten over het bestaan van een ereschuld tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Zelfs de medewerkers van de accountant [accountant] horen pas in maart 2013 voor het eerst van het bestaan van deze ereschuld. Gelet op de wisselende verklaringen en het ontbreken van objectieve ondersteuning die de lezing van [medeverdachte 1] en [verdachte] bevestigen, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat er een ereschuld ten grondslag zou liggen aan de betalingen van [verdachte] aan [medeverdachte 1] . Nu er geen begin van aannemelijkheid is dat deze ereschuld de grondslag vormde van de betalingen, zal de rechtbank ook de door de verdediging (voorwaardelijk) verzochte getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] afwijzen. De rechtbank acht het niet noodzakelijk dat deze getuigen over dit onderwerp een verklaring afleggen. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat wel sprake is geweest van het verrichten van een prestatie “in de uitvoering van zijn last”. [medeverdachte 1] omschrijft de betalingen van niveau 1 onder meer als detacheringsfee of plaatsingsfee. Ook over [verdachte] verklaart [medeverdachte 1] dat hij hem onder meer betaalde, omdat [verdachte] zijn baan via [medeverdachte 1] had gekregen. [verdachte] is ook daadwerkelijk via [medeverdachte 1] bij SNSPF komen werken. De betalingen waren dus gekoppeld aan de rol die [medeverdachte 1] heeft gespeeld bij het aannemen van [verdachte] bij SNSPF. In die zin is dus sprake van een prestatie die betrekking heeft op de betalingen die aan [medeverdachte 1] zijn gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de betalingen van [verdachte] aan [medeverdachte 1] niet alleen zien op de introductie die door [medeverdachte 1] is gedaan, maar dat deze ook zijn gedaan om de goede relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] in stand te houden. Daarbij is van belang dat sprake was van een hiërarchische relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hem aangenomen, bepaalde zijn uurtarief en het aantal te werken uren. Anders dan de verdediging stelt, kan -gelet op de zeggenschap die [medeverdachte 1] in dit kader over [verdachte] had- geen sprake zijn van een (geheel) vrijwillige afdracht. Dat het voor [verdachte] van belang was dat hij de goede relatie met [medeverdachte 1] in stand hield, blijkt ook uit het feit dat [medeverdachte 1] zijn verlengingscontracten heeft medeondertekend. [medeverdachte 1] had daadwerkelijk de bevoegdheid om “in de uitvoering van zijn last” beslissingen te nemen die voor [verdachte] als medewerker van SNSPF van belang waren. Nadat [medeverdachte 1] te horen kreeg dat [verdachte] in niveau 2 ook (vergelijkbare) betalingen ontving, is tussen hen afgesproken dat een deel van deze betalingen zou worden doorgestort aan [medeverdachte 1] . Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat ook deze betalingen ten doel hadden de relatie met [medeverdachte 1] goed te houden of te bevorderen. Prestatie ten aanzien van de andere omgekochten in niveau 2 Naar het oordeel van de rechtbank is de tegenprestatie van de betaling van [verdachte] aan [medeverdachte 3] gelegen in het feit dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] heeft aangebracht en [medeverdachte 6] een deel van zijn uurtarief afdroeg aan [verdachte] . Dit wordt door [medeverdachte 3] ook expliciet verklaard. Van een andere aanleiding om een deel van het uurtarief van [medeverdachte 6] te mogen declareren is ook niet gebleken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de introductie van [medeverdachte 6] door [medeverdachte 3] is gedaan “in de uitvoering van zijn last”. Op het moment dat de introductie van [medeverdachte 6] plaatsvond werkte [medeverdachte 3] al bij SNSPF en wist hij dat er nieuwe medewerkers nodig waren. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 6] vervolgens voorgedragen aan [verdachte] , waarna [medeverdachte 6] door [medeverdachte 1] is aangenomen als externe medewerker van SNSPF. De rechtbank kan deze omstandigheden niet anders duiden dan dat [medeverdachte 3] vanuit zijn functie bij SNSPF [medeverdachte 6] heeft geïntroduceerd. [verdachte] droeg ook een deel van de vergoeding die hij ontving van [medewerker 4] en [medewerker 5] af aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] kreeg deze afdracht, omdat hij [medewerker 4] en [medewerker 5] had aangebracht. Nadat [medeverdachte 4] dit verzoek had gedaan bij [medeverdachte 7] is er overleg geweest tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] . [medeverdachte 7] heeft hiervoor toestemming gegeven aan [medeverdachte 4] , waarna [medeverdachte 4] zijn facturen stuurde naar de vennootschappen van [verdachte] en de betalingen ontving. Gelet op de nauwe samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 7] is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 7] dit feit met [verdachte] heeft medegepleegd. Net als bij [medeverdachte 3] is ook in dit geval de grondslag van de afdracht gelegen in het feit dat door [medeverdachte 4] nieuwe medewerkers zijn aangebracht. Ook [medeverdachte 4] heeft deze introductie gedaan “in de uitvoering van zijn last”. Hoewel de aanleiding van de betaling van [verdachte] aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de introductie van [medeverdachte 6] , [medewerker 4] en [medewerker 5] betrof, was de motivatie om [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] te betalen allereerst gelegen in het feit dat [medeverdachte 6] , [medewerker 4] en [medewerker 5] aan [verdachte] een deel van hun uurtarief betaalden. Daarnaast had [verdachte] er, naar het oordeel van de rechtbank, ook belang bij dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hem zouden blijven betalen en dat de verzwijging door hen niet zou worden doorbroken. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] [medeverdachte 5] heeft omgekocht. Voor omkoping is vereist dat er een verband is tussen de betaling en een bepaalde tegenprestatie. Uit het dossier blijkt echter niet dat [medeverdachte 5] enige betrokkenheid heeft gehad bij de tegenprestatie die ten grondslag ligt aan deze betalingen, namelijk de introductie van [medewerker 4] en [medewerker 5] door [medeverdachte 4] . De rechtbank zal [verdachte] van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken. Redelijkerwijs aannemen dat in strijd met de goede trouw wordt verzwegen Voor de strafbaarheid van de omkoper is niet bepalend of hij verwachtte dat de gift in strijd met de goede trouw zou worden verzwegen. Doorslaggevend is wat de omkoper gezien de aard van de gift, de omstandigheden waaronder de gift werd gedaan en zijn kennis van de (opvattingen in
  4. de)branche redelijkerwijs -objectief gezien dus- had moeten verwachten. De omkoper is strafbaar wanneer hij zich bewust had moeten zijn van de mogelijkheid dat de ontvanger van de gift dit in strijd met de goede trouw zou verzwijgen. Onbewuste schuld is daarvoor voldoende. [verdachte] heeft gedurende een periode van anderhalf jaar meerdere betalingen gedaan aan [medeverdachte 1] . In totaal is door hem een bedrag van ruim € 500.000,- aan [medeverdachte 1] overgemaakt. Dat SNSPF van deze betalingen op de hoogte had willen zijn, is evident. [medeverdachte 1] was betrokken bij de aanname en de vaststelling van het uurtarief van [verdachte] . Ook het verlengingscontract is door hem medeondertekend. Bovendien was [medeverdachte 1] de leidinggevende van [verdachte] . De betalingsafspraak maakte dat [medeverdachte 1] een belang had bij het aantal uren dat door [verdachte] bij SNSPF werd gewerkt. In dit geval was er voor [medeverdachte 1] geen prikkel om het aantal uren dat gemaakt werd in de hand te houden. Integendeel; naarmate [verdachte] meer uren werkte, kon [medeverdachte 1] hem meer in rekening brengen. Gelet op deze aard van de afspraak had [verdachte] redelijkerwijs moeten verwachten dat de afspraak verzwegen werd. [verdachte] had zich van deze verzwijging bewust moeten zijn. Temeer nu hij werkzaam was in het bankwezen, waar integriteit essentieel is en belangenverstrengeling grote gevolgen kan hebben. Dergelijke afspraken en betaalstromen zonder dat men hierin transparant is, maken een organisatie kwetsbaar. Ook voor de betalingen aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] geldt dat [verdachte] , gezien de aard van de afspraak, had moeten verwachten dat deze werden verzwegen voor SNSPF. Op enig moment was [medeverdachte 4] werkzaam binnen het project USQ, welk project onder de verantwoordelijkheid viel van [verdachte] . Hoewel [medeverdachte 3] niet viel onder de verantwoordelijkheid van [verdachte] , hadden de maandelijks terugkerende betalingen op basis van de uren van een andere SNSPF-medewerker, [verdachte] voldoende aanleiding moeten geven om te beseffen dat wetenschap van deze afspraak voor SNSPF van belang was. Dat deze afspraak echter verzwegen werd, kon [verdachte] ook afleiden uit het feit dat hijzelf ook deel uitmaakte van soortgelijke constructies waarvan SNSPF evenmin op de hoogte was. Medeplegen eigen vennootschap(pen) De niet-ambtelijke omkoping, zoals ten laste gelegd, wordt zowel voor [verdachte] als voor zijn vennootschappen bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen worden deze ook aan hen (als medeplegers) toegerekend. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] -samen met zijn vennootschappen- [medeverdachte 1] heeft omgekocht met geld dat hij per door hem gewerkt uur van SNSPF ontving (feit 2 - niveau 1) en met geld dat hij ontving van degenen die hij had aangebracht bij SNSPF (feit 7 - niveau 2). Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] -samen met zijn vennootschappen- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft omgekocht met geld dat hij ontving van [medeverdachte 6] , [medewerker 4] en [medewerker 5] (feit 11 - niveau 2). De omkoping van [medeverdachte 5] door [verdachte] acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal [verdachte] hiervan partieel vrijspreken. Valsheid in geschrift Valsheid facturen De verdediging heeft betoogd dat de facturen niet vals zijn omdat -kort gezegd- beide partijen wisten wat de onderliggende prestatie was, de omschrijving voldoende juist is en de gefactureerde bedragen niet te hoog zijn. De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht, zoals dit is overwogen bij de niet-ambtelijke omkoping. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld. Ook ten tijde van het opmaken van de facturen door [verdachte] en het verkrijgen van de door anderen opgemaakte facturen had hij wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen in werkelijkheid betrekking hadden en had hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard. Bewijsbestemming als waren de facturen echt en onvervalst De verdediging heeft ook betoogd dat geen sprake is geweest van een oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn wel gebruikt, maar de ontvanger is hierdoor niet misleid aangezien het zowel voor de opsteller als de geadresseerde duidelijk was waar de facturen op zagen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het oogmerk van de verdachte moet zijn gericht op het gebruik van het valse of vervalste geschrift als echt en onvervalst. Dit impliceert een gerichtheid op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik van het geschrift hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, nu facturen naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben. Bovendien zijn de facturen in dit geval ook nog opgenomen in de bedrijfsadministratie(
  5. s)waarmee temeer vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden -anderen dan de geadresseerden- als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en/of accountants (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212). De rechtbank acht dan ook bewezen dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Ook hebben de betalers deze door anderen opgemaakte valse facturen voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften een zodanige bewijsbestemming hadden. Medeplegen eigen vennootschap(pen) De valsheid van de facturen en de hiermee verrichte handelingen, zoals ten laste gelegd, worden zowel voor [verdachte] als voor zijn vennootschappen bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen worden deze ook aan hen (als medeplegers) toegerekend. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met zijn vennootschappen ( [bedrijf 5] , [bedrijf 4] , [bedrijf 7] en [bedrijf 9] ) heeft schuldig gemaakt aan het opmaken (feit 10) en voorhanden hebben (feiten 3, 8 en 12) van valse facturen. Gewoontewitwassen (niveau 2) De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van gelden die verkregen zijn uit (voorafgaande) strafbare feiten. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een gronddelict komt dan is sprake van geld afkomstig uit een eigen misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het verwerven en voorhanden hebben hiervan niet strafbaar. Illegale herkomst De rechtbank stelt vast dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode een geldbedrag van in totaal € 1.649.089,84 (exclusief btw) heeft ontvangen. Zoals reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit geldbedrag heeft ontvangen terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit (passieve) niet-ambtelijke omkoping. Dit geldbedrag is dan ook afkomstig uit een door hemzelf begaan misdrijf. Witwashandelingen Bij voorwerpen die afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf moet sprake zijn van een “extra verhullende handeling” willen de gedragingen als witwassen kunnen worden aangemerkt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet sprake zijn van een gedraging die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat -door eigen misdrijf verkregen- voorwerp (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2015:950). Hiermee wordt beoogd een automatische verdubbeling van de strafbaarheid te voorkomen. De officieren van justitie hebben betoogd dat het opmaken en ontvangen van de valse facturen en de verzwijgingen van de werkelijke aard van de betalingen als verhullende handelingen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank deelt dit standpunt niet. [verdachte] heeft, om ervoor te zorgen dat de omkoping niet zou worden opgemerkt, de betalingsafspraak voor anderen verzwegen en op de facturen een onjuiste omschrijving gebruikt. Deze gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank een essentieel onderdeel van het gronddelict en zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen zo nauw samenhangen met het gronddelict, dat zij niet kunnen worden gezien als de vereiste “extra verhullende handeling” na het ontvangen van dit uit misdrijf verkregen geld. Het aanmerken van de hiervoor genoemde gedragingen als witwashandelingen is daarmee strijdig met het voorkomen van een automatische verdubbeling van de strafbaarheid. Zij zal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen deze handelingen dan ook buiten beschouwing laten [verdachte] heeft verklaard dat hij de facturen die hij verstuurde ook heeft verwerkt in zijn administratie. Door deze handeling is de aard van de ontvangen geldbedragen blijvend verhuld en de rechtbank beoordeelt dit wel als een extra verhullende handeling die niet samenvalt met de omkoping zelf. Hierbij is van belang dat de bedrijfsadministratie zelf als een geschrift kan worden aangemerkt, wat meebrengt dat het opnemen van valse facturen in die administratie een nieuwe vervalsing oplevert, zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr (HR 29‑05-1984, NJ 1985, 6). De facturen met een onjuiste omschrijving die in de administratie van de vennootschappen zijn opgenomen, suggereerden dat de geldbedragen op deze facturen uitsluitend een legale aard hadden. De illegale aard van de betalingen is door [verdachte] op deze wijze blijvend verhuld in de legale bedrijfsvoering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] de door hem ontvangen omkoopbedragen heeft witgewassen door deze voorhanden te hebben en de werkelijke aard hiervan te verhullen. Daarnaast wordt op grond van de voornoemde bewijsmiddelen vastgesteld dat een deel van de ontvangen geldbedragen (van onbekende hoogte) ook is omgezet en/of is overgedragen en/of dat hiervan gebruik is gemaakt. [verdachte] heeft een deel van het ontvangen geld, nadat het in de administratie is verhuld, gebruikt om anderen om te kopen. Daarnaast heeft [verdachte] van dit geld ook andere betalingen gedaan. Daarmee is het ontvangen geld -ten minste deels- gebruikt en is daarmee in het financiële en economische verkeer gebracht. Pleegperiode en gewoonte Witwassen moet worden beschouwd als een voortdurend delict. Dit brengt mee dat de pleegperiode doorloopt zolang de verdachten ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds witwashandelingen verrichten (ECLI:NL:HR:2014:956). Dat deze handelingen nog altijd voortduren of worden verricht kan echter aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Daarbij acht de rechtbank het in dit geval ook rechtens niet juist om de pleegperiode tot heden door te laten lopen. Het voorhanden hebben en verhullen van de werkelijke aard loopt door zolang verdachten de beschikking hadden over de geldbedragen. Het specifieke moment waarop zij -bijvoorbeeld door gebruik- niet meer over de geldbedragen konden beschikken, is niet vast te stellen aan de hand van het dossier. Daarom wordt in het voordeel van verdachten aangesloten bij data waarvan gesteld kan worden dat zij in de periode daaraan voorafgaand in ieder geval hebben kunnen beschikken over de geldbedragen en in welke periode ook omzetting/overdraging/gebruik heeft plaatsgevonden. Vastgesteld kan worden dat de witwashandelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de aanhouding van [verdachte] op 12 maart 2013. Niet blijkt dat hij na de datum van zijn aanhouding nog over dit geld kon beschikken of ten aanzien hiervan witwashandelingen heeft verricht. Om te kunnen witwassen moet verdachte kunnen beschikken over het van misdrijf afkomstige voorwerp. Het einde van de pleegperiode wordt daarom vastgesteld op 12 maart 2013. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezenverklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachten van witwassen een gewoonte hebben gemaakt. Medeplegen eigen vennootschap(pen) Het gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen wordt zowel voor [verdachte] als voor zijn vennootschappen bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen worden deze ook aan hen (als medeplegers) toegerekend. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met zijn vennootschappen ( [bedrijf 5] , [bedrijf 4] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [bedrijf 9] ) heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van het ten laste gelegde totaalbedrag in de voornoemde pleegperiode (feit 13). Criminele organisatie (niveau 2) De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van (wetenschap van) een samenwerkingsverband tussen verdachten, geen opzet op deelneming aan een criminele organisatie en ook geen opzet op het oogmerk van die organisatie tot het plegen van strafbare feiten. Daarbij is [verdachte] in een eventuele organisatie niet leidinggevend geweest. Criminele organisatie De rechtbank overweegt allereerst dat met een criminele organisatie ex artikel 140 Sr wordt bedoeld een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met als oogmerk het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de betrokkenen bekend zijn met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Verdachten moeten een aandeel hebben in het samenwerkingsverband, dan wel de gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor opzettelijke deelneming is voldoende dat verdachten in algemene zin weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook rechtspersonen kunnen deelnemen aan een criminele organisatie. Deelneming niveau 2 De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 2 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, opgericht en geleid door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het oogmerk van de organisatie was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [verdachte] heeft niet alleen wetenschap gehad van het oogmerk van de organisatie maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot verwezenlijking hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank was de rol van zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] essentieel voor het ontstaan en behoud van de organisatie en het plegen van de genoemde misdrijven. Zij waren beiden betrokken bij de aanstelling van de andere verdachten bij SNSPF. [verdachte] zorgde voor de introductie, [medeverdachte 1] stelde (mede) de overeenkomsten vast. Deze verdachten zijn door [verdachte] benaderd voor het betalen van een fee. Ook [medeverdachte 1] wist ten minste vanaf eind 2010 dat een deel van het uurtarief van de door hen aangebrachte verdachten betaald en vervolgens verdeeld werd. Uit de mailwisseling van [medeverdachte 1] en [verdachte] op 21 november 2010 volgt dat [medeverdachte 1] bekend was met de verdeelsleutel, in ieder geval wat betreft [medewerker 4] en [medewerker 5] . Alle overeenkomsten van opdracht van de externen zijn nadien verlengd en medeondertekend door [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft alle gelden geïnd en verdeeld. [medeverdachte 1] heeft van alle betalers zijn deel ontvangen. Beiden maakten hiertoe een grote hoeveelheid valse facturen op en [verdachte] ontving ook valse facturen. Ook hadden zij wetenschap van de betrokkenheid en het verrichte aandeel van de door hen en door anderen gebruikte vennootschappen bij de organisatie. Niemand heeft de betaalstromen gemeld bij SNS(PF). Het samenwerkingsverband heeft hierdoor onafgebroken en gedurende een langere periode kunnen bestaan, terwijl het aantal medewerkers van SNSPF dat bij de betalingen betrokken raakte toenam. De rechtbank concludeert dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit de in de bewezenverklaring nader te noemen verdachten en hun vennootschappen en hier ook leiding aan heeft gegeven (feit 14). 4.3.5 Overige vrijspraken Vrijspraak gewoontewitwassen (niveau 1) De rechtbank is van oordeel dat de geldbedragen die door [verdachte] zijn betaald in het kader van de niet-ambtelijke omkoping niet kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf. Immers, de geldbedragen die door hem zijn betaald, heeft hij verkregen door het verrichten van werkzaamheden voor SNSPF op grond van de onderliggende overeenkomsten van opdracht. De geldbedragen hebben dan ook een legale herkomst. De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het (gewoonte)witwassen zoals onder feit 4 ten laste gelegd. Vrijspraak criminele organisatie (niveau 1) De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 1 sprake is geweest van een intensieve samenwerking tussen [medeverdachte 1] en degenen die aan hem betaalden. Het oogmerk was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [medeverdachte 1] heeft niet alleen wetenschap gehad van dit oogmerk maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot de verwezenlijking hiervan. Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr dient evenwel te bestaan uit minimaal twee deelnemers. [medewerker 1] , [medewerker 3] en [medewerker 2] waren slechts betrokken als betalers (actieve omkopers) en ontvangers van de bijbehorende valse facturen. Uit het dossier blijkt niet dat zij op de hoogte waren van meerdere -door [medeverdachte 1] geïnitieerde- omkopingen. Ditzelfde geldt voor [verdachte] wat betreft niveau 1. Om die reden kan niet bewezen worden dat zij het opzet hebben gehad op deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dit aan hem onder 5 ten laste gelegd feit. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen de volgende feiten wettig en overtuigend bewezen:  niveau 1: feit 2 (actieve niet-ambtelijke omkoping) en feit 3 (valsheid in geschrift);  niveau 2: feit 7 en 11 (actieve niet-ambtelijke omkoping), feit 8, 10 en 12 (valsheid in geschrift), feit 9 (passieve niet-ambtelijke omkoping), feit 13 (gewoontewitwassen) en feit 14 (criminele organisatie). De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage III van dit vonnis. De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan in deze bijlage is bewezen verklaard. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als Feit 2: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 3: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 7: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 8: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 9: Het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, aannemen van een gift of belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 10: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; Feit 11: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 12: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 13: Medeplegen van gewoontewitwassen; Feit 14: Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 tot en met 14 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat bij het opleggen van een straf rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , in het bijzonder dat hij geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (in beperkingen) en dat er erg veel negatieve publiciteit is geweest. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een straf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. [verdachte] heeft zich als SNSPF-medewerker door andere medewerkers van SNSPF laten omkopen. Aan [verdachte] is in totaal een bedrag van ruim 1,6 miljoen euro overgemaakt door deze medewerkers. Daarnaast heeft [verdachte] zelf ook andere medewerkers van SNSPF omgekocht. Deze onderling gemaakte afspraken werden door [verdachte] verzwegen tegenover SNSPF. Om te voorkomen dat de afspraken aan het licht zouden komen, zijn valse facturen opgemaakt, waarmee de werkelijke aard van de betalingen werd verhuld. Ook werden de ontvangen geldbedragen door [verdachte] en zijn mededaders witgewassen door deze in de administratie als legale inkomsten in te boeken en door de gelden in het financiële verkeer te brengen. [verdachte] heeft er samen met [medeverdachte 7] voor gezorgd dat steeds meer personen betrokken raakten bij deze omkopingen. Het netwerk dat hierdoor ontstond, werd in stand gehouden doordat sprake was van een effectieve en gestructureerde samenwerking tussen de betrokken personen onderling. Aan enkele personen die hun afdracht ter discussie stelden, werd een tegenvergoeding geboden, zodat de afspraken verzwegen zouden blijven en de omkopingsconstructies konden blijven voortbestaan. Zodoende kon de criminele organisatie blijven functioneren. Hoewel SNSPF niet is opgelicht, is de integriteit van SNSPF door de handelwijze van [verdachte] wel ernstig geschaad. Voor zover nog geen sprake was van belangenverstrengeling, heeft [verdachte] door de afspraken die hij maakte het risico op belangenverstrengeling wel aanzienlijk vergroot, zonder dat SNSPF hiervan op de hoogte was. [verdachte] had zich van dit risico, als medewerker van een professionele organisatie in de bankwereld, juist zeer bewust moeten zijn. Het grote vertrouwen dat SNSPF in hem stelde, heeft hij op ernstige wijze geschaad. De rechtbank neemt hem dat zeer kwalijk. De rechtbank heeft wat betreft de persoon van de verdachte gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 november 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten. Anders dan de officieren van justitie zal de rechtbank voor de strafoplegging geen aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten met betrekking tot fraude. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten geen direct financieel nadeel hebben gehad voor SNSPF of andere derden. Gelet op de ernst van de feiten kan echter met geen andere straf worden volstaan dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank let daarbij in het bijzonder op de volgende omstandigheden. [verdachte] heeft zich gedurende geruime tijd schuldig gemaakt aan diverse omkopingen. Hij betrok actief meerdere SNSPF-medewerkers bij deze omkopingen, waardoor zijn netwerk groter werd en de kwetsbaarheid van SNSPF toenam. Ook had [verdachte] een grote rol en leidinggevende positie in de criminele organisatie die zich bezig hield met de omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat over deze zaak vele publicaties zijn verschenen, waarbij -onterecht- ook verbanden zijn gelegd tussen de nationalisatie van SNS en deze zaak. Mede doordat het strafproces geruime tijd heeft geduurd, hebben de verdachten veel nadeel ondervonden van deze negatieve publiciteit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de EVR-procedure, waardoor verdachte gedurende meerdere jaren staat geregistreerd in het Extern Verwijzingsregister. Hoewel het gelet op de bewezen verklaarde feiten alleszins logisch is dat deze procedure is gevolgd, heeft de EVR-registratie wel grote gevolgen voor het vinden van een baan door verdachte in de toekomst. De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat zij minder feiten bewezen verklaart dan door de officieren van justitie gevorderd, een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend en geboden. Van deze straf zal een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 140, 225, 328ter, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen. 10Beslissing De rechtbank: Vrijspraak Verklaart het onder feit 1 (primair en subsidiair), feit 4, feit 5 en feit 6 (primair en subsidiair) ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bewezenverklaring Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 2, 3, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Strafbaarheid Het bewezen verklaarde levert op: Feit 2: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 3: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 7: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 8: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 9: Het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, aannemen van een gift of belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 10: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; Feit 11: Medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd; Feit 12: Medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd; Feit 13: Medeplegen van gewoontewitwassen; Feit 14: Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Straf Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, te weten 5 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Stelt daarbij een proeftijd van twee

(2)jaar vast. Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M.C. van Reenen en K.M. Strijbos, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2016. BIJLAGE I: de tenlastelegging Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat 1. Primair (niveau 1): hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 24 april 2012 te Leusden en/of Utrecht en/of Hilversum en/of Amsterdam en/of Haren (Groningen), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  1. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en / of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(
  2. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS Reaal NV heeft/hebben bewogen tot de afgifte(
  3. n)van een of meer geldbedrag(en), te weten in totaal circa Euro 142.500,- (exclusief btw) (zie: o.a. AH-049 en/of AH-063), in elk geval van enig geldbedrag(en), en/of heeft/hebben bewogen tot het aangaan van een of meer schuld(en), te weten het sluiten/aangaan van een of meer (aanvullende) overeenkomst(
  4. en)van opdracht met hem, verdachte, en/of zijn bedrijf [bedrijf 5] BV (zie: D-0149 en/of D-0278), hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  5. s)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV voorgehouden en/of (in strijd met de werkelijkheid) de indruk gewekt (enkel) de belangen van SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV te zullen behartigen en/of tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen gehouden en/of verhuld dat er met betrekking tot de (overeengekomen en/of gefactureerde) vergoeding(
  6. en)voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV door hem, verdachte (en/of zijn bedrij(f)(ven)), die door [medeverdachte 1] was/waren aangedragen en/of voorgedragen en/of gecontracteerd, een (verborgen of verzwegen) vergoeding en/of betaling aan [medeverdachte 1] en/of zijn bedrij(f)(ven) was inbegrepen en/of overeengekomen en/of tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen gehouden en/of verhuld dat door hem, verdachte (en of zijn bedrij(f)(ven)), (substantiële) betalingen zouden worden verricht en of zijn verricht aan [medeverdachte 1] en/of zijn bedrij(f)(ven) en/of (daarbij) ter onderbouwing en/of rechtvaardiging van de hoogte van de (overeengekomen) vergoeding(
  7. en)met hem, verdachte, (en/of zijn bedrijf) een (ondeugdelijk) benchmarkonderzoek (D-0254 en/of D-0255) ingebracht en/of overgelegd en/of laten inbrengen en/of laten overleggen, (waaruit diende te blijken dat de hoogte van die vergoeding(
  8. en)marktconform is/zijn/was/waren) en/of tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV verzwegen en/of verborgen gehouden en/of verhuld dat hij, verdachte, (en/of zijn bedrij(f)(ven)) (feitelijk) via (een vorm van) detachering via [medeverdachte 1] en/of zijn bedrij(f)(ven) werkzaamhede(
  9. n)verrichtte(
  10. n)voor SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV, en/of tegenover SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV voorgewend dat de bovengenoemde (overeengekomen) vergoeding(
  11. en)nodig was/waren en/of (een) zakelijke vergoeding(
  12. en)was/waren teneinde hem, verdachte (en/of zijn bedrij(f)(ven)) te kunnen werven en/of behouden ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden en/of diensten ten behoeven van de Restructuring & Recovery-afdeling (R&R-afdeling) van SN Property Finance BV waardoor SNS Property Finance BV en/of SNS Reaal NV) (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(
  13. n)en/of werd bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld(en); Artikel 326 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht Subsidiair Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 november 2010 tot en met 24 april 2012 te Leusden en/of Utrecht en/of Hilversum , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer grote hoeveelheden geld, te weten in totaal circa Euro 142.500,- (exclusief btw) (zie: o.a. AH-049 en/of AH-063), in elk geval enig(
  14. e)geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  15. n)aan SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS Reaal NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), en welk(
  16. e)geldbedrag(
  17. en)verdachte en/of zijn mededader(
  18. s)uit hoofde van de persoonlijke (dienst)betrekking van [medeverdachte 1] als directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer en/of Senior Strategisch Adviseur en/of consultant, in elk geval als gedetacheerd leidinggevende en/of medewerker van/bij SNS Property Finance BV, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (zich) wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend; Artikel 322/321 jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht art 321 Wetboek van Strafrecht art 322 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 2. (niveau 1): Hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2011 tot en met 4 juni 2012 te Haren (Groningen) en/of Amsterdam en/of Leusden en/of Hilversum en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te weten [medeverdachte 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking bij en/of optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (met ingang van 1 januari 2014 genaamd Propertize BV) en/of SNS Reaal NV (in de functie van directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer en/of Senior Strategisch Adviseur en/of consultant), naar aanleiding van hetgeen deze [medeverdachte 1] in dienstbetrekking en/of bij de uitvoering van diens last heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) een belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per gewerkt/te declareren uur aan [medeverdachte 1] en/zijn bedrij(f)(ven) te betalen en/of een of meer gift(en), te weten een of meer geldbedrag(
  19. en)tot een totaal bedrag van circa Euro 142.500,- (exclusief btw) (zie: o.a. AH-049 en/of AH-063), in elk geval enig(
  20. e)geldbedrag(en), heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  21. s)redelijkerwijs moest(
  22. en)aannemen dat die [medeverdachte 1] deze belofte(
  23. n)en/of gift(
  24. en)in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn werkgever en/of lastgever; Artikel 328ter lid 2 Wetboek van Strafrecht art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht 3. (niveau 1): Hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2011 tot en met 12 maart 2013 te Haren (Groningen) en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad vijf
(5), althans een of meer, factu(u)r(en) van [bedrijf 3] BV (" [bedrijf 10] BV") en/of [medeverdachte 1] gericht aan hem, verdachte, en/of [bedrijf 5] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 116.500,- (exclusief btw) (te weten: D-0109 en/of D-0110 en/of D-0111 en/of D-0112 en/of D-0113), en/of één
(1)factuur van [bedrijf 3] BV (" [bedrijf 10] BV") en/of [medeverdachte 1] gericht aan hem, verdachte, en/of [bedrijf 4] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 26.000,- (exclusief btw) (te weten: D-0114) zijnde telkens (een) geschrift(
  1. en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  2. s)(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  3. en)vermoeden, dat dat/die geschrift(
  4. en)bestemd was/waren tot gebruik als ware dat/die geschrift(
  5. en)echt en onvervalst, en bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op/in die factu(u)r(
  6. en)is vermeld dat door [bedrijf 3] BV (" [bedrijf 10] BV") en/of [medeverdachte 1] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisering" en/of "corporate finance advisering") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [bedrijf 5] BV en/of [bedrijf 4] BV , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.