vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/389916 / HA ZA 15-316 Vonnis van 1 juni 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. G. Bloem te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NOVISOURCE BANKING & INVESTMENT BUSINESS CONSULTANCY B.V., gevestigd te Nieuwegein, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. R. Stekelenburg te Kerkwijk. Partijen zullen hierna [eiseres] en Novisource genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 januari 2016 de akte tot uitlaten na tussenvonnis van 3 februari 2016 de akte na tussenvonnis van 17 februari 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie 2.1. Ingevolge het tussenvonnis van 20 januari 2016 hebben partijen zich bij akte uitgelaten over de daarin aan de orde gestelde hoedanigheidskwestie. De eerste vraag die ter beoordeling voorligt is of de relatie tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Zowel [eiseres] als Novisource stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat dit niet het geval is. Arbeidsovereenkomst als bedoeld in 7:610 BW? 2.2. Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 lid 1 BW van belang is, dat dit een regel is van dwingend recht. Als zodanig is de kwalificatie van de rechtsverhouding niet een rechtsgevolg dat ter vrije bepaling aan partijen is, met dien verstande dat bij de beoordeling wel belang toekomt aan hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. De rechtbank komt, in navolging van partijen, tot het oordeel dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst als bedoeld in dit artikel is gesloten en overweegt daartoe het volgende. 2.3. De cumulatieve beoordelingscriteria uit artikel 7:610 BW zijn: de betaling van loon, de verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten en het bestaan van een gezagsverhouding. Ten aanzien van het eerste criterium verschillen partijen niet van inzicht dat hieraan is voldaan; niet ter discussie staat dat [eiseres] voor haar werkzaamheden werd betaald. Novisource heeft onder verwijzing naar de raamovereenkomst betwist dat [eiseres] gehouden was het werk persoonlijk te verrichten, maar zij heeft die betwisting onvoldoende concreet gemaakt in het licht van de gemotiveerde stellingen van [eiseres] dat zij vanwege haar persoonlijke expertise in combinatie met het vertrouwelijke karakter van het project Solvency II bij DLG als financiële dienstverlener, gehouden was de arbeid persoonlijk te verrichten, zodat de rechtbank daarvan uit gaat. Met betrekking tot het bestaan van een gezagsverhouding is van belang wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de overeenkomst, hoe partijen daaraan uitvoering hebben gegeven, of formeel en materieel werkgeversgezag aanwezig was en de maatschappelijke positie van partijen. Bij het aangaan van de deelovereenkomst per 1 juni 2014 hadden partijen niet de bedoeling een arbeidsovereenkomst aan te gaan maar juist om de arbeidsrelatie om te zetten in een overeenkomst van opdracht. Dit volgt uit de tekst van de deelovereenkomst, alsmede uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. De uitvoering van de overeenkomst is vervolgens met die bedoeling in overeenstemming geweest, in die zin dat [eiseres] haar eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat zij beschikte over een VAR-WUO verklaring en dat zij haar gewerkte uren maandelijks factureerde, vermeerderd met BTW. Niet is gesteld of gebleken dat een formele of materiële gezagsrelatie bestond tussen [eiseres] en Novisource. Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een zekere gezagsverhouding tussen [eiseres] en DLG. Dit doet echter niet af aan het oordeel dat in casu geen arbeidsovereenkomst bestond nu ingevolge artikel 7:402 BW ook de opdrachtnemer verplicht is om gevolg te geven aan de aanwijzingen van de opdrachtgever omtrent de uitvoering, en nu [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat het om beperkte instructie ging die de specifieke opdracht betrof. Ook de maatschappelijke positie van partijen, in het bijzonder die van [eiseres] , zoals die naar voren komt uit de – op dit punt eensluidende – stellingen van partijen geeft geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW. 2.4. Tussen partijen bestaat daarom geen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW. Gelet op dit oordeel is verwijzing van de procedure naar de kantonrechter niet aan de orde en houdt de handelskamer van de rechtbank de zaak aan zich. Werknemer in de zin van artikel 1 aanhef en onder b BBA? 2.5. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 1 aanhef onder b sub 2° BBA op haar van toepassing is. Het gaat dan om degene, die persoonlijk arbeid verricht voor een ander, tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of bij hem inwonende bloedverwanten of aanverwanten of pleegkinderen, laat bijstaan of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is. Novisource betwist dat de overeenkomst van opdracht met [eiseres] kwalificeerde als een arbeidsverhouding in de zin van dit artikel. 2.6. De rechtbank overweegt het volgende. Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de situatie dat [eiseres] ingevolge artikel 1 aanhef onder b sub 2° BBA kwalificeert als een werknemer in de zin van die bepaling, dan brengt dit met zich dat een opzegging van de arbeidsrelatie zonder de op grond van artikel 6 BBA vereiste toestemming vernietigbaar is. De werknemer kan gedurende zes maanden een beroep op deze vernietigingsgrond doen (artikel 9 BBA). De rechtbank constateert dat niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] tijdig de nietigheid heeft ingeroepen van de opzegging wegens het ontbreken van de op grond van artikel 6 BBA vereiste toestemming. Bij brief van 30 december 2014 heeft de advocaat van [eiseres] Novisource onder meer met het volgende aangeschreven: “(…) Op grond van het vorenstaande heeft cliënte derhalve recht en belang bij volledige nakoming van de deelovereenkomst met Novisource. Dit houdt niet alleen in dat haar factuur van november 2014 volledig dient te worden voldaan doch tevens de overeengekomen uren ad € 110,- ex btw met een 40-urige werkweek, zulks vanaf 1 december 204 tot het einde van de deelovereenkomst. (…)” Een beroep op de vernietigingsgrond is daarbij niet gedaan, en evenmin is het standpunt verwoord dat sprake was van een arbeidsverhouding in de zin van artikel 1 aanhef onder b sub 2° BBA. Evenmin is gesteld of gebleken dat op een ander moment tijdig de nietigheid van de opzegging door Novisource is ingeroepen. 2.7. Gelet op het voorgaande kan dan in het midden blijven of [eiseres] als werknemer in de zin van het BBA moest worden aangemerkt, nu vaststaat dat zij hoe dan ook niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes maanden na de opzegging, de nietigheid van die opzegging heeft ingeroepen. Rechtmatigheid van de opzegging 2.8. Nu is vastgesteld dat de arbeidsrelatie kwalificeerde als een overeenkomst van opdracht, waarbij de vraag of de opzegging ervan al dan niet vergunningplichtig was geen rol speelt omdat geen tijdig beroep is gedaan op de eventuele nietigheid van die opzegging, moet worden bezien of de opzegging ook overigens rechtmatig is gedaan. Daarbij is van belang wat tussen partijen te dien aanzien is overeengekomen. 2.9. Zoals overwogen in het tussenvonnis van 20 januari 2016 heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat omtrent de raamovereenkomst tussen partijen nimmer wilsovereenstemming is ontstaan, zodat deze geen gelding heeft verkregen, en dat slechts sprake is van op zichzelf staande deelovereenkomsten, waarbij de laatste overeenkomst, die gold van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014, mondeling is verlengd tot 1 juni 2015. 2.10. Novisource stelt daartegenover dat de raamovereenkomst tussen partijen is gaan gelden en dat daarom uit artikel 4.4. volgt dat, nu DLG de duur van de deelovereenkomst die liep van 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 heeft gewijzigd (namelijk: bekort tot de twee gewerkte dagen 1 december en 10 december), de duur van die deelovereenkomst ook in de rechtsrelatie tussen partijen dienovereenkomstig is bekort. Ook stelt zij dat die bekorting volgt uit artikel 2.3 van de raamovereenkomst en dat een overeenkomst van opdracht (ook als deze een bepaalde duur heeft) uit hoofde van artikel 7:408 BW telkens tussentijds opzegbaar is. 2.11. Tussen partijen staat vast dat [eiseres] per 1 juni 2014 is begonnen te werken zonder dat toen een raamovereenkomst gold maar ook zonder dat toen een (schriftelijke) deelovereenkomst gold. Voorts staat het navolgende vast (zoals door Novisource onvoldoende weersproken gesteld): de raamovereenkomst is niet bij aanvang van [eiseres'] zzp-werkzaamheden opgemaakt, omdat Novisource in afwachting was van de gegevens van [eiseres] , die zij pas later heeft verstrekt, de raamovereenkomst is aldus eind augustus 2014 opgemaakt en aan [eiseres] toegezonden en zij heeft die zonder commentaar aan Novisource geretourneerd, de eerst opgemaakte deelovereenkomst is eveneens eind augustus 2014 opgemaakt, gezien de ondertekening ervan door partijen op 1 dan wel 2 september 2014, die deelovereenkomst legt de opdrachtcondities tussen partijen vast zoals geldend van 1 juni 2014 tot 1 juli 2014, van 1 juli 2014 tot 1 september 2014 en van 1 september 2014 tot 1 december 2014, dus deels ook over het verleden, die deelovereenkomst verwijst (net als de daarop volgende) naar de raamovereenkomst, door de vermelding ‘horende bij Raamovereenkomstnummer: B12166/082014’. Voorts is hier van belang dat [eiseres] eerst op 24 augustus 2014 haar werkzaamheden bij DLG in juni en juli 2014 (‘week 23-27’ en ‘week 27-31’) heeft gefactureerd aan Novisource, dus op of rond het tijdstip waarop de raamovereenkomst en de eerste deelovereenkomst aan haar waren toegezonden. Ook telt hier dat [eiseres] niet heeft gesteld welke condities zij op of rond 1 juni 2014 met Novisource (mondeling) heeft afgesproken die een verband tussen de eerste deelovereenkomst en de raamovereenkomst zouden logenstraffen. Gezien de aldus bestaande gelijktijdigheid van en het inhoudelijke verband tussen de (wel door [eiseres] ) getekende eerste deelovereenkomst en de (niet door haar ondertekende) raamovereenkomst, heeft [eiseres] moeten begrijpen dat Novisource, door de toezending van de genoemde bescheiden, haar aanbood de condities van haar overeenkomst van opdracht vast te leggen in overeenstemming met die beide bescheiden en dat Novisource uit de retourontvangst van de getekende eerste deelovereenkomst (zonder dat [eiseres] de toepasselijkheid van de raamovereenkomst verwierp) mocht afleiden dat zij de gelding van die beide bescheiden aanvaardde. Dat brengt mee dat de raamovereenkomst en de bijbehorende deelovereenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.