vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Vonnis van 1 juni 2016 in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4287597 / MC EXPL 15-7587 van CHRISTIAAN JACOB JAGER,in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V.,wonende te Amsterdam,eiser in conventie,verweerder in reconventie, hierna ook te noemen: de curator,gemachtigde mr. M.M. Dellebeke, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,gedaagde in conventie,eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,gemachtigde [A] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie de conclusie van dupliek in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [bedrijf 1] is opgericht op 13 augustus 2012. Vanaf datum oprichting tot en met 17 juli 2014 handelde [bedrijf 1] onder de handelsnamen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] en [bedrijf 1] . De handelsactiviteiten van [bedrijf 1] bestonden uit de verkoop en implementatie van modules in, onder andere, machines die goederen of diensten leveren aan haar klanten. Concreet ontwikkelde en verkocht [bedrijf 1] soft- en hardware waarmee klanten per mobiele telefoon betalingen kunnen verrichten voor snackautomaten en openbare toiletten, bijvoorbeeld op de stations van de Nederlandse Spoorwegen. 2.2. Statutair bestuurder van [bedrijf 1] is mevrouw [A] , geboren op [1964] te [geboorteplaats] (hierna: “ [A] ”). Gevolmachtigde van [bedrijf 1] is de heer [B] , geboren op [1957] te [geboorteplaats] ( [B] ”). Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] B.V (“ [bedrijf 2] ”). Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is eveneens [B] . [bedrijf 3] B.V. (“ [bedrijf 3] ”) is een 100% dochtervennootschap van [bedrijf 1] . Statutair bestuurder van [bedrijf 3] is mevrouw [A] . Gevolmachtigde van [bedrijf 3] is eveneens [B] . 2.3. [gedaagde] is de houdster- en financieringsmaatschappij van [A] . 2.4. Eind 2013 kreeg [bedrijf 1] opdracht van de NS/Pro Rail tot levering van modules, welke modules door [bedrijf 1] zouden worden afgenomen van een leverancier in Duisland. 2.5. [C] is aangezocht de modules in Duitsland gereed te maken. [C] had in loondienst gewerkt voor [bedrijf 1] in de periode voordat [A] bestuurder werd. [C] verlangde betaling van [bedrijf 1] van een bedrag aan achterstallig loon van € 7.500,00 voordat hij bereid was die werkzaamheden in Duitsland te gaan uitvoeren. 2.6. [gedaagde] heeft op 10 maart 2014, wegens het ontbreken van liquide middelen bij [bedrijf 1] , een bedrag van € 7.500,00 aan [C] voldaan. 2.7. Op 17 april 2014 is door [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] (de leverancier in Duitsland van de modules) het faillissement aangevraagd van [bedrijf 1] . Op 22 april 2014 is er naar [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een oproepingsbrief verstuurd met het verzoek om aanwezig te zijn bij de faillissementszitting van 20 mei 2014. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam is het faillissementsverzoek afgewezen. 2.8. Op 2 mei 2014 heeft [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een bedrag van in totaal € 7.500,00 overgemaakt naar [gedaagde] . 2.9. Op 2 juni 2014 is bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014. Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam is [bedrijf 1] alsnog in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. C.J. Jager tot curator. 2.10. De curator heeft de op 2 mei 2014 plaatgevonden rechtshandeling tot betaling van € 7.500,00 aan [gedaagde] per brief van 25 augustus 2014 buitengerechtelijk vernietigd en [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van in totaal EUR 7.500,- over te maken naar de faillissementsrekening van [bedrijf 1] . 2.11. [bedrijf 3] B.V., 100% dochter van [bedrijf 1] , is niet in staat van faillissement verklaard. 2.12. [A] heeft op 29 november 2014 — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 3] — opdracht gegeven aan [fiscaal adviesburo] tot het verzorgen van de administratie en de jaarrekening voor de jaren 2013 en 2014 van [bedrijf 3] . In de opdrachtbevestiging van 29 november 2014 is het volgende opgenomen: “(..) Aansprakelijkheid Vanwege het specifieke karakter van de situatie, onder meer het faillissement van [bedrijf 1] B.V. (aandeelhouder in [bedrijf 3] B.V.) en alle onzekerheid van die over de betaling van de vergoeding van mijn werkzaamheden, spraken wij af dat jij persoonlijk mede aansprakelijk zult zijn voor de voldoening van mijn vergoeding (..)”. 3Het geschil in conventie 3.1. Jager vordert: Primair voor recht te verklaren dat de Rechtshandeling een paulianeuze rechtshandeling oplevert en voor recht te verklaren dat deze door de Curator per brief van 25 augustus 2014 rechtsgeldig is vernietigd en derhalve [gedaagde] te veroordelen om aan de Curator te betalen op een door de Curator aan te geven bankrekening een vergoeding van de door (de boedel van) [bedrijf 1] geleden schade van in totaal EUR 7.500,- althans [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6: 11 9a EW over dat bedrag vanaf 2 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dagder dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; Subsidiair II. indien en voorzover Uw rechtbank van oordeel is dat de Rechtshandeling niet reeds rechtsgeldig door de Curator is vernietigd, verzoekt de Curator subsidiair een verklaring voorrecht dat de Rechtshandeling als paulianeus ex artikel 42 en/of 47 Fw gekwalificeerd moet worden, de Rechtshandeling alsnog (gerechtelijk) te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen om aan de Curator te betalen op een door de Curator aan te geven bankrekening een vergoeding van de door (de boedel van) [bedrijf 1] geleden schade van in totaal EUR 7.500, althans [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 2 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; Primair en subsidiair III. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de kosten van dit geding die gemaakt zijn door de Curator in zijn hoedanigheid van Curator in het faillissement van [bedrijf 1] , de buitengerechtelijke incassokosten van in totaal EUR 750, de na te melden explootkosten, de geliquideerde proceskosten ad EUR 452,- per punt, evenals de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na het vonnis; IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met veroordeling in de nakosten ten bedrage van respectievelijk EUR 131,- zonder betekening en EUR 199,- in geval van betekening indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen na betekening van het ten deze te wiizen—vonnis hebben voldaan. 3.2. De curator voert daartoe het volgende aan. Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 juli 2014 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (‘ [bedrijf 1] ”) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. C.J. Jager tot curator. Uit de bankafschriften blijkt dat [bedrijf 1] op 2 mei 2014 een bedrag van in totaal EUR 7.500 heeft overgemaakt naar [gedaagde] . [gedaagde] is de houdster- en financieringsmaatschappij van [A] . Het vlak voor datum faillissement overmaken van het bedrag van in totaal EUR 7.500,- van de betaalrekening van [bedrijf 1] naar de rekening van [gedaagde] dient te worden gekwalificeerd als een paulianeuse rechtshandeling ex artikel 42 en/of artikel 47 Fw. 3.3. Ingevolge artikel 42 Fw jo 49 Fw kan de curator ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vôôr faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij het verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de (gezamenlijke) schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Het tweede lid van artikel 42 Fw voegt daar aan toe dat een rechtshandeling, anders dan om niet, wegens benadeling slechts kan worden vernietigd, indien tevens degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. De curator heeft de rechtshandeling per brief van 25 augustus 2014 buitengerechtelijk vernietigd en [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van in totaal EUR 7.500,- over te maken naar de faillissementsrekening van [bedrijf 1] . 3.4. Indien en voor zover de gewraakte rechtshandeling als verplicht gekwalificeerd moet worden, geldt dat er sprake is geweest van wetenschap van de faillissementsaanvraag ex artikel 47 Fw. Uit de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014 blijkt dat de faillissementsaanvraag op 17 april 2014 bij Rechtbank is binnengekomen. Op 22 april 2014 is er naar [A] — in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] — een oproepingsbrief verstuurd met het verzoek om aanwezig te zijn bij de faillissementszitting van 20 mei 2014. Derhalve staat het vast dat [gedaagde] — via [A] — op 2 mei 2014, het moment dat de rechtshandeling plaatsvond, wetenschap had van de faillissementsaanvraag. 3.5. [gedaagde] voert verweer. 3.6. [gedaagde] stelt daartoe dat zij een bedrag van € 7.500,00 op 10 maart 2014 ten behoeve van [bedrijf 1] aan [C] tijdelijk heeft voorgeschoten om zo de voortgang van de opdracht van NS/Pro Rail te waarborgen. Bij [bedrijf 1] noch bij [bedrijf 3] waren op dat moment liquide middelen aanwezig om enige betaling te verrichten. Hoewel in de boeken van [bedrijf 1] niets was terug te vinden over achterstallig loon en/of onkosten van [C] voelde [gedaagde] zich genoodzaakt tot betaling over te gaan, omdat anders [C] niet bereid was de modules in Duitsland gereed te maken. Zodra [bedrijf 1] weer over liquide middelen zou beschikken door onder meer een teruggave van de belastingdienst of een betaling van NS zou [bedrijf 1] het voorgeschoten bedrag aan [gedaagde] terug betalen. [gedaagde] heeft in het belang van het voortbestaan van [bedrijf 1] gehandeld. Op 2 mei 2014 heeft [bedrijf 1] het bedrag van € 7.500,00 terug betaald aan [gedaagde] . Indien de belastingteruggave al eerder zou hebben plaatsgevonden dan was het bedrag door [bedrijf 1] direct rechtmatig aan [C] betaald. Van enig paulianeus handelen is geen sprake geweest, hetgeen ook zijn bevestiging vindt in de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014, waarbij het faillissementsverzoek is afgewezen. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.8. [gedaagde] vordert: C.J. Jager q.q. de curator van [bedrijf 1] en daarmee haar 100% dochter [bedrijf 3] B.V. in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.