beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Almere Zaak- en rekestnummer: 4982264 / ME VERZ 16-85 Datum beslissing: 8 juni 2016 Beschikking in de zaak van [verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,gemachtigde D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,gemachtigde mr. H.P. Wellenberg. 1De procedure 1.1. [verzoeker] heeft op 8 april 2016 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met nevenverzoeken, tevens houdende een incidenteel verzoek (zaaknummer 4983253 ME VERZ 16-87) op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 1.2. [verweerster] heeft op 28 april 2016 een verweerschrift en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend. 1.3. Op 2 mei 2016 hebben beide partijen aanvullende producties in het geding gebracht. 1.4. De hoofdzaak is ter zitting van 3 mei 2016 behandeld, gelijktijdig met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. [verzoeker] is verschenen met mr. Bast en [verweerster] (vertegenwoordigd door de heer [A] en de heer [B] ) met mr. Wellenberg. Van het verhandelde tijdens de zitting is aantekening gehouden en door beide partijen is een pleitnotitie overgelegd. 1.5. Ter zitting hebben partijen een vaststellingsovereenkomst met een, gelet op het bepaalde in artikel 7:670b lid 2 BW, ontbindende voorwaarde gesloten. Deze overeenkomst is vastgelegd in een proces-verbaal. 1.6. Bij brief van 12 mei 2016 aan de griffie heeft [verzoeker] een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde. Hij heeft de kantonrechter verzocht een beschikking te geven. 1.7. De uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [verweerster] is een groothandel voor professionele hygiëne- en reinigingssystemen, papier en zeep. 2.2. Op 1 augustus 2014 is [verzoeker] bij [verweerster] in dienst getreden voor bepaalde tijd in de functie van accountmanager voor 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst is drie keer verlengd. De laatste keer is de arbeidsovereenkomst verlengd tot 1 juni 2016. Het laatstverdiende salaris van [verzoeker] bedroeg € 2.500,00 exclusief emolumenten. 2.3. In de arbeidsovereenkomst zijn onder meer de navolgende bedingen opgenomen: Artikel 9 Geheimhoudingsbeding De werknemer zal tegenover derden (…) tijdens en na de dienstbetrekking strikte geheimhouding betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van zijn functie te zijner kennis komt in verband met de zaken en belangen van de werkgever. Deze geheimhoudingsverplichting omvat eveneens alle gegevens, waarvan de werknemer uit hoofde van zijn functie van cliënten of andere relaties van de werkgever kennis neemt. (…) Artikel 11 Non-concurrentiebeding en relatiebeding Gedurende de dienstbetrekking, als wel gedurende een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, zal werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever in Nederland en België geen activiteiten ondernemen, op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij in dienstbetrekking, hetzij onder eigen naam, hetzij door middel van samenwerking met natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan de activiteiten van de werkgever of daarmee gelieerde ondernemingen. Het is de werknemer, zonder voorafgaande toestemming van de werkgever, verboden om binnen een tijdvak van 12 maanden nadat de arbeidsovereenkomst om welke reden dan ook is geëindigd, op enigerlei wijze, hetzij direct, hetzij indirect, hetzij tegen vergoeding, hetzij zonder vergoeding, zakelijk contact te onderhouden dan wel te leggen met relaties van werkgever, ongeacht de vraag op wiens initiatief dit contact tot stand komt. Onder “relaties” worden zowel klanten als leveranciers en/of aan klanten en leveranciers gelieerde ondernemingen verstaan. Onder het “onderhouden dan wel leggen van zakelijke contacten” wordt onder meer (doch niet uitsluitend) verstaan het aanvaarden van opdrachten, het verrichten van werkzaamheden alsmede het enkel benaderen van de relatie met het kennelijk doel om daarmee een zakelijke overeenkomst aan te gaan. Werknemer erkent dat werkgever een zwaarwegend bedrijfsbelang heeft bij het aangaan van een non concurrentiebeding en een relatiebeding. Werkgever is een relatief kleine organisatie en werknemer zal in de overeengekomen functie kennis nemen van bedrijfsgevoelige informatie. Werknemer zal gezien de omvang van de organisatie bovendien een intensieve (persoonlijke) band kunnen opbouwen met een groot deel van de relaties van werkgever. Indien werknemer die kennis en contacten na het einde van het dienstverband zou aanwenden ten behoeve van een derde of ten behoeve van zichzelf, dan zal dit ernstige afbreuk doen aan het bedrijf van werkgever. Partijen erkennen dat het belang van werkgever bij het opnemen van een non-concurrentieding en een relatiebeding in dit geval zwaarder weegt dan het eventuele nadeel dat werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst van het beding zou kunnen ondervinden. 2.4. [verzoeker] kan twee soorten variabele beloningen verdienen. Een provisie die maandelijks wordt berekend en (indien behaald) maandelijks wordt uitgekeerd alsmede een 4% extra bonus. Voor die laatste bonus gold in 2015 voor [verzoeker] een jaartarget van € 443.691,67. 2.5. Op enig moment is [verzoeker] in contact gekomen met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] is een concurrent van [verweerster] . 2.6. In januari 2016 heeft [verzoeker] bij [verweerster] aangegeven dat hij graag in dienst wilde treden bij [bedrijf] . [verweerster] heeft hem toen laten weten dat zij hier niet mee kon instemmen. 2.7. Op 28 januari 2016 heeft [verzoeker] onder werktijd een bezoek gebracht aan [bedrijf] . Hiervoor heeft hij diezelfde dag een officiële waarschuwing gekregen van [verweerster] . 2.8. Partijen hebben nadien nogmaals overleg gevoerd over de wens van [verzoeker] om in dienst te treden bij [bedrijf] . Ook toen konden zij geen overeenstemming bereiken. 2.9. Op 5 februari 2016 heeft [verzoeker] [bedrijf] weer bezocht. Toen had hij een vrije dag. 2.10. Op 17 maart 2016 hebben partijen wederom met elkaar gesproken over de wens van [verzoeker] om in dienst te treden bij [bedrijf] . Diezelfde dag is er een concept vaststellingsovereenkomst door [verweerster] opgesteld, die indiensttreding van [verzoeker] bij [bedrijf] mogelijk maakte. Het was de bedoeling dat [bedrijf] die vaststellingsovereenkomst zou mee ondertekenen. In de concept overeenkomst was bepaald dat in de relatie tussen [verzoeker] en [verweerster] het relatie- en geheimhoudingsbeding onverkort van kracht zou blijven en dat [verweerster] gedurende een jaar niet dezelfde klanten mocht bedienen in het rayon waar [verzoeker] bij [verweerster] werkzaam was geweest (rayon 05). 2.11. Op 18 maart 2016 is [verweerster] een privé e-mail van [verzoeker] van 18 maart 2016 aan [bedrijf] onder ogen gekomen. In deze e-mail staat, voor zover hier van belang, het navolgende: Denk dat dit wel redelijk is wat vind jij ? jullie moeten het natuurlijk ook goed vinden. Dit was de eerste opzet , er komen wat wijzigingen in. namelijk alle klanten die al bestaan die gezamenlijk geleverd worden blijven gewoon van [bedrijf] , en mochten wij benaderd worden door klanten in onderstaande postcode ( wat geleverd word door [verweerster] ) moet ik effe melding maken zodat die discussie niet kan ontstaan en we vervolgens de klanten wel kunnen aannemen. feitelijk gezien gaat het alleen om dus niet actief benaderen van bestaande klanten van [verweerster] . het gaat om de rayon waar ik in werkte , de rest van nederland vrij, en dat komt goed uit , dus alle klanten buiten rayon 05 mee beginnen en afpakken ( lijsten heb ik.) Ben benieuwd hoe jullie dit zien, mijn advocaat zegt dat het wel heel redelijk is kan misschien moeilijke termen zijn maar enige waar het omdraait is dat we niet zelf direct klanten van [verweerster] mogen benaderen met offerte Overigens wel bezoeken en warm maken ……. haha advocate vind dit een goed voorstel waarbij ik / wij zeker door kunnen gaan. 17 maart 2017 volledig geheel rayon 05 pakken. ben benieuwd ik hoor je graag vriend. 2.12. Diezelfde dag, op 18 maart 2016, heeft [verweerster] [verzoeker] op de hoogte gesteld van de ontvangst van de onder 2.11 genoemde e-mail en heeft [verweerster] [verzoeker] verzocht om uiterlijk 21 maart 2016 hier uitleg over te geven. 2.13. Op 21 maart 2016 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief van [verweerster] aan [verzoeker] staat, voor zover hier van belang, het navolgende: (…) Verder hebben wij je aangesproken op het feit dat solliciteren - waar dan ook - niet onder werktijd behoort te gebeuren maar dat je daarvoor verlof dient aan te vragen. We hebben jou een waarschuwing gegeven en hoopten dat het hierbij zou blijven en dat wij tot 1 juni op een nette en professionele wijze met elkaar om zouden kunnen blijven gaan. Dat bleek voor jou moeilijk. Zo bleek je korte tijd daarna opnieuw een bezoek te hebben gebracht aan [bedrijf] en toen hebben we je weer gewezen op het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst. Op 9 februari gaf je aan dat je geen heil meer zag in voortzetting van de arbeidsovereenkomst en stelde je voor om per direct met wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan. Op jouw verzoek hebben wij toen nog dezelfde dag een concept-beëindigingsovereenkomst opgesteld en aan jou gemaild. Amper een uur later gaf je plotseling aan dat je toch tot 1 juni in dienst wilde blijven. (…) Ook daarna hoopten wij toch nog dat wij tot 1 juni 2016 op een nette manier met elkaar om zouden kunnen gaan en dat jij je ook professioneel zou opstellen. (…) Ongeveer een week later nam een adviseur van de DAS contact met ons op. Zij gaf ons aan dat er in jouw optiek toch een onhoudbare situatie was ontstaan. Opnieuw werd voorgesteld de arbeidsovereenkomst voortijdig te laten beëindigen zodat jij bij [bedrijf] in dienst zou kunnen treden. Je zou je positie daar kunnen verbeteren en bovendien had jij een goede klik met de familie [familienaam] van [bedrijf] die jij — viavia — zou hebben leren kennen. Het was absoluut niet de bedoeling dat jij en [bedrijf] achter onze klanten aan zouden gaan, benadrukte je. Op dat moment hadden wij er inmiddels weinig vertrouwen meer in dat jij tot 1 juni nog je best zou doen en daarom gingen wij het gesprek - opnieuw - aan. Wij waren bereid om het non-concurrentiebeding te laten vervallen zodat je bij [bedrijf] in dienst zou kunnen treden. Het relatiebeding zou onverkort blijven gelden en wij stelden als harde voorwaarde dat ook [bedrijf] daarvoor zou mee tekenen. Wij hebben toen ook uitgelegd waarom dat zo belangrijk voor ons was. Er waren in korte tijd namelijk opeens een aantal klanten van ons — uit jouw rayon — overgestapt naar [bedrijf] . We hadden daar geen goed gevoel bij. Verder hoorden wij van een klant dat je in december 2015 al te kennen had gegeven dat je bij ons zou vertrekken. We kwamen hier toen niet uit. [bedrijf] gaf aan dat zij wel bereid waren om het relatiebeding te respecteren, maar ze wilden niets op papier vastleggen. Die opstelling gaf ons helemaal geen goed gevoel. Toen we er niet uit kwamen heb jij je op 19 februari ziekgemeld en aan de bedrijfsarts gaf je te kennen dat jouw uitval het gevolg was van het arbeidsconflict. De bedrijfsarts gunde je vervolgens een timeout tot 14 maart en adviseerde partijen om het gesprek met elkaar aan te gaan. Dat gebeurde uiteindelijk op 17 maart. (…) Nog voordat wij de notulen van het gesprek konden uitwerken en onze gevolgen konden trekken, nam jouw adviseur contact op met onze advocaat met de mededeling dat [bedrijf] toch bereid was om mee te tekenen voor het relatiebeding zodat de arbeidsovereenkomst alsnog per direct beëindigd zou kunnen worden middels een vaststellingsovereenkomst Dit verbaasde ons enigszins, maar wij vonden het toch positief. Direct dezelfde dag heeft onze advocaat een concept beëindigingsvoorstel opgesteld, een overeenkomst die door [bedrijf] zou worden meegetekend. Voor jou zou het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst blijven gelden en ook het geheimhoudingsbeding. Voor [bedrijf] zou een beperkter relatiebeding gelden; namelijk niet voor ál onze klanten maar alleen de klanten in jouw rayon en waarvoor jij de accountmanager was. Op vrijdag 18 maart werd er een email aan ons doorgestuurd. Het was een email van jou aan [C] van [bedrijf] . (…) Wij beschouwen dit als een zeer ernstige zaak. Wij hebben ons steeds als een goed werkgever richting jou willen gedragen. Ondanks het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst waren we uiteindelijk toch bereid om jou bij [bedrijf] in dienst te laten treden. Dit onder voorwaarden zodat onze belangen afdoende zouden zijn beschermd. Je hebt ons steeds benadrukt dat het geenszins de bedoeling was om achter onze klanten aan te gaan. Dat blijkt wel degelijk de bedoeling te zijn geweest. En dat ook nog op basis van vertrouwelijke informatie. Voor ons is dit onacceptabel. Het beetje vertrouwen dat wij nog hadden is ineens en helemaal weg. Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op om jouw arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen. Van ons als werkgever kan in redelijkheid niet worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst blijft voortduren tot 1 juni. De arbeidsovereenkomst eindigt met onmiddellijke ingang. Voor de volledigheid berichten wij je dat het non-concurrentiebeding en het relatiebeding onverminderd van kracht blijven. We zijn overigens niet meer bereid om daar nog met jou en [bedrijf] over te onderhandelen. 2.14. [verweerster] heeft op het salaris van [verzoeker] van februari 2016 onder meer € 1.428,98 bruto ingehouden onder vermelding van 'Provisie'. Ook heeft [verweerster] op enig moment € 135,00 netto ingehouden wegens ruitschade. In de eindafrekening heeft [verweerster] op het aan [verzoeker] nog toekomende salaris de navolgende bedragen ingehouden: - € 116,98 netto wegens een Vodafone overschrijding; - € 183,64 netto wegens behouden goederen; - € 200,00 netto aan borg voor eventuele bekeuringen. 3De verzoeken van [verzoeker] 3.1. In het incident verzoekt [verzoeker] (samengevat) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het concurrentie- en relatiebeding in zijn geheel, althans gedeeltelijk schorst, met dien verstande dat het [verzoeker] wordt toegestaan in dienst te treden bij [bedrijf] . 3.2. In de hoofdzaak verzoekt [verzoeker] (samengevat) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [verweerster] veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW ter hoogte van € 20.000,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding; [verweerster] veroordeelt tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren conform artikel 7:672 lid 9 BW, zijnde € 3.690,00 bruto; voor recht verklaart dat het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 3W is komen te vervallen, nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toe te kennen; voor recht verklaart dat het relatiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 BW is komen te vervallen omdat het eindigen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter goede justitie te bepalen vergoeding toekent; het concurrentiebeding vernietigt omdat de motivering van het zwaarwegende bedrijfsbelang in het contract voor bepaalde tijd ontbreekt, dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toekent; het relatiebeding vernietigt nu de motivering van het zwaarwegende bedrijfsbelang in het contract voor bepaalde tijd ontbreekt, dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toekent; [verweerster] veroordeelt tot betaling van een deugdelijke eindafrekening van € 635,62 netto; [verweerster] veroordeelt tot terugbetaling van de onterecht ingehouden bonus van € 1.428,98 bruto; [verweerster] veroordeelt tot het verstrekken van de salarisspecificaties, waarin de betalingen van sub a, b, g en h zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom; [verweerster] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.025,00 conform de staffel BIK; [verweerster] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de hierboven genoemde punten onder a, b, g, h en j genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening. 3.3. In het incident en de hoofdzaak verzoekt [verzoeker] voorts [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de beschikking. 3.4. [verzoeker] legt aan zijn verzoeken om een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW en schadevergoeding ex artikel 7:672 BW ten grondslag dat een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet van 21 maart 2016 ontbreekt. Ten aanzien van het concurrentie- en relatiebeding stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat [verweerster] hem hier niet aan kan houden omdat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerster] . Subsidiair stelt [verzoeker] dat [verweerster] het concurrentie- en relatiebeding onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts meent hij dat het zwaarwegende bedrijfsbelang niet is aangetoond. Tot slot stelt [verzoeker] dat hij bij handhaving van de bedingen onbillijk wordt benadeeld. [verzoeker] stelt dat [verweerster] niet gerechtigd was om € 1.428,98 bruto en € 500,62 netto in te houden op zijn salaris in februari 2016 en maart 2016 en dat [verweerster] die bedragen alsnog aan hem dient te voldoen. Ook dient [verweerster] volgens [verzoeker] nog € 135,00 aan hem te betalen omdat zij dat bedrag ten onrechte heeft ingehouden voor een ruitschade. 3.5. [verweerster] concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . [verweerster] meent dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het handelen van [verzoeker] levert volgens [verweerster] een dringende reden op. Voorts betoogt zij dat het concurrentie- en relatiebeding aan de eisen voldoen. Indien de kantonrechter anders oordeelt, komt [verzoeker] in de gegeven omstandigheden geen beroep toe op vernietiging van het beding, aldus [verweerster] . Tot slot betwist zij dat [verzoeker] bij handhaving van de bedingen onbillijk wordt benadeeld. [verweerster] voert verder aan dat zij op het salaris van februari 2016 het bedrag van € 1.428,98 bruto heeft mogen inhouden. In augustus 2015 heeft [verweerster] , op verzoek van [verzoeker] , een voorschot betaald van € 1.428,98 bruto omdat het er toen naar uitzag dat [verzoeker] de jaartarget voor 2015 zou halen. [verzoeker] heeft zijn jaartarget echter niet gehaald. Daarom is er geen recht ontstaan op de 4% extra bonus en diende hij het verstrekte voorschot terug te betalen, aldus [verweerster] . [verweerster] voert voorts aan dat de eindafrekening correct is en dat [verzoeker] geen recht heeft op het door hem gevorderde bedrag van € 635,62. [verweerster] heeft € 116,98 netto ingehouden vanwege een overschrijding van zijn mobiele telefoonkosten in januari 2016. Ook heeft zij een bedrag van € 183,64 netto ingehouden voor samples, monsters en showmodellen die [verzoeker] niet heeft geretourneerd en € 200,00 aan borg in verband met eventuele boetes die nog binnen kunnen komen. [verweerster] zegt toe dat het bedrag van € 135,00 in mei 2016 zal worden uitbetaald aan [verzoeker] . 3.6. Op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, zal hierna worden ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van het geschil van belang is. 4Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] 4.1. verzoekt (samengevat) voor het geval de kantonrechter het concurrentie- en/of het relatiebeding schorst of vernietigt, dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] verbiedt om tot 1 maart 2017 op enige wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijf] , dan wel op enige wijze betrokken te zijn bij [bedrijf] , op straffe van een direct, en zonder nadere ingebrekestelling, opeisbare dwangsom van € 2.500,00 per dag voor iedere dag dat [verzoeker] daarmee in gebreke blijft. 4.2. [verweerster] legt aan haar (voorwaardelijk) tegenverzoek ten grondslag dat er een zeer reële dreiging bestaat dat [verzoeker] vertrouwelijke informatie zal doorspelen aan [bedrijf] . Dit volgt volgens haar uit de e-mail van [verzoeker] van 18 maart 2016 aan [bedrijf] en (volgens [verweerster] ten minste vier) langdurige bezoeken die [verzoeker] aan [bedrijf] heeft gebracht. 4.3. [verzoeker] concludeert tot afwijzing van het verzoek van [verweerster] . [verzoeker] betwist dat er sprake is van een reële dreiging dat er door hem vertrouwelijke informatie wordt doorgespeeld aan [bedrijf] . Er zijn geen meerdere lange bezoeken geweest volgens [verzoeker] en hij zegt niet te beschikken over klantenlijsten van [verweerster] . 5De beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] in de hoofdzaak 5.1. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] zijn verzoekschrift, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen, tijdig heeft ingediend. Het ontslag op staande voet 5.2. Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het eerste lid van het laatstgenoemde artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een van de in dat artikellid onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.