RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 16/2761 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen de SlijtersUnie, te Eindhoven, verzoekster (gemachtigde: mr. M.C.J. Houben), en de burgemeester van de gemeente Nieuwegein, verweerder (gemachtigden: mr. F.H.M. Fassotte, mr. J.M.P. Schemkes en A.S.J. Feije). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: De Wereldwinkel, te Nieuwegein, en het Kleur-, geur- en smaakcentrum, te Nieuwegein. Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om handhavend op te treden afgewezen. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2016. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn niet verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Bij brief van 4 april 2016 heeft verzoekster verweerder verzocht over te gaan tot handhavend optreden tegen de strijdigheid met de Drank- en Horecawet (DHw) die het gevolg is van een tijdelijke proef met mengvormen van winkels en horeca die verweerder mogelijk maakt. Op 23 februari 2016 heeft verweerder het Besluit tijdelijke proef reguleren mengvormen winkel/horeca gemeente Nieuwegein genomen. Met deze pilot wil verweerder tijdelijk en onder strikte voorwaarden enkele ‘gemengde’ ondernemersactiviteiten toestaan. De pilot bestaat uit vijf categorieën: Horeca met daaraan ondergeschikte detailhandel; Horeca met daaraan ondergeschikt slijten; Winkels die drank mogen verkopen; Winkels die drank mogen schenken; Slijterijen met daaraan ondergeschikte horeca en/of detailhandel. 3. Verweerder heeft ter zitting ingeroepen dat hij bij nader inzien twijfelt of verzoekster belanghebbende bij deze procedure is. In het primaire besluit heeft verweerder zich gebogen over die vraag en is daarbij uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat verzoekster belanghebbende is. Leidend daarvoor is de gedachte dat verzoekster weliswaar geen slijters in Nieuwegein telt die lid zijn van haar organisatie, maar dat verzoekster op grond van haar statuten ook sociale en economische belangen nastreeft en dat daaronder ook valt het belang dat de DHw correct wordt nageleefd omdat de slijters, op grond van de wetsgeschiedenis van de DHw, een belangrijke taak hebben bij de uitvoering van die wet, niet-naleving van de regels concurrentievervalsend kan werken en bovendien zou kunnen leiden tot wijziging van de wettelijke regels. Terecht wijst verweerder hier op Kamerstukken II, 1961/62, 6811, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 13, en Kamerstukken II, 1962/63, 6811, nr. 5 (memorie van antwoord), blz. 2-3, waar onder meer wordt gesproken over de "inscherping van de verantwoordelijkheid" van de branche en over "[de plicht van de overheid] het bedrijfsleven erop te wijzen, als een bepaalde bedrijfsvoering het algemeen belang zou schaden, en [...] de gedachte dat zodanige schade zoveel mogelijk moet worden voorkomen door gezamenlijk overleg tussen de overheid en het georganiseerde bedrijfsleven, en door een positief appèl op de eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsgenoten." Kennelijk baseert verweerder zich op dit punt op de hierna te noemen uitspraak van de rechtbank Overijssel. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat verzoekster belanghebbende is. Zij behoort duidelijk tot het hierboven genoemde "georganiseerde bedrijfsleven" in deze branche en is door de wetgever medeverantwoordelijk gemaakt voor de correcte uitvoering van de DHw. Haar statuten sluiten daarbij voldoende aan, met name daar waar in de statuten wordt gesproken over het behartigen van de sociale en economische belangen van haar leden, voor zover die betrekking hebben op het slijtersbedrijf en het bestrijden van al hetgeen deze belangen zou kunnen schaden, wat daarna wordt gespecificeerd. Dat in andere zaken over collectieve-belangenvertegenwoordigers bij het bepalen van het belanghebbendenschap is gekeken naar het al of niet aanwezig zijn van leden in de gemeente waarom het in die zaak gaat verweerder wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR3192, Dwingeloo) en 30 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW6878, Maastricht) gaat over andere wetgeving (de Natuurbeschermingswet 1998 en de toenmalige Woningwet). Daarin bestaat niet zo'n bijzondere medeverantwoordelijkheid als op het terrein van de DHw. In het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:7770) komt het woord "belanghebbende" niet voor (wel in de samenvatting). In overweging 4.5 van dat vonnis komt zij wel tot de conclusie dat het belang van verzoekster zoals dat blijkt uit haar statuten, in een te ver verwijderde relatie staat tot, kort gezegd, de belangen die spelen in de landelijke pilot van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), om ter bescherming van dat belang te kunnen optreden in een civielrechtelijke procedure. In een bestuursrechtelijke procedure gaat het er om dat zich een “betrokken belang” voordoet. De doelen van verzoekster in haar statuten dekken voldoende het belang dat zij zich in deze procedure aantrekt en waarover het primaire besluit gaat. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter over het belanghebbendenschap dat de rechtbank Overijssel in haar uitspraak van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:1078) in overweging 1 tot hetzelfde oordeel komt. Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoekster belanghebbende is in deze procedure. 4. Verzoekster heeft zelf te berde gebracht dat haar het relativiteitsvereiste niet mag worden tegengeworpen in deze procedure. Dat relativiteitsvereiste richt zich tot de rechter en niet tot het bestuur en speelt dus alleen een rol in beroep en niet in bezwaar. Nu het in deze zaak gaat om een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar, moet de voorzieningenrechter beoordelen of het bezwaar een reële kans van slagen heeft. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar mag verweerder niet het relativiteitsvereiste toepassen en dus speelt dat relativiteitsvereiste geen rol in de beoordeling die de voorzieningenrechter nu moet uitvoeren. 5. Verzoekster voert aan dat verweerder met de deelname aan de pilot in strijd handelt met de DHw. Verweerder lokt opzettelijke overtreding van de DHw op grote schaal uit, waarbij de volksgezondheid direct in geding is. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster aangifte tegen de VNG gedaan bij de politie Eindhoven vanwege uitlokking. Volgens verzoekster heeft verweerder in het primaire besluit ten onrechte afgezien van handhavend optreden. Er bestaat volgens haar geen twijfel dat tot handhavend optreden moet worden overgegaan. 6. Verweerder stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat de pilot gaat om “activiteiten die volgens de letter van de [DHw] nu (nog) verboden zijn” en in het verweerschrift op het standpunt dat hij “geen enkel artikel van de [DHw] uitsluit van [zijn] handhavende bevoegdheid”. Er zijn echter in de ogen van verweerder belangrijke redenen om de pilot in de gemeente toe te staan. Het doel van de pilot is gedurende een jaar empirisch onderzoek te kunnen verrichten op basis waarvan kan worden bepaald of het wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de functiescheiding die nu in de DHw is neergelegd. Ook stelt verweerder dat het besluit om te participeren in de pilot is genomen met inachtneming van de belangen van de lokale slijters. In de ogen van verweerder is de DHw niet meer van deze tijd. Met de pilot kunnen belangrijke gegevens worden verzameld over de invloed van deze mengvormen, zodat een aanzet kan worden gegeven voor wijziging van de DHw. De schade die de pilot binnen de gemeente Nieuwegein aan de slijters mogelijkerwijs zou kunnen toebrengen, schat verweerder gelet op de insteek en de geldende criteria op nihil. Daarnaast straalt de hele pilot tijdelijkheid met een experimenteel karakter uit waardoor de kans op onduidelijkheid en verwarring bij de slijters en het publiek zo klein mogelijk is. 7. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen vastgesteld dat alle vijf categorieën waaruit de pilot bestaat, strijdig zijn met één of meer artikelen van de DHw. Het gaat om de artikelen 3, 12, 13, 18, 24 en 25. Dit betekent dat verweerder bevoegd is om handhavend op te treden. Dat het in dit geval gaat om een overtreding die door verweerder zelf is gefaciliteerd, brengt met zich dat verweerder ervoor heeft gekozen niet van deze bevoegdheid gebruik te maken. Hij voert dus in feite een gedoogbeleid of eigenlijk roept hij de te gedogen situatie zelf in het leven. De verhullende taal dat activiteiten van de pilot "volgens de letter van de [DHw] nu (nog) verboden zijn" en dat verweerder "geen enkel artikel van de [DHw] uitsluit van [zijn] handhavende bevoegdheid" leidt de voorzieningenrechter niet af van de eenvoudige constatering dat hier sprake is van een bestuursorgaan dat is belast met het toezicht op en de handhaving van de DHw dat desalniettemin overtreding van die wet stimuleert en faciliteert. Verweerder heeft immers ondernemers in de gemeente uitgenodigd aan deze pilot deel te nemen. De activiteiten zijn niet alleen in strijd met "de letter van de wet", maar gewoon in strijd met de wet. Dat verweerder geen enkel artikel van de DHw uitsluit van handhaving verhult niet dat hij hier actief en stimulerend overtreding van de wet gedoogt. 8. Uit vaste rechtspraak volgt dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden hoeft het bestuursorgaan dat niet te doen. Een dergelijke situatie kan zich onder meer voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Verder kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden in die concrete situatie hoort te worden afgezien. De voorzieningenrechter wijst slechts bij wijze van voorbeeld, temidden van de vele uitspraken met die strekking, op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 19 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2117). 9. De omstandigheid dat verweerder de betrokken ondernemers in feite uitnodigt om de wet te overtreden, wat hij dan onder strikte voorwaarden gedoogt, sluit al bijna uit dat er een bijzondere omstandigheid is die afzien van handhaving rechtvaardigt. Dat zou namelijk betekenen dat de toezichthouder en handhaver zijn eigen taak kan uithollen. Vanzelfsprekend kan een toezichthouder en handhaver prioriteiten in die taken stellen, maar juist het uitnodigende karakter van de pilot staat op gespannen voet met de toezichts- en handhavingstaak die verweerder heeft. 10. Meer specifiek overweegt de voorzieningenrechter de volgende drie dingen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.