vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel rechtkantonrechter locatie Lelystad Vonnis van 10 augustus 2016 in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4649585 / LC EXPL 15-4761 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres] BV,gevestigd te [vestigingsplaats] ,eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,gemachtigde mr. F.J. Hommersom, tegen [gedaagde] , ZONDER BEKENDE WOON -OF VERBLIJFPLAATS IN NEDERLAND, DOCH WOONACHTIG TE [woonplaats] , DUITSLAND,wonende te [woonplaats] ,gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,gemachtigde mr. J.C. van Zuethem. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek akte uitlating producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 29 september 2014 heeft in de sluis te Lelystad een aanvaring plaatsgevonden tussen het vaartuig “ [naam vaartuig] ” van eigenaar/schipper [A] met als thuishaven Lelystad en het vaartuig “ [naam vaartuig] ” van eigenaar/schipper [gedaagde] , waarbij het vaartuig van [A] in de flank is geraakt en beschadigd. 2.2. [A] en [gedaagde] hebben een aanvaringsformulier watersportverzekering ingevuld en ondertekend. Op dit formulier is onder meer opgenomen: “|Zichtbare schade: Teak schade, hekstoel, zeerailing” “Voertuig B vaart dwars in voertuig A. (motor was uitgevallen) omdat zijn motor was uitgevallen Schipper B aanvaard aansprakelijkheid voor schade aan vaartuig A.” 2.3. [A] is verzekerd bij [eiseres] en [gedaagde] is verzekerd bij ESA Euroship GmbH (Duitsland). 2.4. Bij offerte van [bedrijf] te [vestigingsplaats] van 29 september 2014 is de schade begroot op een bedrag van € 2.011,00. De schade is conform de offerte hersteld. 2.5. [eiseres] heeft de schade van [A] onder aftrek van het eigen risico vergoed tot een bedrag van € 886,00. Voor dit bedrag is [eiseres] gesubrogeerd in de rechten van [A] . [eiseres] en [A] hebben op 10 september 2015 een akte van cessie gesloten voor het bedrag van € 1.125,00 gelijk aan voormeld eigen risico. 2.6. Bij e-mail van 25 januari 2015 verklaart getuige [getuige] het volgende: “Mijn verklaring van de aanvaring in de sluis bij Lelystad dd 29-09-2014 van de familie [A] . Wij lagen met ons schip al aangemeerd aan stuurboordzijde van de sluis evenals het schip van de familie [A] . Familie [A] lag ongeveer een meter of 10 achter ons. De boot van de duitse meneer kwam aangevaren om aan bakboordzijde aan te meren. Uit zijn verhaal bleek dat zijn motor afsloeg en was hierdoor stuurloos geworden. De duitser kreeg de motor weer aan de praat maar lag inmiddels dwars in de sluis met de punt richting bakboord, precies waar de heer [A] aangemeerd lag. De motor van de duitser stond nog in zijn vooruit met een behoorlijke snelheid. Hierdoor ramde de duitser de boot van de familie [A] midscheeps. Met de nodige schade als gevolg.” 2.7. Bij e-mail van 15 april 2016 schrijft [getuige] nog het volgende: “De Duitse heer heeft direct schuld bekend. De schadeformulieren zijn door beide partijen, in goed overleg en goedvinding met elkaar, ingevuld en ondertekend. Er was hierover geen onenigheid met elkaar. Ik was hier bij aanwezige.” 2.8. De verzekeraar van [gedaagde] en [gedaagde] zelf hebben de aansprakelijkheid voor de door [A] geleden schade steeds afgewezen. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.751,32 (hoofdsom € 2.011,00, buitengerechtelijke kosten € 1.920,61, vertalingskosten € 819,71, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde] door ondertekening van het schadeformulier, waarop staat vermeld dat hij de aansprakelijkheid aanvaard, die aansprakelijkheid voor de schade van [A] erkent. [gedaagde] is bovendien aansprakelijk op grond van artikel 8:1005 BW onder verwijzing naar de in het arrest [naam vaartuig] / [naam vaartuig] geformuleerde criteria. Uit het niet weersproken feitencomplex en uit de overgelegde getuigenverklaringen van [A] en [getuige] blijkt dat [gedaagde] de sluis is binnen gevaren, op enig moment de motor is uitgezet of afgeslagen, waarna het schip dwars in de sluis kwam te liggen, de motor weer heeft gestart die in de voorwaartse gang stond, waarna het schip van [gedaagde] het schip van [A] midscheeps heeft geraakt. Aldus is sprake van een fout aan de zijde van [gedaagde] , omdat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de schade te voorkomen bij het binnenvaren en afmeren in de sluis. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft de juistheid van de inhoud van het aansprakelijkheidsformulier bestreden. De erkenning van de aansprakelijkheid was niet op het formulier opgenomen en onjuist is dat op het formulier is vermeld dat [gedaagde] geen zichtbare schade aan zijn schip had. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het formulier onder misbruik van omstandigheden is ondertekend, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is, hij onvoldoende over de inhoud is ingelicht en [A] zich jegens [gedaagde] agressief gedroeg. Bij brief van 22 januari 2016 heeft [gedaagde] het aansprakelijkheidsformulier vernietigd op grond van artikel 3:50 jo 3.44 lid 1 en lid 4 BW. 3.4. De aanvaring is niet aan de schuld van [gedaagde] te wijten. Bij het de sluis invaren werd het schip van [gedaagde] plotseling door het schroefwater van het aan bakboord liggende binnenvaartschip in de richting van het schip van [A] geduwd. [gedaagde] probeerde de koersverandering direct te herstellen, waardoor hij in de buurt van de sluismuur terecht kwam. Ten einde een aanvaring met de sluismuur te voorkomen, gaf [gedaagde] gas vooruit. Op dat moment viel de motor van het schip van [gedaagde] uit en werd het schip door het schroefwater in de richting van het schip van [A] geduwd en vond de aanvaring plaats. [gedaagde] mocht erop vertrouwen dat hij veilig de sluis kon binnenvaren nu op grond van artikel 6:28 lid 9 sub e BPR het niet is toegestaan om na het afmeren in de sluis gebruik te maken van mechanische middelen tot voortbeweging, zoals bij het binnenvaartschip het geval was. [gedaagde] heeft er alles aan gedaan om een aanvaring te voorkomen. Voor zover enige aansprakelijkheid moet worden aangenomen is sprake van medeschuld omdat het schip van [A] onvoldoende in de sluis naar voren was gevaren, waardoor voor [gedaagde] onvoldoende ruimte bestond om de sluis veilig in te varen en af te meren. 3.5. Tot slot heeft [gedaagde] schade geleden als gevolg van het handelen van [A] . [A] heeft in woede het ankerlicht van het schip van [gedaagde] vernield en in het water gegooid. De schade bedraagt daarvoor € 104,95 en [gedaagde] beroept zich op verrekening voor het geval in rechte komt vast te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [A] . 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter oordeelt als volgt. Bevoegdheid 4.2. De schadeveroorzakende gebeurtenis heeft zich voorgedaan in de sluis te Lelystad. Op grond van artikel 7 van de toepasselijke EEX-verordening is bij onrechtmatige daad de rechter bevoegd waar het schade toebrengende feit zich heeft voorgedaan. Aldus is de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiseres] . Toetsingskader 4.3. Bij de beoordeling strekt tot uitgangspunt het arrest HR 30 nov. 2001, S&S 2002, 35; NJ 2002, 143‘ [naam vaartuig] ’/‘ [naam vaartuig] ’. Bij de uitlegging van het begrip ‘schuld van het schip’ moet worden vooropgesteld dat volgens de art. 8:1004 lid 1 en 8:546 BW geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat, zodat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust m.b.t. door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade. Daar staat echter tegenover dat volgens art. 6:173 lid 1 BW de bezitter van een roerende zaak aansprakelijk is indien zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken verwezenlijkt dat in het leven is geroepen doordat de zaak niet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen voldoet. Ofschoon deze bepaling uitdrukkelijk niet op schepen van toepassing is, dient een daarmee overeenstemmende regel ook te gelden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigenaar van een schip volgens de art. 8:544–8:545 en 8:1004–8:1005 BW. Daaruit volgt dat alleen dan sprake is van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.