vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/419314 / KG ZA 16-545 Vonnis in kort geding van 17 augustus 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. G.J. Hofmans te Ootmarsum, tegen 1. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Zeist, 2. naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V., gevestigd te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. M.L.J.A. de Vocht te Eindhoven. Partijen zullen hierna [eiseres] en (gedaagden tezamen in enkelvoud) Rabobank genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 juli 2016 met 22 producties; de mondelinge behandeling van 1 augustus 2016; de pleitnota van [eiseres] ; de pleitnota van Rabobank. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is op [1982] gehuwd met [A] , onder huwelijkse voorwaarden. 2.2. Op 28 februari 1997 is [bedrijf 1] B.V. opgericht. [bedrijf 2] B.V. houdt hierin 100% van de aandelen. [eiseres] en [A] waren beiden bestuurders en aandeelhouders van [bedrijf 2] B.V. 2.3. Op 1 mei 1997 heeft [eiseres] een kantoorpand gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] gekocht (hierna: het kantoorpand). 2.4. Op 22 december 1999 hebben [eiseres] en [A] een vrijstaande villa gekocht, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de villa). 2.5. Omdat [eiseres] en [A] in 2005 besloten uit elkaar te gaan, hebben zij op 27 december 2005 een appartement gekocht, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , ten behoeve van [eiseres] (hierna: het appartement). In de hypotheekakte van 27 december 2005 is opgenomen dat [eiseres] en [A] aan Rabobank hypotheek verlenen tot een bedrag van € 450.000,-, plus € 157.500,- aan rente en kosten, derhalve tot een totaalbedrag van € 607.500,- op het appartementsrecht als onderpand tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Rabobank van [eiseres] en [A] te vorderen heeft of mocht hebben, uit welken hoofde ook. 2.6. Op 26 januari 2006 is een nieuwe hypotheekakte verleden waarin is opgenomen dat [eiseres] en [A] aan Rabobank hypotheek verlenen tot een bedrag van € 1.500.000,-, plus € 525.000,- aan rente en kosten, derhalve een totaalbedrag van € 2.025.000,-, waarbij de villa in onderpand is gegeven. 2.7. Bij beschikking van [2009] is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden op [2009] door de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 2.8. In oktober 2009 heeft de Rabobank een offerte uitgebracht aan [bedrijf 2] B.V. betreffende een geldlening van € 615.000,- aan [eiseres] en een krediet voor [bedrijf 1] B.V. van € 200.000,-. Tot zekerheid voor de betaling is een hypotheekrecht gevestigd op het kantoorpand, zijn pandrechten gevestigd op debiteuren, inventaris, transportmiddelen en debiteuren van [bedrijf 1] B.V. en zijn borgtochten van € 200.000,- afgegeven door [eiseres] en [A] . 2.9. Voor de herfinanciering van het kantoorpand heeft [eiseres] op 2 november 2009 een aflossingsvrije hypotheeklening afgesloten met de Rabobank, waarbij zij aan Rabobank een recht van hypotheek heeft verleend tot een bedrag van € 1.000.000,-, plus rente en kosten van € 350.000,-, derhalve een totaalbedrag van € 1.350.000,- op het kantoorpand als onderpand tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Rabobank van [eiseres] te vorderen heeft of mocht hebben, uit welken hoofde ook. 2.10. [bedrijf 1] B.V. is op 10 december 2014 op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard. De vordering van de Rabobank op [bedrijf 1] B.V. bedroeg ten tijde van het faillissement € 209.722,-. 2.11. Rabobank heeft [eiseres] aangesproken tot betaling uit hoofde van de door haar afgegeven borgtocht. 2.12. De villa is verkocht en op 3 februari 2016 heeft het transport van de villa plaatsgevonden. Er is sprake van een restschuld van € 358.902,-. 2.13. Partijen hebben tijdens een bespreking op 31 mei 2016 gesproken over de vorderingen van Rabobank op [eiseres] : € 200.000, ter zake van de borgtocht, € 358.902, ter zake van de restschuld van de villa en € 5.842, aan achterstallige rente, in totaal € 564.744,. Bij brief van 17 juni 2016 heeft Rabobank aan [eiseres] geschreven dat zij gerechtigd is om de hypotheekrechten ten aanzien van het kantoorpand en het appartement uit te winnen, omdat het bankhypotheken betreft, die strekken tot zekerheid van al hetgeen Rabobank van [eiseres] te vorderen heeft, uit welke hoofde dan ook. Rabobank zal hiertoe overgaan indien [eiseres] niet instemt met één van de drie mogelijke oplossingen die Rabobank voorstelt, waarbij [eiseres] in ieder geval tot verkoop van het kantoorpand en het appartement dient over te gaan. 2.14. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een oplossing van de ontstane situatie. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert in kort geding, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, kort gezegd: Rabobank te gebieden de aangekondigde uitwinning van haar zekerheden in te trekken dan wel op te schorten, althans Rabobank te verbieden over te gaan tot verkoop van de onroerende zaken van [eiseres] , tot in rechte onherroepelijk is vastgesteld of, en zo ja, tot welk bedrag sprake is van een betalingsverplichting van [eiseres] wegens de borgstelling en/of restschuld van de villa, dan wel tot de datum waarop een vaststellingsovereenkomst zal zijn getekend, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag of dagdeel dat Rabobank zich hier niet aan houdt en met veroordeling van Rabobank in de proceskosten. 3.2. [eiseres] legt onder meer aan deze vordering ten grondslag dat de hypotheekakten met betrekking tot het kantoorpand en het appartementsrecht geen executoriale kracht hebben, omdat de vorderingen waarvoor Rabobank wil gaan executeren daarin niet met voldoende bepaalbaarheid zijn omschreven. 3.3. Rabobank voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de grossen van de tussen partijen opgemaakte notariële hypotheekakten met betrekking tot het kantoorpand en het appartementsrecht kunnen worden aangemerkt als een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv voor de vorderingen van de Rabobank op [eiseres] in verband met de door haar verstrekte borgstelling en/of de restschuld in verband met verkoop van de villa. 4.2. Gelet op het vérstrekkende en ingrijpende karakter van de bevoegdheid om zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst de grosse van een notariële akte met dwangmiddelen ten uitvoer te leggen is vereist dat de vordering waarvoor deze bevoegdheid is verleend met voldoende bepaaldheid in die akte is omschreven. Een notariële akte levert alleen een executoriale titel op indien deze betrekking heeft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.