RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 13/3261 en UTR 13/3317 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2016 in de zaak tussen de vennootschap onder firma “ [eiseres] ”, te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: ir. S. Boonstra), en het College van Gedeputeerde Staten, verweerder (gemachtigden: mr. E.H.J. Jansens, mr. C.J.M. Daniels en J.H. Dijk). Procesverloop Bij besluit van 19 september 2012 (het primaire besluit 1) heeft verweerder op basis van het betaalverzoek 2011 via de Gecombineerde opgave (GO) een subsidie toegekend van € 18.867,
(2011)heeft vastgesteld. Eiseres heeft niet voorafgaand aan deze vaststelling de gebiedscoördinator op de hoogte gesteld dat de oppervlaktes onjuist waren, dan wel dat zij slotenmarges wenste op te nemen in het collectief beheerplan. Ook heeft zij geen bezwaar gemaakt tegen het collectief beheerplan. Pas bij de GO 2011, toen het collectief beheerplan al in rechte vast stond, heeft eiseres gemeld dat de oppervlaktes in de Toolkit niet juist waren en dat zij ook subsidie wenste te ontvangen voor slotenmarges. Als verweerder voor de beheereenheden 1102, 1103, 1107, 1110, 1112, 1114, 1123, 1125, 1128, 1134, 1139, 1142, 1144, 1147, 1149, 1154 en 1158 de nieuwe berekening van de oppervlakten op grond van de AAN/BRP, inclusief de slotenmarges, zou aanhouden betekent dat echter dat de maximale oppervlaktes zoals vermeld in het collectief beheerplan worden overschreden. Dit is in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 7.5, zesde lid, aanhef en onder b, van de SNL, zodat verweerder terecht de maximale oppervlaktes zoals vermeld in de Toolkit heeft gehanteerd. Ook wanneer wordt aangenomen dat het binnen de Toolkit niet mogelijk was om de oppervlaktes te wijzigen en slotenmarges op te nemen had het op de weg van eiseres gelegen om hiervoor in het kader van de vaststelling van het collectief beheerplan aandacht te vragen, bijvoorbeeld door het maken van bezwaar tegen het collectief beheerplan. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiseres ook niet in de stelling dat wanneer er wijzigingen worden doorgevoerd in de AAN/BRP, deze wijzigingen ook automatisch doorgevoerd moeten worden in het collectief beheerplan. Verder is niet relevant of nu wel of niet in de SNL een verplichting vermeld staat om jaarlijks de oppervlakten aan de gebiedscoördinator door te geven, nu uit de SNL in ieder geval blijkt dat niet voor meer oppervlakte subsidie kan worden uitbetaald dan het maximum dat is vermeld in het collectief beheerplan. De uitlatingen die door de provincie Utrecht zijn gedaan in de bezwaarprocedure tegen het collectief beheerplan 2012 laat de rechtbank buiten beschouwing, nu die procedure een ander beheerjaar betreft. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het niet mogelijk was om bezwaar te maken tegen het collectief beheerplan omdat er geen oppervlaktes vermeld stonden maar alleen beheerpakketten. Of er nu wel of niet oppervlaktes in het collectief beheerplan vermeld stonden staat immers los van de vraag of bezwaar kon worden gemaakt tegen het collectief beheerplan. De gronden slagen niet.
- Ook de oppervlaktes van de overige collectieve beheereenheden, die opnieuw zijn vastgesteld op basis van de AAN/BRP, zijn volgens eiseres onjuist. Naar aanleiding van het bestreden besluit 3 heeft eiseres allereerst opgemerkt dat pas op een zeer laat moment luchtfoto’s van de betreffende gewaspercelen zijn overgelegd en dat het nog steeds niet de juiste foto’s zijn, nu het foto’s zijn over de jaren na 2011 en de weergegeven schaal van 1:500 niet lijkt te kloppen. Op basis van deze foto’s is de grens water-land nog immer onvoldoende nauwkeurig te bepalen. Verweerder gaat aan deze onjuistheden ten onrechte voorbij, nu bij in totaal 90 ingetekende gewaspercelen een klein verschil in oppervlakte in het eindresultaat toch een groot verschil kan maken. Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst en verweerder alsnog de juiste luchtfoto’s op het juiste formaat heeft toegezonden, heeft eiseres bij brief van 1 juli 2015 een spreadsheet overgelegd waarin zij per gewasperceel en per beheereenheid kanttekeningen heeft geplaatst. Daarbij is aangegeven op welke punten de perceelgrenzen volgens haar onjuist zijn gelegd en waar de oppervlaktes te klein zijn vastgesteld.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat de oppervlaktes van de beheereenheden wel juist zijn vastgesteld. De oppervlaktes zijn beoordeeld op grond van de winterluchtfoto
- Vervolgens zijn de perceelgrenzen vergeleken met de perceelgrenzen op de zomerluchtfoto van 2011 en uit die vergelijking is gebleken dat eiseres door de hantering van de winterluchtfoto 2012 niet is benadeeld. De opmerkingen in de door eiseres overgelegde spreadsheet brengen verweerder niet tot een ander standpunt. Eiseres heeft volgens verweerder ten onrechte volstaan met algemene opmerkingen en heeft niet specifiek aangegeven welke perceelgrens onjuist is en waarom. Ook heeft eiseres geen rekening gehouden met niet-beteelde oppervlaktes. Al met al is eiseres niet benadeeld doordat op sommige punten nog grond ligt buiten de ingetekende perceelgrenzen. Waar de perceelgrens volgens eiseres te eng zou zijn is namelijk ook steeds sprake van delen van het perceel waar de perceelgrens te ruim is ingetekend. Dit geldt bijvoorbeeld bij de percelen met de nummers 13, 15, 25, 37 en
- Per saldo is eiseres dus niet benadeeld. Dat de sloten op de gewaspercelen 21, 22, 32 en 33 zo goed als of bijna dicht zijn, zoals eiseres heeft aangegeven, blijkt volgens verweerder niet uit de winterluchtfoto van
- Bij de percelen met de nummers 14 en 18 is bovendien terecht een groen/bruine strook buiten beschouwing gelaten, omdat sprake is van een afkalvend talud dan wel van graspollen die over de sloot hangen. Ook is niet gebleken dat eiseres is benadeeld doordat beteelde grond op dammen buiten beschouwing zou zijn gelaten. Met die oppervlakte is wel degelijk rekening gehouden. Ook de grens tussen de beteelbare oppervlakte en de kant van de wegen en paden is juist ingetekend. Verder merkt verweerder ten aanzien van beheereenheid 1149 op dat de oppervlakte bij nader inzien onjuist is berekend, echter dit heeft voor het bestreden besluit geen gevolg nu bij deze beheereenheid de oppervlakte bepalend is zoals die is goedgekeurd in het collectief beheerplan.
- In de aanvullende gronden van 13 oktober 2015 brengt eiseres naar voren dat verweerder ten onrechte de winterluchtfoto 2012 heeft gehanteerd. Bij het invullen van de jaarlijkse GO wordt altijd de voorjaarsfoto weergegeven en door nu de winterfoto te hanteren blijft er sprake van verwarring. Bovendien is de wens van verweerder om de oppervlaktes voor alle 6 jaren vast te stellen op basis van één winterfoto principieel onjuist in het veenweidegebied, nu de slootkanten aangroeien, dichtgroeien, weer worden opengehaald etcetera, waardoor de situering van de slootkanten, en daarmee de oppervlakte, kan fluctueren. Eiseres betwist dat zij zich niet aan de afspraken heeft gehouden zoals die ter zitting zijn gemaakt. Dat zij op de luchtfoto’s had moeten intekenen dan wel rekening had moeten houden met niet-beteelde oppervlakte blijkt niet uit het verkort proces-verbaal van de zitting van 14 april
- Verweerder heeft zich in ieder geval niet gehouden aan de afspraak om op de luchtfoto’s zowel de door verweerder vastgestelde perceelgrenzen als de door eiseres ingetekende perceelgrenzen te vermelden. Anders dan verweerder meent wordt eiseres door de onnauwkeurige perceelgrenzen wel degelijk benadeeld. De drogredenering dat een en ander elkaar per saldo zou opheffen is onzin en niet met feiten gestaafd. Eiseres handhaaft het standpunt, zoals vermeld in de spreadsheet, dat voor zover het gaat om sloten, dammen en paden de lijnen onjuist zijn ingetekend. Eiseres voert tot slot aan dat alle oppervlaktediscussies kunnen worden ondervangen door terug te vallen op de tolerantie die is toegestaan binnen de Europese Regelgeving op grond van artikel 34 van de Verordening EG/1122/
- De laatste zin van het eerste lid maakt het mogelijk om niet uit te gaan van een minimumoppervlakte, die ieder jaar opnieuw zou moeten worden vastgesteld, gezien de variatie in ligging van de grens land-water. Een oppervlakte per 15 mei van het subsidiejaar die correspondeert met de getoonde luchtfoto’s in de GO maakt het voor de agrariër een stuk duidelijker. Het feitelijk niet jaarrond in gebruik hebben van grond wordt ondervangen door de tolerantie(marge). Juist voor dergelijke kleine afwijkingen is de tolerantiemarge bedoeld.
- De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat de luchtfoto’s, waar door eiseres al meerdere malen om was verzocht, ten onrechte pas bij het bestreden besluit 3 zijn overgelegd. Het bestreden besluit 3 is om die reden in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De beroepsgrond slaagt. Hierna beoordeelt de rechtbank inhoudelijk of verweerder van de juiste oppervlaktes is uitgegaan.
- Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en gelet op hetgeen is bepaald in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening EG/1122/2009, mag bij het bepalen van de oppervlakte van beheereenheden worden uitgegaan van de in de AAN/BRP opgenomen referentiepercelen, tenzij hetgeen is aangevoerd aanleiding geeft om aan de juistheid van de vastgestelde oppervlakte te twijfelen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1490).
- Eiseres heeft ten aanzien van de door verweerder vastgestelde oppervlaktes verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank vindt daarin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de door verweerder vastgestelde oppervlaktes. Verweerder heeft weliswaar meerdere keren zijn standpunt gewijzigd, echter dit maakt niet dat alleen daarom moet worden aangenomen dat de in het bestreden besluit 3 vastgestelde oppervlaktes onjuist zijn. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat ten onrechte de winterluchtfoto 2012 is gehanteerd. Verweerder heeft de perceelgrenzen vergeleken met de zomerluchtfoto’s 2011 en daarbij geconstateerd dat eiseres niet is benadeeld. Dat deze werkwijze in strijd is met de toepasselijke regelgeving is niet gebleken. Het gegeven dat bij de jaarlijkse GO altijd de zomerluchtfoto wordt getoond maakt dit niet anders. Verder merkt de rechtbank op dat, alhoewel het vaststellen van de perceelgrenzen met zorgvuldigheid dient te gebeuren, het niet haalbaar is om de perceelgrenzen met 100% nauwkeurigheid vast te stellen gelet op het grote aantal gewaspercelen waarvan de oppervlaktes jaarlijks vastgesteld moeten worden. Verweerder heeft aan de hand van de winterluchtfoto’s van 2012 en de zomerluchtfoto’s van 2011 en de daarop gegeven toelichting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de perceelgrenzen, en daarmee de oppervlaktes, voor de uitbetaling van de SNL-subsidie voor het beheerjaar 2011 correct zijn vastgesteld. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd over artikel 39, eerste lid, van de Verordening EG/1122/2009 maakt de rechtbank op dat eiseres voorkeur heeft voor een andere beoordelingssystematiek dan zoals deze door verweerder is gehanteerd. Dat de vaststelling van de oppervlaktes, zoals verweerder dat heeft gedaan, in strijd is met de Verordening EG/1122/2009 dan wel de SNL is de rechtbank echter niet gebleken. De beroepsgronden slagen niet.
- Ten aanzien van de toeslag voor ruige mest heeft verweerder in het bestreden besluit 3 gesteld dat de oppervlakte voor uitbetaling van de toeslag is gekoppeld aan de oppervlakte voor collectief beheer zoals deze is uitbetaald voor het jaar
- De ruige mest mag in de situatie van eiseres alleen worden uitgereden op de percelen met het pakket “ [...] ” en “ [...] ”. Uit het bestreden besluit 3 blijkt dat er voor deze pakketten in totaal een oppervlakte van 8,6 hectare wordt uitbetaald. Voor de ruige stalmest wordt daardoor ook een toeslag uitbetaald van 8,6 hectare.
- Eiseres voert aan dat de toeslag ruige stalmest niet juist is uitbetaald nu de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden onjuist zijn vastgesteld. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden juist heeft bepaald, slaagt deze grond niet. Probleemgebiedenvergoeding 2011
- Bij de GO 2011 heeft eiseres eveneens een probleemgebiedenvergoeding (PGV) aangevraagd. In het bestreden besluit 3 heeft verweerder allereerst gesteld dat uitsluitend PGV kan worden toegekend voor gewaspercelen waarvoor ook een subsidie op grond van de SNL is uitbetaald. Voor de gewaspercelen 42, 58, 71, 81 tot en met 87 geldt dat geen sprake is van SNL-subsidie in het jaar 2011, zodat ook geen PGV kan worden toegekend. Verder dient de landbouwgrond een aaneengesloten oppervlakte te hebben van 0,5 hectare. Beheereenheid 35 komt om die reden niet voor uitbetaling in aanmerking. Ten aanzien van de overige gewaspercelen worden de oppervlaktes gewijzigd naar de oppervlaktes zoals die in het bestreden besluit 3 zijn vastgesteld voor individueel en collectief agrarisch natuurbeheer
- Het bedrag van de PGV wordt daarmee ook gewijzigd vastgesteld.
- Eiseres voert aan dat voor de beheereenheden 5, 35, 40, 1100, 1118 en 1138 ten onrechte geen PGV is toegekend omdat zij niet een aaneengesloten oppervlakte hebben van tenminste 0,5 hectare. De PGV is juist bedoeld om ongunstige landbouwomstandigheden, waaronder kleine percelen, te compenseren. Deze beheereenheden maken onderdeel uit van een aaneengesloten geheel. Ook de onderlinge samenhang met aangrenzende gewaspercelen dient te worden beoordeeld en daarbij dient ook de goedgekeurde slotenmarge te worden betrokken.
- Uit bestreden besluit 3 volgt dat de PGV uitsluitend voor beheereenheid 35 is geweigerd omdat sprake zou zijn van een kleiner oppervlakte dan 0,05 hectare. Dat de PGV is geweigerd voor de overige door eiseres genoemde beheereenheden omdat sprake is van een oppervlakte van minder dan 0,05 hectare is niet gebleken, zodat de rechtbank eiseres niet volgt ten aanzien van de beheereenheden 5, 40, 1100, 1118 en
- Ten aanzien van beheereenheid 35 brengt verweerder in het schrijven van 27 mei 2015 naar voren dat hij alsnog aanleiding ziet om PGV toe te kennen , nu de weiderand op één punt grenst aan het daarboven gelegen perceel waardoor er wel sprake is van aaneengeslotenheid. Er zal dan ook alsnog PGV worden toegekend voor deze beheereenheid, met een hoogte van € 12,22 (0,13 hectare x € 94,-). Nu verweerder het standpunt ten aanzien van de PGV heeft gewijzigd hangende de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit 3, is ook op dit punt sprake van een gebrek in het bestreden besluit 3, zodat ook deze beroepsgrond slaagt. Conclusie
- Gelet op de in rechtsoverwegingen 19 en 26 geconstateerde gebreken is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit 3 worden vernietigd.
- De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 3 in stand te laten, met uitzondering van de PGV 2011 voor beheereenheid 35, waarop in rechtsoverweging 29 wordt ingegaan. Eiseres heeft na de zitting de mogelijkheid gehad om haar op- en aanmerkingen te plaatsen bij de juiste versie van de luchtfoto’s, en de rechtbank heeft in rechtsoverweging 21 geoordeeld dat verweerder de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden correct heeft vastgesteld.
- Ten aanzien van de PGV 2011 voor beheereenheid 35 ziet de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 26, geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit 2 voor zover daarbij is geweigerd om PGV toe te kennen voor beheereenheid
- Vervolgens bepaalt de rechtbank dat aan eiseres PGV toegekend dient te worden voor beheereenheid 35, ter hoogte van een bedrag van € 12,
- De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in zoverre de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit
- Dat betekent dat verweerder dus geen nieuw besluit meer hoeft te nemen.
- Nu verweerder gedurende de beroepsfase een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen ter vervanging van de bestreden besluiten 1 en 2, en omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht in de procedures met kenmerken UTR 13/3261 en UTR 13/3317 dient te vergoeden, van in totaal € 636,-.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in beide zaken, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: Ten aanzien van het bestreden besluit 1 - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 1; Ten aanzien van het bestreden besluit 2 - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 2; Ten aanzien van het bestreden besluit 3 - verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 3 gegrond; - vernietigt het bestreden besluit 3 en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven, met uitzondering van de probleemgebiedenvergoeding voor beheereenheid 35; - herroept het primaire besluit 2; - kent voor beheereenheid 35 een probleemgebiedenvergoeding toe voor het jaar 2011 ter hoogte van € 12,22; - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3; Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 tot en met 3 - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.984,-, te betalen aan eiseres; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 636,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, en mr. M.C. Stoové en M.C. Verra, leden, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.