RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/702580-13 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 november
- in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Joegoslavië), ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres, [adres] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015, 23 maart 2016, 3 augustus 2016 en 16 november
- De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting van 16 november 2016 laten bijstaan door mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 In de periode van 1 augustus 2012 tot en met 11 maart 2014 te Nieuwegein, Duitsland, België en/of Bulgarije samen met een ander meerdere goederen heeft witgewassen en hier een gewoonte van heeft gemaakt; Feit 2 Op 5 juli 2013 te Nieuwegein samen met een ander een aantal goederen heeft geheeld; Feit 3 In de periode van 1 augustus 2012 tot en met 27 mei 2014 in de gemeente Nieuwegein samen met een ander uitkeringsfraude heeft gepleegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van het onherkenbaar maken van goederen die van misdrijf afkomstig waren. Voorts heeft de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde aangezien – kort samengevat – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dan deze van misdrijf afkomstig waren. Tot slot heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewijsbaarheid van feit
- 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Ten aanzien van feit 1 Verdachte wordt verweten dat hij goederen die van misdrijf afkomstig waren, te weten sieraden en andere goederen die edelmetaal bevatten, voorhanden heeft gehad, respectievelijk heeft omgesmolten tot edelmetaalstaven en deze vervaardigde edelmetaalstaven heeft aangeboden bij het goud- en zilverscheidingsbedrijf C. Hafner en/of anderen, waardoor de herkomst van de sieraden niet meer te traceren was, en dat hij hiervoor geld of goud heeft ontvangen en hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat aannemelijk is dat de voorwerpen zoals die in de tenlastelegging zijn omschreven afkomstig zijn uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Voor zover het beschikbare dossier een vermoeden van witwassen rechtvaardigt, betekent dit dat van verdachte kan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de sieraden en het goud dat hij onder zich had dan wel heeft aangeboden aan derden. Volgens vaste jurisprudentie dient een dergelijke verklaring te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Voor zover de tenlastelegging ziet op de in de woning van verdachte aangetroffen sieraden die niet onder feit 2 zijn genoemd, en de goudstaaf, geldt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze goederen van misdrijf afkomstig zijn. Voor zover de tenlastelegging ziet op de onder feit 2 bedoelde sieraden geldt dat niet alleen niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van de verwerving (voor zover daarvan sprake was) wist van de criminele herkomst, maar evenmin nadien, tot het aantreffen ervan door de politie. Met betrekking tot het goud dat verdachte heeft aangeboden bij goud- en zilverscheidingsbedrijf C. Hafner (en anderen), geeft het dossier basis voor een vermoeden van witwassen. Verdachte heeft hierover verklaard dat dit door hem aangekocht (sloop)goud betrof. Verdachte heeft ter onderbouwing van deze verklaring enkele aankoopbonnen en overige bewijsstukken overgelegd, deels ook over de ten laste gelegde periode. Het ontbreken van een sluitende administratie ten aanzien van de inventaris van zijn voormalige juwelierszaak en het door hem ingekochte en aansluitend aan goud- en zilverscheidingsbedrijf C. Hafner verkochte (sloop)goud verklaart verdachte doordat zijn administratie uit zijn auto is gestolen. Deze verklaring – die verdachte reeds op de eerste behandeling ter zitting naar voren heeft gebracht – is door het Openbaar Ministerie niet verder onderzocht. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de uit de verklaringen van de verdacht blijkende, alternatieve herkomst van de goederen onvoldoende is onderzocht en dat derhalve niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve niet een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Louter aan de omstandigheid dat in de woning van verdachte sieraden zijn aangetroffen die van diefstal afkomstig zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie geen zodanig gewicht worden toegekend dat hieruit zou moeten volgen dat al het goud dat verdachte bij het goud- en zilverscheidingsbedrijf C. Hafner heeft ingeleverd, bestond uit goud van sieraden die middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig waren. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakte aan (gewoonte)witwassen. Ten aanzien van feit 2 Verdachte wordt verweten dat hij de onder dit feit tenlastegelegde goederen heeft geheeld. De rechtbank overweegt dat geen omstandigheden zijn komen vast te staan waaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de betreffende voorwerpen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die van misdrijf afkomstig waren. Gelet hierop is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. 4.3.2 Bewijsmiddelen De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft het feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering -voor zover zij dit feit bewezen acht- volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 3 - de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2016; - het proces-verbaal van onderzoek doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 13 van proces-verbaal RSRN 1310039 van 27 mei 2014 met de daarbij behorende bijlagen; - het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 186 tot en met 192 van het proces-verbaal met nummer 2013149821, 096 ZEGEL. Bewijsoverweging Op grond van bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl hij samen met zijn mededader, zijn echtgenote, wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens ten behoeve van zijn uitkering voor de gemeente Nieuwegein van belang waren. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Feit 3 op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 27 mei 2014 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, telkens in strijd met een hun bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en diens mededader wisten dan wel redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader, telkens opzettelijk geen opgave gedaan van en verzwegen dat hij, verdachte of diens mededader, werkzaamheden verrichtte te weten: het opkopen en verwerven van sieraden en andere goederen bevattende edelmetalen en het om laten smelten en laten bewerken van deze sieraden en andere goederen en vervolgens de hieruit verkregen edel metalen aan laten bieden bij meerdere bedrijven en daarvoor zilver en fijngoud en geld ontvangen/uitgekeerd gekregen, en de beschikking hadden over vermogen te weten: een grote hoeveelheid sieraden, en aldus uit dien hoofde inkomsten en tegoeden hadden; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als Feit 3 Medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 8.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat het volgende aangevoerd. Verdachte is recentelijk niet met politie en justitie in aanraking gekomen. De verdediging heeft verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte tevens echtgenote in een periode van bijna twee jaar schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Er was sprake van een grootschalige handel in goud en verdachte had een bedrijf opgericht in Bulgarije, welbewust buiten het zicht van de uitkeringsinstantie. Daarnaast had verdachte een bankrekening in Bulgarije waarop meermalen substantiële bedragen zijn gestort. Verdachte heeft opzettelijk geen melding gemaakt van deze omstandigheden, terwijl hij wel deze verplichting had. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een uitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt dit sociale stelsel. De rechtbank acht het - gelet op die bankafschriften - ongeloofwaardig dat verdachte, zoals hij heeft gesteld, slechts geringe inkomsten uit deze handel heeft gehad, en gaat uit van zeer substantiële inkomsten (gelet op de grote goud- en zilveromzetten waarvan is gebleken). De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank stelt vast dat verdachte al op 11 maart 2014 gehoord is in deze zaak. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechtbank van de Mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Dit is namelijk het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De behandeling in eerste aanleg is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met ruim acht maanden overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden en in dit geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist, opleggen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat verdachte voor de feiten 1 en 2 zal worden vrijgesproken en gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden. 9Het beslag 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de goederen onder 1, en 4 tot en met 6 kunnen worden geretourneerd aan verdachte. De goederen onder 2 en 3 dienen verbeurd verklaard te worden, evenals alle daarna genoemde goederen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht tot teruggave van de in beslag genomen goederen aangezien niet kan worden verondersteld dat een ander dan verdachte de rechthebbende is van de goederen en er ook geen aanleiding is om te veronderstellen dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de op de beslaglijst aangeduide voorwerpen onder verdachte in beslag zijn genomen. De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte de in beslag genomen voorwerpen die aan verdachte toebehoren, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 227b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Feit 3 Medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf 2 uren per dag. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden. Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: Algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Beslag Gelast de teruggave aan [verdachte] van: -1.00 STK Document 1104546, 11B1gevonden in de gang v/d woning -1.00 STK Goud Kl:goud Bakje 1104614, Bakje goud aangetroffen in ruimte 1A3 -1.00 STK Zak 1104628, plastic zakje met armband resten aangetr. -10.00 Stk Usb-stick 927578, uit ruimte A-1-1 in sealbag 30944224 -1.00 STK Document 1104603, sealbag 31482565, IIa2 doc in woonkamer -1.00 STK Document 1104473, sealbag 30922067, IIC1 doc. aangetr. Zold -1.00 STK Horloge TISSOT 929427 -Euro geld (biljetten) 1104395, IBG 11-3-2014, 14/G094 -1.00 STK Horloge TECHNO 929459 -Euro geld 927733, IBG 5-7-2013, 14/G307 -1.00 STK Armband Kl: goudkl 927561, in 5 losse deeltjes -2.00 STK Halsketting Kl:goudkl 927553 -1.00 STK Munt Kl:goudkl 927525 -1.00 STK Broche Kl:goudkl 927520 -1.00 STK Goud Kl:goud Staaf 927574 -1.00 STK Halsketting Met hanger 927569, hanger is stuk -1.00 STK Hanger Kl:goudkl 927537 -1.00 STK Broche 929453 -1.00 STK Horloge OMEGA seamaster 929446 -1.00 STK Halsketting 929375 -18.00 STK Armband 929374 -75.00 STK Muntverzameling 929371 -11.00 STK Broche DIV.MODELLEN 929366 -13.00 STK Armband DIV MODELLEN 929358 -7.00 STK Armband DIV.MODELLEN 929350 -32.00 STK Muntenverzameling DIV. SOORTEN 929381 Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mrs. J.W. Frieling en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Benschop, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 november
- BIJLAGE : De tenlastelegging
- 702580-13 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 11 maart 2014, te Nieuwegein, althans in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Bulgarije, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), sieraden en/of andere goederen bevattende (edel)metalen verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet of van die voorwerpen gebruik gemaakt, en/of van die sieraden en/of andere goederen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die voorwerpen, te weten die sieraden en/of andere goederen, was/waren door deze sieraden en/of andere goederen om te (laten) zetten en/of te (laten) smelten en/of om te (laten) bewerken, (waardoor de herkomst (telkens) onherkenbaar is geworden) en/of (vervolgens) de hieruit verkregen (edel)metalen aan te (laten) bieden bij een of meerdere bedrijven en/of daarvoor zilver en/of fijngoud en/of geld te ontvangen/uitgekeerd te krijgen terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht art 420ter Wetboek van Strafrecht art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
- 16/702580-13 hij op of omstreeks 05 juli 2013 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pennenset (met de inscriptie ' [naam] ') en/of een Apple Macbook en/of een gouden muntstuk en/of meerdere zegelringen en/of een (grote) hoeveelheid sieraden, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
- 16/652519-14 hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 27 mei 2014 in de gemeente Nieuwegein, en/of in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, en/of alleen, (telkens) in strijd met een hem/haar/hun bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of diens mededader wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte, en/of diens mededader, werkzaamheden verrichtte(n) te weten: het opkopen en/of verwerven van sieraden en/of andere goederen (bevattende edelmetalen) en/of het om (laten) zetten en/of (laten) smelten en/of (laten) bewerken van (deze) sieraden en/of andere goederen en/of (vervolgens) de hieruit verkregen (edel)metalen aan (laten) bieden bij meerdere bedrijven en/of (daarvoor) zilver en/of fijngoud en/of geld ontvangen/uitgekeerd gekregen, en/of de beschikking had(den) over vermogen (te weten: een (grote) hoeveelheid sieraden), en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten en/of tegoeden had(den); art 227b Wetboek van Strafrecht
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.