← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2016:6704

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661660-15 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 november 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1973] , verblijvend in het [verblijfplaats] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 november

  1. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 te Zeist [slachtoffer] heeft bedreigd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 juni 2015 aangeefster heeft bedreigd met de woorden “ik heb zin om jou te killen”. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt - kort gezegd - dat zij erkent dat de inhoud van de WhatsApp-gesprekken tussen aangeefster en verdachte een volstrekt ander beeld geven dan de verklaringen die aangeefster later bij de politie heeft afgelegd en dat er ‘verwonderpunten’ in het dossier zijn. Op grond van de aangifte van [slachtoffer] ter zake van de bedreiging en de verklaring van getuige [getuige] daarover, de omstandigheid dat die verklaringen worden ondersteund door de WhatsApp-gesprekken van 5 juni 2015, en het gebruik door verdachte van het woord ‘kill’ ook in een ander verband, acht de officier van justitie wettig en ook overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd. Gelet op de veroordeling van verdachte in 1994, waarvan aangeefster kennis had, had verdachte zich kunnen en moeten realiseren dat de door hem gebruikte woorden voor aangeefster beangstigend waren, aldus de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is of onvoldoende overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde. Om die reden heeft de verdediging om vrijspraak verzocht. Ter terechtzitting heeft de verdediging aansluiting gezocht bij een op 4 februari 2016 aan de officier van justitie gedaan sepotverzoek. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat overtuigend steunbewijs voor de aangifte ontbreekt en dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. In dat verband heeft de verdediging gewezen op - samengevat - de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en aangeefster in de periode 18 mei 2015 tot en met 3 september 2015 en het telefoongesprek op 4 september 2015 tussen verdachte en aangeefster, waarin aangeefster in het geheel niet rept over de feiten waarvan zij verdachte beschuldigt. Voorts heeft de verdediging gewezen op het mutatierapport van 2 september 2015 (pagina 27 van het proces-verbaal), en dat getuige [getuige] na het roken van een sigaret met aangeefster, opeens anders verklaart. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de stukken die zich in het dossier bevinden niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een complexe relatie tussen verdachte en aangeefster. Op 5 juni 2015 zou verdachte, naar eigen zeggen, met aangeefster en haar kinderen naar McDonalds gaan. Aangeefster liet hem vervolgens via een WhatsApp weten dat het niet door zou gaan. Toch is hij naar haar toegereden en hebben zij elkaar (tussen 12:00 uur en 13:40 uur) gezien en gesproken. Uit de WhatsApp-berichten die vanaf omstreeks 13:40 uur zijn gewisseld, blijkt van boosheid die er is geweest tussen verdachte en aangeefster. Uit de WhatsApp-berichten komt naar voren dat er op 5 juni 2015 woorden zijn gevallen omdat slachtoffer die dag aangeeft dat zij het eng vindt dat verdachte zo boos doet en dat verdachte aangeeft dat hij boos was (pag 358 van het proces-verbaal). De rechtbank heeft op basis van het dossier wel de overtuiging dat er iets is voorgevallen tussen verdachte en aangeefster, maar heeft niet de overtuiging dat verdachte de woorden “ik heb zin om je te killen” heeft gezegd. De verklaring van [getuige] mist daartoe de overtuigingskracht, mede erop gelet dat zij desgevraagd of zij zich iets kon herinneren met betrekking tot aangeefster aanvankelijk ten overstaan van de politie niet over die bewoordingen heeft gesproken. 5Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 2.500,00 aan immateriële schade en € 760,00 aan materiële schade. Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 6Beslissing De rechtbank: - verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; - verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering, met veroordeling van deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte gemaakt, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. van den Boogaard, voorzitter, mrs. P.J.M. Mol en M.P. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november
  2. BIJLAGE : De tenlastelegging Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] meermalen, in ieder geval éénmaal, dreigend de woorden toegevoegd :"Ik heb zin om je te killen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.